ECLI:NL:RBDHA:2026:25057

ECLI:NL:RBDHA:2026:25057

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 27-07-2026
Datum publicatie 01-09-2026
Zaaknummer NL26.34042
Rechtsgebied Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Utrecht

Samenvatting

Dublin/AMBV – overgangsrecht - artikel 35, eerste lid, van de AMVB - artikel 43, eerste lid, van de AMVB – beroep ongegrond.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: NL26.34042

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser (gemachtigde: mr. F.W. Verweij),

en

de minister van Asiel en Migratie, (gemachtigde: mr. N. Schoonbrood).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het niet in behandeling nemen van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De minister heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 18 juni 2026 niet in behandeling genomen omdat Bondsrepubliek Duitsland verantwoordelijk is voor de aanvraag.

De rechtbank heeft het beroep op 7 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, bijgestaan door een tolk, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de minister.

Beoordeling door de rechtbank

Oordeel van de rechtbank

2. De rechtbank beoordeelt het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag van eiser. Zij doet dat aan de hand van de argumenten die eiser heeft aangevoerd, de beroepsgronden.

3. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Dat betekent dat eiser ongelijk krijgt en het niet in behandeling nemen van zijn aanvraag in stand blijft. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Toepasselijk recht

4. Op 12 juni 2026 is de Asiel- en Migratiebeheerverordening (AMBV) in werking getreden.1 Artikel 83, eerste volzin, van de AMBV bepaalt dat de Dublinverordening2 op 12 juni 2026 wordt ingetrokken. De rechtbank bespreekt daarom eerst welk recht in deze zaak van toepassing is.

5. Artikel 84, tweede lid, van de AMBV bepaalt dat de vraag welke lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van een vóór 12 juni 2026 ingediend verzoek om internationale bescherming, wordt bepaald volgens de in de Dublinverordening vastgelegde criteria. Eisers verzoek om internationale bescherming is vóór 12 juni 2026 ingediend. Dat betekent dat de vraag welke lidstaat verantwoordelijk is wordt bepaald volgens de in de Dublinverordening vastgelegde criteria.

6. Het besluit gaat ook over de toepassing van de discretionaire bevoegdheid van de minister, op grond van artikel 35, eerste lid, van de AMBV. De rechtbank stelt vast dat artikel 35 van de AMBV directe werking heeft sinds 12 juni 2026. Uit artikel 84, tweede lid, van de AMBV volgt niet dat het overgangsrecht ook op artikel 35 van de AMBV van toepassing is.

Standpunt eiser

7. Eiser stelt dat het huidige beleid over het toepassen van de discretionaire bevoegdheid van de minister om een asielverzoek onverplicht te behandelen, zoals neergelegd in de Vreemdelingencirculaire (Vc) C2/3, niet in overeenstemming is met het Europese recht. Het huidige beleid beperkt de discretionaire bevoegdheid van de minister, en volgens eiser kunnen er voor de minister meer dan alleen proceseconomische redenen zijn om gebruik te maken van de discretionaire bevoegdheid, bijvoorbeeld het evenredigheidsbeginsel. Het beleid kan daarom niet voorschrijven dat voor geen enkele andere reden gebruik gemaakt kan worden van de discretionaire bevoegdheid, dan voor proceseconomische redenen. In het verlengde hiervan is eiser van mening dat het niet zo kan zijn dat de rechtbank, gelet op het bepaalde in artikel 43, eerste lid, van de AMBV, niet kan beoordelen of de minister geen gebruik heeft hoeven maken van zijn discretionaire bevoegdheid.

8. De rechtbank stelt vast dat de vraag welke lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van het asielverzoek van eiser, niet ter discussie staat. Dat heeft eiser op de zitting ook bevestigd. De gronden van beroep richten zich tegen het niet gebruik maken van de discretionaire bevoegdheid van de minister, welke bevoegdheid sinds 12 juni 2026 is neergelegd in artikel 35, eerste lid, van de AMBV.

9. De minister maakt op grond van het huidige beleid3, zoals dat geldt met ingang van 12 juni 2026, in de regel geen gebruik van deze discretionaire bevoegdheid, tenzij dit naar het oordeel van de IND vanwege proceseconomische redenen aangewezen is.

1. EU 2024/1351 en EU 2025/90929 rectificatie.

2 EU 604/2013.

3 C2/3.3.6 van de Vreemdelingencirculaire 2000.

10. In artikel 43, eerste lid, van de AMVB staat dat de verzoeker het recht heeft tegen het overdrachtsbesluit bij een rechterlijke instantie een doeltreffend rechtsmiddel in te stellen. De draagwijdte van een dergelijk rechtsmiddel is beperkt tot een beoordeling of: a) de overdracht voor de betrokken persoon een reëel risico op onmenselijke of vernederende behandeling zou inhouden in de zin van artikel 4 van het Handvest van de grondrechten; b) er sprake is van omstandigheden na het overdrachtsbesluit die bepalend zijn voor de juiste toepassing van deze verordening; en c) inbreuk is gemaakt op de artikelen 25 tot en met 28 en artikel 34, in het geval van op grond van artikel 36, lid 1, punt a), overgenomen personen.

10. De rechtbank stelt vast dat wat eiser in beroep aanvoert ziet op de toepassing van artikel 35, eerste lid, van de AMBV en het in dat kader door de minister gevoerde beleid. Een beoordeling van deze beroepsgrond gaat, gelet op wat in artikel 43, eerste lid, van de AMBV staat, de draagwijdte van het beroep te buiten. Eiser heeft verder niet toegelicht waarom het niet zo kan zijn dat de rechtbank niet kan toetsen of de minister geen gebruik heeft hoeven maken van zijn discretionaire bevoegdheid. In artikel 43, eerste lid, onder c, van de AMBV wordt artikel 35 van de AMBV niet genoemd. Daarmee heeft de Uniewetgever uitdrukkelijk de keuze gemaakt om het al dan niet gebruik maken van de discretionaire bevoegdheid geen onderdeel te laten uitmaken van het rechtsmiddel gericht tegen het overdrachtsbesluit. Dit betekent dat de rechtbank niet toe komt aan een inhoudelijke beoordeling van de beroepsgrond.

Conclusie en gevolgen

12. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het bestreden overdrachtsbesluit in stand blijft. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. G.P. Loman, rechter, in aanwezigheid van mr. K.L.H. Thomas, griffier.

De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

27 juli 2026

Zittende Magistratuur

Rechter

  • mr. G.P. Loman

Griffier

  • mr. K.L.H. Thomas

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand