RECHTBANK DEN HAAG
de minister van Asiel en Migratie, (gemachtigde: mr. J. Willems).
uitspraak
Bestuursrecht zaaknummer: NL26.19034
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser (gemachtigde: mr. S.C. van Paridon),
en
Procesverloop
Bij besluit van 3 april 2026 (het bestreden besluit) heeft de minister aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
Partijen hebben ingestemd met schriftelijke behandeling. Eiser heeft op 8 april 2026 de gronden van beroep ingediend. De minister heeft op 9 april 2026 een verweerschrift ingediend.
De rechtbank heeft het onderzoek gesloten op 13 april 2026.
Overwegingen
De maatregel van bewaring van 3 april 2026
1. Eiser stelt van Egyptische nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [geboortedatum] 1985.
Doorwerking onrechtmatigheid
2. Eiser voert aan dat voorafgaand aan de huidige maatregel sprake is geweest van een onrechtmatige maatregel wegens het niet tijdig omzetten van die maatregel. In de brief van 9 april 2026 geeft de minister aan dat aan eiser om die reden een schadevergoeding is aangeboden voor negen dagen onrechtmatige inbewaringstelling. Eiser stelt zich op het standpunt dat deze onrechtmatigheid de huidige maatregel onrechtmatig maakt gelet op de lange duur van de voorafgaande onrechtmatige inbewaringstelling. Eiserstelt zich daarbij primair op het standpunt dat het niet gaat om negen dagen, maar om twaalf dagen voorafgaande onrechtmatige inbewaringstelling (van 21 maart 2026 tot en met 3 april 2026) en subsidiair dat de voorgaande inbewaringstelling vanaf 26 maart 2026 onrechtmatig was. In beide gevallen moet dit volgens eiser leiden tot opheffing van de huidige maatregel .
3. De rechtbank stelt vast dat de maatregel van bewaring – die voorafging aan de bestreden maatregel van 3 april 2026 - op 4 maart 2026 aan eiser is opgelegd op grond van artikel 59b, eerste lid, onder a en b van de Vw. De rechtbank stelt verder vast dat eisers asielaanvraag bij besluit van 18 maart 2026 kennelijk ongegrond is verklaard. In deze afwijzende beschikking staat dat de bewaring van eiser wordt verlengd voor maximaal 3 maanden, op grond van artikel 59b, derde lid, van de Vw. Volgens de minister is dit nodig om nader onderzoek te doen naar eisers identiteit en nationaliteit, op grond van artikel 59b, eerste lid, onder a. Eiser heeft namelijk geen enkel document overgelegd om zijn identiteit of nationaliteit te kunnen vaststellen. Ten behoeve van het vertrekproces zal daarom verder onderzoek moeten worden gedaan om een vervangend reisdocument voor hem te verkrijgen. Eiser heeft geen beroep ingesteld tegen dit besluit.
4. Uit jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) volgt dat een maatregel van bewaring kan worden opgelegd tijdens de rechtsmiddelentermijn, op grond van artikel 59b, eerste lid, onder a, voor zover het bestuursorgaan na de beslissing op het asielverzoek de identiteit of nationaliteit van de vreemdeling nog moet vaststellen of nagaan. Het is in deze gevallen vervolgens aan de staatssecretaris om te motiveren dat en waarom nader onderzoek moet plaatsvinden om de identiteit of nationaliteit van de vreemdeling vast te stellen. De minister heeft dit in het onderhavige geval ook gedaan. De minister heeft zich naar het oordeel van de rechtbank terecht op het standpunt gesteld dat hij de bewaring in de rechtsmiddelentermijn (tot 1 week na de afwijzende beschikking) op artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000 mocht blijven baseren en dat eiser daarom niet zonder geldige titel in bewaring heeft gezeten in de periode van 21 maart 2026 tot 26 maart 2026.
6. De voorafgaande maatregel is uiteindelijk op 3 april 2026 opgeheven en met het bestreden besluit is aan eiser een nieuwe maatregel van bewaring opgelegd op grond van artikel 59, eerste lid, onder a, van de Vw. Uit de brief van de minister van 3 april 2026 volgt dat eiser van 26 maart 2026 tot en met 3 april 2026 onrechtmatig in bewaring heeft gezeten. De minister kent daarom aan eiser een schadevergoeding toe voor deze periode van negen dagen. Nu de minister schriftelijk heeft erkend dat de voorafgaande maatregel negen dagen onrechtmatig heeft voortgeduurd en hiervoor schadevergoeding heeft aangeboden, mag de rechtbank uitgaan van de onrechtmatigheid hiervan. Niet in geschil is dus dat eiser negen dagen onrechtmatig in bewaring heeft gezeten. De rechtbank is van oordeel dat daarmee echter geen sprake is van een ernstige schending van het aan eiser toekomende recht om in vrijheid te worden gesteld, zodat de onrechtmatigheid van de voorafgaande maatregel in dit geval niet doorwerkt in de huidige maatregel. De rechtbank verwijst hierbij naar de uitspraak van de Afdeling van 11 september 20231, waarin een vrijheidsontneming op een onjuiste wettelijke grondslag van negen dagen niet heeft geleid tot een ernstige schending. De beroepsgronden slagen niet.
5. In de maatregel van bewaring heeft de minister overwogen dat de openbare orde de maatregel vordert, omdat het risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken en eiser de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert. De minister heeft, onder verwijzing naar artikel 5.1b, eerste, derde en vierde lid, van het Vreemdelingenbesluit (Vb), als zware gronden vermeld dat eiser:
1. ECLI:NL:RVS:2023:3508 en zie ook ECLI:NL:RVS:2025:5943.
3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;
3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken;
3c. eerder een visum, besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;
3d. niet dan wel niet voldoende meewerkt aan het vaststellen van zijn identiteit en nationaliteit;
en als lichte gronden vermeld dat eiser:
4a. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden;
4b. meerdere aanvragen tot het verlenen van een verblijfsvergunning heeft ingediend die niet tot verlening van een verblijfsvergunning hebben geleid;
4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;
4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
6. De rechtbank stelt vast dat de gronden van de maatregel van bewaring niet zijn betwist. De rechtbank is van oordeel dat deze gronden feitelijk juist en voldoende gemotiveerd zijn. Deze gronden kunnen de maatregel van bewaring dragen.
Ambtshalve toetsing
7. Ook met inachtneming van de ambtshalve toetsing waartoe zij gehouden is, is de rechtbank van oordeel dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek niet op enig moment onrechtmatig was.
8. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om een schadevergoeding afgewezen.
9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank:
Deze uitspraak is gedaan door mr. N.M. Spelt, rechter, in aanwezigheid van mr. K.L.H. Thomas, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
17 april 2026
Documentcode: [Documentcode]
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.