ECLI:NL:RBDHA:2026:25052

ECLI:NL:RBDHA:2026:25052

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 01-09-2026
Datum publicatie 01-09-2026
Zaaknummer NL24.51786
Rechtsgebied Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure Bodemzaak
Zittingsplaats Groningen

Samenvatting

Syrië. Beroep gegrond. Alawiet. Stelt dat er huiszoeking is geweest vanwege kritische uitingen. Is in bezit van document die dit onderbouwt. Ex nunc toets. Onderzocht door BD die dit neutraal heeft beoordeeld. Onvoldoende door verweerder gemotiveerd waarom eiser gelet op document geen gegronde vrees heeft voor vervolging of reëel risico loopt op ernstige schade. Aan document komt bewijswaarde toe in combinatie met eisers verklaringen en situatie in land van herkomst.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser 1] , eiser,V-nummer: [v-nummer]

de minister van Asiel en Migratie,

Samenvatting

Zittingsplaats Groningen

Bestuursrecht

zaaknummer: NL24.51786

(gemachtigde: mr. A. Khalaf),

en

(gemachtigde: mr. G.J. Douma en mr. D. Frieser).

1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de asielaanvraag van eiser. Eiser is het hier niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Mede aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de asielaanvraag.

De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de afwijzing van de asielaanvraag niet in stand kan blijven. Het beroep is gegrond en eiser krijgt gelijk. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Eiser heeft op 10 maart 2023 een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. De minister heeft met het bestreden besluit van 6 december 2024 deze aanvraag in de verlengde procedure afgewezen als ongegrond. Aan eiser is ook een terugkeerbesluit opgelegd. Eiser heeft beroep ingesteld tegen dit besluit.

3. Tijdens de beroepsfase is de situatie in Syrië gewijzigd na de val van het regime. Bij brief van 5 maart 2025 heeft de minister verzocht om aanhouding van de behandeling van het beroep zodat eiser aanvullend gehoord kan worden over de veranderde situatie in zijn land van herkomst. Op 16 mei 2025 is eiser aanvullend gehoord. Op 3 september 2025 heeft de minister een aanvullend voornemen uitgebracht en heeft eiser daarop zijn zienswijze gegeven. Op 2 oktober 2025 heeft de minister een aanvullend besluit uitgebracht. Het beroep heeft ook betrekking op dit aanvullende besluit.

De rechtbank heeft het beroep op 27 januari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser (bijgestaan door een tolk), de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de minister. De rechtbank heeft het onderzoek op de zitting gesloten.

De rechtbank heeft het onderzoek op 23 februari 2026 heropend en de gemachtigde van eiser in de gelegenheid gesteld om twee (originele) documenten te overleggen. De gemachtigde van eiser heeft op 10 maart 2026 aanvullende gronden ingediend over de 15c-situatie. Op 30 april 2026 heeft de gemachtigde van de minister aangegeven dat Bureau Documenten het document ‘bewijs van vervolging’ van 25 januari 2026 neutraal heeft beoordeeld. Op 2 juni 2026 heeft de minister op verzoek van de rechtbank een nadere reactie gegeven. De gemachtigde van eiser heeft op 15 juni 2026 hierop gereageerd.

De gemachtigde van de minister heeft op 14 juli 2026 laten weten dat een nadere zitting niet noodzakelijk is. De gemachtigde van eiser heeft op 7 augustus 2026 ook laten weten dat een nadere zitting niet nodig is. De rechtbank heeft vervolgens op 13 augustus 2026 het onderzoek gesloten.

Beoordeling door de rechtbank

Het asielrelaas

4. Eiser heeft verklaard dat hij Syrië heeft verlaten vanwege de algemene situatie, maar ook omdat hij werd bedreigd door milities. Zij zouden eiser in zijn winkel hebben bedreigd om te betalen. Ook moeten eisers zonen in militaire dienst, en eiser wil niet dat zij een wapen dragen. Eiser maakt zich zorgen over zijn kinderen.

Daarnaast heeft eiser verklaard dat hij behoort tot de Alawieten en afkomstig is uit Latakia. Sinds Al Assad, een Alawiet, weg is, worden Alawieten als ongedierte en ongelovigen bestempeld. De Alawieten zijn een minderheid die op dit moment gevaar lopen in Syrië. Eiser kan daarom niet terug naar Syrië.

De bestreden besluiten

5. Het asielrelaas van eiser bevat volgens de minister de volgende asielmotieven:

Identiteit, nationaliteit en herkomst;

Problemen vanwege bedreiging door milities.

De minister acht de identiteit, nationaliteit en herkomst van eiser geloofwaardig. De problemen vanwege bedreigingen door de milities zijn daarentegen niet geloofwaardig. De minister stelt zich verder op het standpunt dat eiser weliswaar als Alawiet tot een risicoprofiel behoort, maar dat hij zelf geen gegronde vrees voor vervolging of een reëel risico op ernstige schade loopt bij terugkeer. Daarnaast is in Latakia weliswaar sprake van een relatief lager niveau van willekeurig geweld, maar eiser heeft niet aan de hand van zijn individuele situatie en persoonlijke omstandigheden aannemelijk gemaakt dat hij een reëel risico loopt om slachtoffer te worden van willekeurig geweld.Overwegingen van de rechtbank

6. Eiser betoogt in de gronden van 15 januari 2026 dat hij vanwege een huiszoeking bij zijn familie in Syrië in januari 2026 in de negatieve belangstelling staat van de autoriteiten. Eiser heeft zich in Nederland kritisch geuit over geweld tegen Alawieten. Op de zitting voegt eiser toe dat hij zich op social media kritisch heeft geuit en dat de huiszoeking daar het gevolg van is. Bij terugkeer loopt eiser het risico verhoord te worden en loopt hij een reëel risico op ernstige schade. Ook geeft de gemachtigde van eiser aan dat er originele documenten zijn die dit kunnen onderbouwen.

De minister stelt zich op de zitting op het standpunt dat de huiszoeking niet wordt gevolgd, omdat dit niet is onderbouwd. Bovendien heeft eiser ook niet onderbouwd dat hij op social media actief is. Ook is niet aannemelijk gemaakt dat de huiszoeking daar het gevolg van is. De minister vraagt om de activiteiten die zijn verricht buiten de beoordeling te laten, omdat dit te laat is ingebracht.

7. De rechtbank heeft het onderzoek op de zitting gesloten, maar het onderzoek heropend om eiser in de gelegenheid te stellen alsnog documenten in te brengen. De rechtbank heeft dit gedaan omdat zij gehouden is om bij een asielaanvraag een volledige ex-nunc beoordeling te maken. Daarom dient zij ook rekening te houden met feiten en omstandigheden die na het bestreden besluit zijn aangevoerd. De rechtbank stelt vast dat eiser in zijn gronden al melding heeft gemaakt van de huiszoeking en dat hij zich kritisch heeft geuit over geweld tegen Alawieten. Het betoog van eiser is dus niet pas op de zitting naar voren gebracht. De rechtbank vindt niet dat met deze gang van zaken sprake is van strijd met de goede procesorde. De minister is namelijk na de heropening in de gelegenheid gesteld om het document te laten onderzoeken en een inhoudelijk standpunt in te nemen. De rechtbank zal het document daarom hierna betrekken in de beoordeling.

8. De minister stelt zich over het document op het standpunt dat Bureau Documenten het document neutraal heeft beoordeeld. Dit betekent dat zij geen uitspraak kunnen doen over de opmaak, afgifte of inhoud van het document. Verwezen wordt naar het verweerschrift en het standpunt zoals weergegeven op de zitting. De rechtbank heeft vervolgens de minister erop gewezen dat in het digitale dossier geen verweerschrift aanwezig is en de minister opnieuw in de gelegenheid gesteld een standpunt in te nemen. De minister heeft vervolgens opnieuw verwezen naar het oordeel van Bureau Documenten over het document en daaraan toegevoegd dat hij daarom het standpunt handhaaft dat eiser onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat hij kan worden aangemerkt als vluchteling in de zin van het Vluchtelingenverdrag.

Eiser betoogt dat de minister onvoldoende is ingegaan op het overgelegde document. Uit het document volgt dat tegen ‘ [eiser 2] ’ een rechtszaak is geregistreerd vanwege belediging, minachtig en laster van het staatshoofd. De zitting is bepaald op 30 maart 2026. De minister had de inhoud van dit document moeten beoordelen, maar heeft dat niet gedaan. De minister had moeten nagaan of de strafzaak, in combinatie met eisers Alawietische profiel en herkomst uit Latakia een risico oplevert op detentie, mishandeling, foltering, oneerlijke bestraffing of discriminatoire vervolging.

9. De rechtbank oordeelt dat de minister onvoldoende heeft gemotiveerd waarom eiser, gelet op het overgelegde document, geen gegronde vrees voor vervolging heeft of een reëel risico op ernstige schade loopt. De enkele verwijzing naar het neutrale advies van Bureau Documenten is daarvoor onvoldoende. De rechtbank overweegt dat ook aan documenten die niet op echtheid onderzocht kunnen worden, zoals kopieën, bewijswaarde toekomt en dat documenten altijd tegen het licht van de verklaringen van de vreemdeling en dat wat in het algemeen bekend is over de situatie in het land van herkomst beoordeeld moeten worden.

De minister heeft dat in dit geval niet gedaan. Daarvoor is het standpunt op de zitting ook onvoldoende, omdat daar niet specifiek is ingegaan op de inhoud van het door eiser overgelegde document. Daar komt bij dat de minister ook bij het ingenomen standpunt over Alawieten als risicoprofiel en de individuele omstandigheden bij het relatief lagere niveau van willekeurig geweld (15c), eveneens ten onrechte niet is ingegaan op het overgelegde document en de consequenties daarvan. Dit betekent dat sprake is van een motiveringsgebrek.

Conclusie en gevolgen

10. Het beroep is gegrond en de bestreden besluiten worden vernietigd vanwege het onder 9. genoemde motiveringsgebrek. Gelet op de aard van het geconstateerde gebrek ziet de rechtbank geen aanleiding om de rechtsgevolgen in stand te laten of zelf in de zaak te voorzien. De overige beroepsgronden behoeven daarom geen nadere bespreking. De minister zal een nieuw besluit op de aanvraag van eiser moeten nemen en daarbij rekening moeten houden met deze uitspraak.

11. Omdat het beroep gegrond is, krijgt eiser een vergoeding van zijn proceskosten. De minister moet deze vergoeding betalen. De rechtbank stelt de vergoeding vast op € 2.335,-.

Beslissing

De rechtbank:

Deze uitspraak is gedaan door mr. V.A.G. van Dijk, rechter, in aanwezigheid van mr. S. Derks, griffier en openbaar gemaakt door gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.

De uitspraak is openbaar en bekendgemaakt op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 4 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Zittende Magistratuur

Griffier

  • mr. S. Derks

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand