RECHTBANK DEN HAAG
[eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser (gemachtigde: mr. A.J.M. Mohrmann),
de minister van Asiel en Migratie, de minister (gemachtigde: B. Beekers).
Samenvatting
uitspraak
Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: NL26.40223
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
en
Procesverloop
3. Eiser heeft op 25 juni 2026 een asielaanvraag ingediend. Hij stelt van Soedanese nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [geboortedatum] 2003. De minister heeft met het bestreden besluit van 13 juli 2026 deze aanvraag buiten behandeling gesteld.
4. Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
5. De rechtbank heeft het beroep op 11 augustus 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, A. Shehabi als tolk en de gemachtigde van de minister.
Beoordeling door de rechtbank
De beroepsgronden
Het bestreden besluit
6. De minister heeft aan de buiten behandeling stelling van de asielaanvraag van eiser het volgende ten grondslag gelegd. Eiser is niet verschenen op zijn gehoor van 13 juli 2026. Dit gehoor was verplicht. Eiser heeft volgens de minister geen goede reden gegeven voor zijn afwezigheid. De minister heeft navraag gedaan bij het COA. Hieruit volgde dat eiser de nacht vóór het gehoor niet op zijn COA-locatie, maar op een externe locatie heeft verbleven waardoor hij ’s ochtends het vervoer naar het gehoor heeft gemist. De minister heeft daarom besloten om de asielaanvraag van eiser niet inhoudelijk te beoordelen. De minister heeft overwogen dat zijn besluit van rechtswege tot gevolg heeft dat eiser niet langer rechtmatig in Nederland verblijft en Nederland onmiddellijk moet verlaten. De minister heeft eiser opgedragen om op grond van artikel 62a, derde lid, van de Vw, zich te begeven naar het grondgebied van Griekenland.
7. Op de zitting heeft de minister bevestigd dat hij het niet verschijnen van eiser bij het gehoor als een impliciete intrekking van de asielaanvraag beschouwt zoals bedoeld in artikel 41, eerste lid, van de Procedureverordening1. Volgens de minister is namelijk onderdeel d van het eerste lid van toepassing, waaruit volgt dat een asielverzoek als impliciet ingetrokken wordt verklaard indien de verzoeker zonder gegronde reden een persoonlijk onderhoud niet heeft bijgewoond, hoewel hij of zij daartoe verplicht was ingevolge artikel 13.
8. Eiser voert aan dat de minister geen zorgvuldig onderzoek heeft verricht naar de vraag of eiser gegronde redenen had voor het niet verschijnen bij het gehoor. Eiser betoogt dat de minister in strijd heeft gehandeld met de Procedureverordening, omdat artikel 41, vierde lid, uitdrukkelijk de bevoegdheid geeft aan de minister om een hersteltermijn te bieden voor het rechtvaardigen of rechtzetten van het niet verschijnen bij het gehoor. De minister heeft hier, zonder deugdelijke motivering, geen gebruik van gemaakt.
9. Eiser heeft bovendien in zijn aanvullende gronden van 7 augustus 2026 en op de zitting het volgende naar voren gebracht. Eiser heeft verklaard dat hij de nacht voorafgaand aan het gehoor wel degelijk op de COA-locatie heeft verbleven. Eiser zou om 6.30 uur worden opgehaald door een taxi, maar hij meldde zich om 6.40 uur bij de beveiligers. Eiser was dus 10 minuten te laat. De beveiligers hebben eiser toen teruggestuurd naar zijn kamer. Eiser kon op dat moment geen hulp vragen van de woonbegeleiders van het COA, aangezien het COA-loket op de locatie pas om 9.00 uur open ging. Eiser is teruggegaan naar zijn kamer en heeft zich vervolgens om 10.45 uur bij het COA gemeld.
10. Verder voert eiser aan dat de minister ten onrechte heeft overwogen dat eiser op grond van artikel 62a, derde lid, van de Vw, zich onmiddellijk dient te begeven naar het grondgebied van Griekenland. Immers, uit de rechtspraak van de Afdeling
1. Verordening (EU) 2024/1348 van het Europees Parlement en de Raad van 14 mei 2024 tot vaststelling van een gemeenschappelijke procedure voor internationale bescherming in de Unie en tot intrekking van Richtlijn 2013/32/EU.
bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) volgt dat ten aanzien van Griekenland niet van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan waardoor eiser niet kan worden teruggestuurd naar Griekenland.2
Het juridisch kader
11. De rechtbank stelt voorop dat uit artikel 30c, eerste lid, onder b, van de Vw volgt dat de minister een asielaanvraag buiten behandeling kan stellen als deze aanvraag impliciet is ingetrokken overeenkomstig artikel 41 van de Procedureverordening.
12. Uit artikel 41, eerste lid, onder d, van de Procedureverordening, volgt onder meer dat een asielaanvraag als impliciet ingetrokken wordt beschouwd indien de vreemdeling zonder gegronde reden een persoonlijk onderhoud niet heeft bijgewoond, hoewel hij of zij daartoe verplicht was ingevolge artikel 13. In het vierde lid van artikel 41 van de Procedureverordening staat: “De bevoegde autoriteit kan de procedure schorsen om de verzoeker de mogelijkheid te bieden nalatigheden of handelingen als vermeld in lid 1 te rechtvaardigen of recht te zetten voordat een beslissing wordt genomen om het verzoek als impliciet ingetrokken te verklaren”.
13. Het bovenstaande is nader uitgewerkt in het beleid van de minister, paragraaf C4/4.3 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc). Hierin staat, voor zover relevant:
“De IND kan de vreemdeling gelet op artikel 41, vierde lid van de Procedureverordening een hersteltermijn van maximaal drie dagen aanbieden om gegronde redenen aan te voeren voor de nalatigheden of handelingen als bedoeld in het eerste lid van artikel 41 Procedureverordening en / of om alsnog te voldoen aan het hetgeen in dit artikel is opgenomen. Bij de grensprocedure, bewaringszaken en VRIS-zaken kan er maximaal een termijn van één dag gegeven worden.
Het bieden van een hersteltermijn blijft achterwege indien:
de vreemdeling met onbekende bestemming is vertrokken;
het niet mogelijk is om contact met de vreemdeling op te nemen; en
de vreemdeling (nog) geen advocaat heeft of een advocaat heeft die desgevraagd aangeeft geen contact meer te hebben met de vreemdeling.”
Het oordeel van de rechtbank
14. De rechtbank constateert dat niet in geschil is dat eiser per brief van 26 juni 2026 was uitgenodigd voor het gehoor op 13 juli 2026 en dat eiser op de hoogte was van deze uitnodiging. Evenmin is in geschil dat eiser niet is verschenen bij dat gehoor.
15. De rechtbank constateert dat de minister zijn standpunt, dat eiser geen gegronde redenen had om niet bij het gehoor te verschijnen, heeft gebaseerd op het telefonisch contact dat tussen de minister en het COA zou hebben plaatsgevonden op de ochtend van het gehoor. De minister heeft in het rapport van het niet verschijnen bij het gehoor genoteerd dat het COA telefonisch aan de minister heeft medegedeeld dat eiser de nacht voorafgaand aan het gehoor op een externe locatie zou hebben verbleven. Eiser zou te laat terug zijn geweest
2 Eiser verwijst in dit kader naar de Afdelingsuitspraak van 28 juli 2021, ECLI:NL:RVS:2021:1626.
voor de taxi naar het gehoor. De minister heeft de asielaanvraag van eiser diezelfde dag nog buiten behandeling gesteld. Op de zitting voegde de minister hieraan toe dat hij van het COA heeft begrepen dat eiser zich op de dag van het gehoor om 10.45 had gemeld bij het COA.
16. De rechtbank is van oordeel dat het standpunt van de minister dat eiser zonder gegronde redenen het persoonlijk onderhoud niet heeft bijgewoond onzorgvuldig tot stand is gekomen. De rechtbank acht het onzorgvuldig dat de minister zijn besluit enkel heeft gebaseerd op het gestelde telefonische contact met COA en geen deugdelijke poging heeft ondernomen om eiser in de gelegenheid te stellen zelf te verklaren over zijn redenen van het niet verschijnen. Weliswaar heeft de minister ter zitting verklaard dat op de ochtend van het gehoor contact is opgenomen met de gemachtigde van eiser, maar de gemachtigde van eiser heeft daarop naar voren gebracht dat hij op dat moment niet wist waar eiser was en wat er aan de hand was. Dit vindt de rechtbank niet vreemd, gelet op het korte tijdsbestek tussen het missen van de taxi en het melden bij COA om 10.45 uur. Er is ook niet gebleken dat de minister de gemachtigde nog enige tijd heeft gegund om alsnog met eiser in contact te komen en duidelijkheid te krijgen over de gang van zaken volgens eiser. Bovendien heeft de minister zijn stelling, dat eiser niet zou hebben overnacht op de COA-locatie, op geen enkele manier onderbouwd terwijl eiser zijn weergave van de feiten wel heeft onderbouwd. Eiser heeft namelijk een schriftelijke verklaring van een medebewoner overgelegd waarin staat dat eiser de nacht voorafgaand aan het gehoor op de COA-locatie verbleef. Overigens heeft de minister ook het gestelde telefonische contact met het COA niet onderbouwd.
17. Gelet op het voorgaande, heeft de minister zich niet op het standpunt kunnen stellen dat sprake is van een impliciete intrekking in de zin van artikel 41, eerste lid, onder d, van de Procedureverordening en heeft de minister de asielaanvraag ten onrechte op grond van artikel 30c, eerste lid, van de Vw buiten behandeling gesteld.
18. De verwijzing van de minister naar zijn beleid ter invulling van artikel 41, vierde lid, van de Procedureverordening leidt niet tot een ander oordeel. Daarbij overweegt de rechtbank dat uit artikel 41, eerste lid, onder d, van de Procedureverordening volgt dat van een impliciete intrekking slechts sprake is als een vreemdeling zonder gegronde redenen niet op het persoonlijk onderhoud is verschenen. Het is dan aan de minister om, gelet op artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), zorgvuldig onderzoek te doen naar de feiten en omstandigheden alvorens te concluderen of al dan niet sprake is van gegronde redenen. Pas als op basis van zorgvuldig onderzoek de minister tot de conclusie komt dat een situatie als bedoeld in artikel 41, eerste lid, onder d, van de Procedureverordening zich voordoet, komt de vraag aan de orde of de minister gebruikt maakt van de discretionaire bevoegdheid opgenomen in artikel 41, vierde lid, van de Procedureverordening. Nu de rechtbank tot de conclusie is gekomen dat de minister zijn standpunt dat sprake is van een impliciete intrekking in de zin van artikel 41, eerste lid, onder d, van de Procedureverordening niet heeft gebaseerd op zorgvuldig onderzoek, komt de rechtbank niet toe aan de vraag of de minister gebruik had moeten maken van de in het vierde lid opgenomen discretionaire bevoegdheid.
19. Ten overvloede merkt de rechtbank nog het volgende op. In het beleid ter invulling van artikel 41, vierde lid, van de Procedureverordening3 worden (cumulatieve)
3 Paragraaf C4/4.3 Vc.
omstandigheden genoemd wanneer het bieden van de hersteltermijn achterwege blijft. Van die omstandigheden is in deze zaak geen sprake. Anders dan de minister op de zitting stelde, volgt uit de tekst van de Vc niet dat de minister zich ook onder andere dan daar genoemde omstandigheden bevoegd acht om een hersteltermijn achterwege te laten.
20. Het beroep is gegrond. Aan de beroepsgrond gericht tegen het standpunt van de minister dat eiser moet terugkeren naar Griekenland wordt niet toegekomen.
Conclusie en gevolgen
21. Het beroep is gegrond omdat het bestreden besluit in strijd is met artikel 3:2 van de Awb. Dit betekent dat eiser gelijk heeft. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit. De rechtbank ziet geen reden om de rechtsgevolgen van het besluit in stand te laten, om zelf in de zaak te voorzien of om een bestuurlijke lus toe te passen
22. De rechtbank bepaalt met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb dat de minister een nieuw besluit moet nemen met inachtneming van deze uitspraak. De rechtbank geeft de minister hiervoor vijf maanden indien de asielaanvraag van eiser zal worden behandeld in de niet-versnelde asielprocedure.4 Indien de minister de asielaanvraag van eiser zal behandelen in de versnelde asielprocedure, geeft de rechtbank de minister hiervoor tien weken.5
22. Omdat het beroep gegrond is krijgt eiser een vergoeding van zijn proceskosten. De minister moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.868,- omdat de gemachtigde van eiser een beroepschrift heeft ingediend en aan de zitting heeft deelgenomen. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.
4 Artikel 83bc, onder c, Vw.
5 Artikel 83bc, onder b, Vw.
Beslissing
De rechtbank:
Deze uitspraak is gedaan door mr. P.J. Blok, rechter, in aanwezigheid van mr. I.S. Bunnik, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op 26 augustus 2026.
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.