ECLI:NL:RBDHA:2026:25060

ECLI:NL:RBDHA:2026:25060

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 27-08-2026
Datum publicatie 01-09-2026
Zaaknummer 09-043946-24 (hoofdzaak); 09-110851-25; 09-406619-24
Rechtsgebied Strafrecht
Procedure Eerste aanleg - meervoudig
Zittingsplaats Den Haag

Samenvatting

ASR (deels onder en deels boven de 18). Toepassing jeugdstrafrecht. Vrijspraak voorhanden hebben vuurwapen. Veroordeling medeplegen diefstal met geweld, bankhelpdeskfraude (medeplegen oplichting) en wederspannigheid met letsel als gevolg. Putatief noodweer verworpen. Voorwaardelijke PIJ-maatregel opgelegd, DUT. Gedeeltelijke toewijzing vorderingen benadeelde partijen.

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Meervoudige kamer jeugdstrafzaken

Parketnummers: 09-043946-24 (hoofdzaak); 09-110851-25; 09-406619-24

en 09-059195-26 (alle ttz. gev.)

Datum uitspraak: 27 augustus 2026

Tegenspraak

Vonnis van de rechtbank Den Haag in de zaken tegen de verdachte:

[verdachte] (hierna: de verdachte),

geboren op [geboortedatum] 2007 te [geboorteland] ,

verblijfsadres: [adres] .

1. Het onderzoek ter terechtzitting

De strafzaken tegen de verdachte zijn behandeld op de besloten terechtzitting van 13 augustus 2026.

De officier van justitie in deze zaak is mr. D. Kortekaas en de raadsman van de verdachte is mr. W. Römelingh te Den Haag. De verdachte is op de terechtzitting verschenen.

2. De tenlasteleggingen

Aan de verdachte is -kort gezegd- ten laste gelegd dat hij:

Dagvaarding 1: 09-043946-24

op 5 oktober 2023 in den Haag samen met anderen geld, een id-kaart en een sleutel van [aangever] heeft gestolen met (bedreiging met) geweld, door messen en/of een vuurwapen te tonen en/of [aangever] vast te pakken;

Dagvaarding 2: 09-110851-25

in de periode van 1 januari 2023 tot en met 3 oktober 2024 in Den Haag een omgebouwd alarmpistool voorhanden heeft gehad;

Dagvaarding 3: 09-406619-24 (gewijzigd)

op 20 december 2024 in Den Haag samen met anderen [aangeefster 1] en [aangeefster 2] heeft opgelicht door zich voor te doen als medewerker van de bank en hen er toe te bewegen hun pinpas, pincode en sieraden af te geven;

Dagvaarding 4: 09-059195-26

primair

op 24 februari 2026 in Den Haag zich met geweld heeft verzet tegen de aanhouding door politieagent [verbalisant 1] , waardoor deze een gebroken rib en een klaplong heeft opgelopen;

subsidiair

op 24 februari 2026 in Den Haag politieagent [verbalisant 1] heeft mishandeld, met als gevolg dat deze zwaar lichamelijk letsel, namelijk een gebroken rib en een klaplong heeft opgelopen.

De volledige tekst van de tenlasteleggingen is als bijlage 1 aan dit vonnis gehecht.

3. De bewijsbeslissing

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de bij dagvaarding 1, 2, 3 en 4 ten laste gelegde feiten bewezen kunnen worden verklaard.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft namens de verdachte geen standpunt ingenomen over het bewijs van het bij dagvaarding 1 ten laste gelegde. De raadsman heeft geconcludeerd tot vrijspraak van het bij dagvaarding 2 en 3 ten laste gelegde. De raadsman stelt zich over het bij dagvaarding 4 ten laste gelegde op het standpunt dat agent [verbalisant 1] niet in de rechtmatige uitoefening van zijn bediening heeft gehandeld. Gevoerde verweren zullen voor zover relevent hierna besproken worden.

Vrijspraak – Dagvaarding 2

De rechtbank is met betrekking tot het bij dagvaarding 2 ten laste gelegde feit van oordeel dat dit feit niet wettig en overtuigend is bewezen. Uit het dossier komt naar voren dat de verdachte in de [bedrijf 1] was, in de buurt van de persoon bij wie, na een achtervolging door een beveiliger, het omgebouwde alarmpistool is aangetroffen. Op het wapen is later DNA-materiaal gevonden dat hoogst waarschijnlijk van de verdachte is.

De rechtbank moet de vraag beantwoorden of de verdachte zich op enig moment in de tenlastelegging genoemde lange pleegperiode bewust was van de aanwezigheid van het wapen en dat hij daar ook de beschikkingsmacht over had. Het dossier bevat onvoldoende aanknopingspunten om vast te stellen dat dat het geval was. Het enkele feit dat hij in de buurt is geweest van de persoon waarbij het wapen is aangetroffen is daarvoor onvoldoende. Ook is onduidelijk op welke wijze en op welk moment het DNA van de verdachte op het wapen terecht is gekomen. Het enkele feit dat DNA van de verdachte op het wapen is aangetroffen is niet voldoende om daaruit het voorhanden hebben af te leiden, maar als de rechtbank al zou vaststellen dat de verdachte het wapen voorhanden heeft gehad, kan bovendien ook niet worden vastgesteld of dat was in de ten laste gelegde pleegperiode. De rechtbank zal de verdachte daarom vrijspreken van dit feit.

Gebruikte bewijsmiddelen – Dagvaarding 1

De rechtbank zal voor het bij dagvaarding 1 ten laste gelegde feit met een opgave van bewijsmiddelen, als genoemd in artikel 359, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering volstaan. De verdachte heeft dit feit, zoals het bewezen zal worden verklaard, namelijk bekend en daarna niet anders verklaard. Daarnaast heeft de raadsman geen vrijspraak bepleit. De officier van justitie heeft met betrekking tot dit feit eveneens gerekwireerd tot bewezenverklaring.

Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt - tenzij anders vermeld - bedoeld een ambtsedig proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door (een) daartoe bevoegde opsporingsambtena(a)r(en). Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, betreft dit de pagina’s van het proces-verbaal met het nummer PL1500-2023313040, van de politie eenheid Den Haag, District Den Haag-West, met bijlagen (doorgenummerd pagina 1 t/m 238).

De rechtbank gebruikt de volgende bewijsmiddelen:

1. Het proces-verbaal van verhoor verdachte, opgemaakt op 7 februari 2024 (p. 91-119);

2. Het proces-verbaal van aangifte, opgemaakt op 5 oktober 2023 (p. 11-25).

Gebruikte bewijsmiddelen – Dagvaarding 3

De rechtbank heeft in bijlage 2 de wettige bewijsmiddelen met de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden opgenomen.

Bewijsoverwegingen – Dagvaarding 3

Vast staat dat [aangeefster 2] en [aangeefster 1] op 20 december 2024 zijn opgelicht. Er is per telefoon contact met hen opgenomen waarbij werd gezegd dat er ‘malware’ op hun bankrekeningen stond en zij hun pinpassen en sieraden moesten afgeven aan een koerier. De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat niet vastgesteld kan worden dat de verdachte de koerier was, omdat de foto die gemaakt is door een van de aangeefsters van onvoldoende kwaliteit is om hier iemand op te kunnen herkennen. Als de rechtbank wel oordeelt dat de verdachte de koerier was, stelt de verdediging dat het optreden als koerier’ geen bijdrage is van voldoende gewicht om te spreken van het medeplegen van oplichting. Bovendien was de oplichting volgens de raadsman al voltooid op het moment dat de koerier de spullen kwam ophalen.

De rechtbank is van oordeel dat de verdachte de koerier is geweest die de pinpassen en sieraden bij aangeefsters [aangeefster 2] en [aangeefster 1] is gaan ophalen. De foto die door [aangeefster 2] is gemaakt, is naar het oordeel van de rechtbank van voldoende kwaliteit om als bewijs te dienen. De verdachte is daarop door maar liefst zes politieagenten herkend aan zijn verschillende uiterlijke kenmerken. Daarnaast zijn in de woning waar verdachte verbleef twee zwarte ‘The North Face’ jassen aangetroffen en zijn er foto’s gemaakt van de verdachte in beide jassen om met de door [aangeefster 2] gemaakte foto te kunnen vergelijken. De rechtbank komt op basis van deze foto’s tot de conclusie dat de koerier een soortgelijke zwartkleurige ‘The North Face’ jas droeg.

De rechtbank is van oordeel dat de bijdrage van de verdachte als koerier van voldoende gewicht was om te kunnen spreken van medeplegen. De oplichting waarvan de verdachte wordt beschuldigd is pas voltooid bij afgifte van de goederen door de aangeefsters. Hiervoor was noodzakelijk dat de verdachte het adres van de aangeefsters kende, dat hij daar naartoe is gegaan en ook wist wat het plan was (de pinpassen en sieraden meenemen). De verdachte moest hiervoor ook op de hoogte zijn van de code die aan de aangeefsters was doorgegeven, die hij vervolgens aan hen heeft doorgegeven aan de deur. De verdachte is hiermee meer dan alleen behulpzaam geweest aan zijn mededader(s) en heeft een belangrijke rol gespeeld bij het plegen van het feit. De rechtbank zal het medeplegen van de oplichting dan ook bewezen verklaren.

Gebruikte bewijsmiddelen – Dagvaarding 4

De rechtbank heeft in bijlage 2 de wettige bewijsmiddelen met de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden opgenomen.

Bewijsoverwegingen – Dagvaarding 4

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat er geen sprake is van een rechtmatige uitoefening van de bediening van de betrokken politieagent(en), omdat er geen redelijk vermoeden van schuld was en het aanhouden van de verdachte geen strafvorderlijk doel diende.

De rechtbank stelt vast dat agenten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] te horen kregen dat er twee verdachten van het stelen van een bakfiets, in het donker gekleed, waren weggereden op een fatbike vanaf de Klimopstraat in de richting van de Laan van Meerdervoort in Den Haag. Één van de verdachten van de diefstal van de bakfiets wordt herkend als [medeverdachte] . Enkele straten verderop treffen de verbalisanten vervolgens twee donker geklede jongens op een fatbike. Agent [verbalisant 1] herkent één van de jongens als de verdachte en weet dat de verdachte omgaat met [medeverdachte] . Als agent [verbalisant 1] vervolgens de twee jongens staande wil houden, rennen zij weg.

De rechtbank is op grond van de bewijsmiddelen van oordeel dat de agenten in de rechtmatige uitoefening van hun bediening hebben gehandeld. De verdachte werd, kort nadat agenten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] informatie doorkregen van hun collega’s, dicht in de buurt van de Klimopstraat gezien in donkere kleding op een fatbike. Daarnaast werd hij herkend als iemand die omgaat een van de vermoedelijke daders, [medeverdachte] . De agenten hadden daarmee voldoende aanleiding om de verdachte staande te houden en ook om hem vervolgens aan te houden toen hij direct wegrende. Dat later bleek dat de verdachte niets te maken had met het stelen van de bakfiets, maakt het handelen van de politieagenten niet onrechtmatig. De rechtbank zal het primaire feit, de wederspannigheid met letsel als gevolg, dan ook bewezen verklaren.

De bewezenverklaring

De rechtbank verklaart ten laste van de verdachte bewezen dat:

Dagvaarding 1: 09-043946-24

hij op 5 oktober 2023 te ’s-Gravenhagetezamen en in vereniging met anderen, €6.000,-, een id-kaart en sleutel, die aan [aangever] en een ander toebehoorden heeftweggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijldeze diefstal werd vergezeld van geweld en bedreiging met geweld tegen die [aangever] , gepleegd met het oogmerk om diediefstal gemakkelijk te maken, welk gewelden welke bedreiging met geweld hierin bestond dat hij, verdachte, en zijnmededaders- aan die [aangever] messen en een op eenvuurwapen gelijkend voorwerp hebben getoond en- die [aangever] hebben vastgepakt;

Dagvaarding 3: 09-406619-24 (gewijzigd)

hij op 20 december 2024 te 's-Gravenhage, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, met het oogmerk om zich en een ander wederrechtelijk te bevoordelendoor het aannemen van een valse naam en van een valse hoedanigheiden door een samenweefsel van verdichtsels,[aangeefster 1] en [aangeefster 2] heeft bewogen tot de afgifte van eniggoed en het ter beschikking stellen van gegevens, teweten de afgifte van hun pinpassen en bijbehorende pincode en sieraden,door die [aangeefster 2] op te bellen zich voordoende als een medewerker vande bank en die [aangeefster 1] en [aangeefster 2] mede te delen dat zijhun bankrekeningen moesten laten controleren en dat hunbetaalpas zou worden opgehaald door een koerier.

Dagvaarding 4: 09-059195-26

hij op 24 februari 2026 te 's-Gravenhage,zich met geweld,heeft verzettegen een ambtenaar, [verbalisant 1] , hoofdagent van politie, werkzaam in derechtmatige uitoefening van zijn bediening, te weten de staandehouding enaanhouding van verdachtedoor:- zich een of meerdere malen los tewringen/rukken uit de greep van die [verbalisant 1] , en- zijn handen met kracht richting het bovenlichaam van die [verbalisant 1] te brengen,waardoor die [verbalisant 1] (met zijn rug tegen een ijzeren hek) ten val is gekomen, en- slaande bewegingen te maken met zijn armen - met zijn lichaam omhoog te komen, terwijl die [verbalisant 1] en [verbalisant 2] hem op de grondhielden,- en zijn armen los te rukken en met zijn benen te schoppen,terwijl dit misdrijf en daarmede gepaard gaande feitelijkheden enig lichamelijk letsel, te weten een gebroken rib en een klaplong bij die [verbalisant 1] ten gevolge heeft gehad;

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of typefouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd en gecursiveerd weergegeven, zonder dat de verdachte daardoor in de verdediging is geschaad.

4. De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte moet worden ontslagen van alle rechtsvervolging voor het bij dagvaarding 4 ten laste gelegde, omdat sprake was van putatief noodweer. De verdachte wist niet dat hij met de politie te maken had, omdat de agenten onopvallend gekleed waren en niet in een herkenbare politieauto reden. De verdachte dacht daarom dat hij gekidnapt werd.

Het oordeel van de rechtbank

Onder putatief noodweer wordt verstaan het geval dat de verdachte bij vergissing in de veronderstelling verkeerde dat hij zich mocht of moest verdedigen tegen een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanval.

In dit geval is de rechtbank van oordeel dat niet kan worden vastgesteld dat de verdachte in redelijkheid kon en mocht menen dat hij zich moest verdedigen tegen iemand die hem wat aan zou willen doen. Uit de bewijsmiddelen blijkt dat agent [verbalisant 1] direct en meerdere malen heeft geroepen dat hij van de politie was en dat de verdachte moest blijven staan. Agent [verbalisant 1] verklaart voorts dat hij gedurende de achtervolging van de verdachte meerdere malen heeft laten weten dat hij van de politie was, en ook nog toen hij de verdachte vast had.

Ook agent [verbalisant 2] verklaart dat agent [verbalisant 1] zich direct en meerdere malen kenbaar heeft gemaakt als politieagent. De rechtbank vindt het daarom niet aannemelijk dat de verdachte dit allemaal niet heeft gehoord en niet wist dat hij met de politie te maken had, maar dacht dat hij gekidnapt werd. De rechtbank is daarom van oordeel dat het bewezenverklaarde strafbaar is.

5. De strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten.

6. De op te leggen straf en maatregel

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte – met toepassing van het jeugdstrafrecht – wordt veroordeeld tot een jeugddetentie van 42 dagen met aftrek van de tijd die de verdachte in voorarrest heeft doorgebracht. De officier van justitie vordert daarnaast dat de verdachte wordt veroordeeld tot een voorwaardelijke PIJ-maatregel, onder de voorwaarden zoals geadviseerd door de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad). De officier van justitie vraagt om de voorwaarden dadelijk uitvoerbaar te verklaren.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman geeft in overweging dat het opleggen van een voorwaardelijke PIJ-maatregel als gevolg kan hebben dat de verdachte overbelast raakt en dat het omzetten in een onvoorwaardelijke PIJ-maatregel grote gevolgen voor hem kan hebben.

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank houdt bij de strafoplegging rekening met de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan uit de rapportages en tijdens het onderzoek op de terechtzitting is gebleken. De rechtbank neemt hierbij in het bijzonder het volgende in aanmerking.

Ernst van de feiten De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan diefstal met (bedreiging met) geweld en zogenoemde ‘bankhelpdeskfraude’. De verdachte heeft laten zien dat hij geen respect heeft voor de eigendommen van anderen, door samen met anderen [aangever] op de openbare weg te beroven, waarbij ook gebruik gemaakt werd van messen en een airsoftwapen om hem te bedreigen. Ook heeft de verdachte samen met anderen [aangeefster 2] en [aangeefster 1] opgelicht door als koerier naar hun huis te gaan en hun pinpassen en kostbare sieraden mee te nemen. Een van de aangeefsters heeft laten weten te piekeren en zich schuldig te voelen over dat zij in de oplichting is getrapt. Het valt haar zwaar dat zij al haar sieraden kwijt is geraakt, waaronder ook (emotioneel) waardevolle erfstukken. De verdachte heeft misbruik gemaakt van het goede vertrouwen van de aangeefsters. Deze feiten roepen ook in de maatschappij gevoelens van angst en boosheid op.

Daarnaast heeft de verdachte door zich hevig te verzetten tegen zijn aanhouding, een gebroken rib en een klaplong veroorzaakt bij politieagent [verbalisant 1] . De rechtbank neemt het de verdachte kwalijk dat hij zo is omgegaan met een agent die zijn werk aan het doen was en door het handelen van de verdachte letsel heeft opgelopen en maanden heeft moeten herstellen.

Strafblad

De rechtbank heeft kennisgenomen van het strafblad van de verdachte van 2 juli 2026. In het nadeel van de verdachte weegt de rechtbank mee dat hij al eerder is veroordeeld voor strafbare feiten, waaronder ook meerdere feiten gericht tegen politieagenten (beledigingen) en een geweldsfeit (mishandeling).

Persoon van de verdachte

De rechtbank heeft kennisgenomen van de pro Justitia rapportage psychologisch onderzoek van 21 juli 2025 van G. van der Valk. Daaruit blijkt het volgende. De verdachte functioneert op een laagbegaafd niveau en er is sprake van PTSS, een normoverschrijdende gedragsstoornis met begin in de adolescentie, een stoornis in cannabisgebruik en een bedreigde persoonlijkheidsontwikkeling met borderline en antisociale trekken. De psycholoog schat het risico op gewelddadig gedrag hoog in en op overig delinquent gedrag op matig tot hoog. De psycholoog adviseert om een gedragsbeïnvloedende maatregel (GBM) op te leggen voor de duur van een jaar, omdat de verdachte behandeling en structuur nodig heeft, zoals geboden zou kunnen worden volgens de module ITB Harde Kern.

De rechtbank heeft daarnaast kennisgenomen van de pro Justitia rapportage psychiatrisch onderzoek van 5 maart 2026 van B. van Baaren. Daaruit blijkt het volgende. Bij de verdachte is sprake van PTSS, een borderline persoonlijkheidsstoornis, een antisociale persoonlijkheidsstoornis en een stoornis in cannabisgebruik. De psychiater schat het risico op toekomstig (agressief) grensoverschrijdend gedrag in als hoog. De psychiater adviseert om een voorwaardelijke maatregel van plaatsing in een inrichting voor jeugdigen (hierna te noemen: PIJ-maatregel) op te leggen. Intensieve, langdurige behandeling is nodig om herhaling te voorkomen en om te zorgen dat de verdachte zich verder kan ontwikkelen. Omdat de behandeling intens en lang zal zijn, bestaat de kans dat hij zal terugvallen in oude patronen. Daarom is er een langdurige stok achter de deur nodig in de vorm van de PIJ-maatregel. Een voorwaardelijke jeugddetentie is tot nu toe niet voldoende geweest om verandering tot stand te brengen. Ook een GBM is niet toereikend, omdat die maximaal een jaar kan duren en er maximaal twee time-outs mogelijk zijn.

De rechtbank heeft ook kennisgenomen van het rapport van de Raad voor de Kinderbescherming van 24 juli 2026. De Raad schat in dat de kans op herhaling heel erg hoog is. De Raad adviseert om een voorwaardelijke PIJ-maatregel op te leggen, onder de bijzondere voorwaarden dat de verdachte zich laat begeleiden door de jeugdreclassering, zich laat behandelen door de Waag, meewerkt aan de begeleiding van Novaa Jeugd, een positieve vrijetijdsbesteding heeft en onderwijs volgt. De Raad vraagt om de voorwaarden dadelijk uitvoerbaar te verklaren.

De rechtbank heeft ten slotte kennisgenomen van het rapport van GGZ Reclassering Fivoor (volwassen reclassering) van 28 juli 2026 over het feit van de wederspannigheid. De reclassering sluit zich aan bij het advies van de Raad om het jeugdstrafrecht toe te passen en een voorwaardelijke PIJ-maatregel op te leggen.

Toepassing van het jeugdstrafrecht

De verdachte was ten tijde van het plegen van de feiten bij dagvaarding 1 en 3 minderjarig en tijdens het plegen van het feit bij dagvaarding 4 meerderjarig. De rechtbank kan – ten aanzien van een verdachte die ten tijde van het begaan van een strafbaar feit de leeftijd van 18 jaren maar nog niet die van 23 jaren heeft bereikt – het jeugdstrafrecht toepassen. De rechtbank ziet aanleiding om ten aanzien van alle feiten het jeugdstrafrecht toe te passen. De verdachte heeft achterstanden op verschillende leefgebieden en het is van belang dat hij zich nog verder kan ontwikkelen en behandeling ontvangt die voor hem passend is. Ook komt uit de rapporten naar voren dat de verdachte op een laagbegaafd niveau functioneert. Tot slot is het wenselijk dat de verdachte voor alle gepleegde feiten via één regime gestraft wordt. De rechtbank past daarom het jeugdstrafrecht toe voor alle feiten.

Redelijke termijn

De redelijke termijn waarbinnen een jeugdstrafzaak moet zijn afgedaan is zestien maanden. In de zaken die horen bij dagvaarding 1 en 3 is die termijn overschreden. Bij dagvaarding 1 gaat het om een overschrijding van 14 maanden en 21 dagen (vanaf de inverzekeringstelling op 7 februari 2024 tot de uitspraakdatum). Bij dagvaarding 3 gaat het om een overschrijding van 4 maanden en 4 dagen (vanaf de inverzekeringstelling op 24 december 2024 tot de uitspraakdatum). Er is niet gebleken van bijzondere omstandigheden, die deze overschrijdingen van de redelijke termijn rechtvaardigen. De rechtbank heeft deze overschrijdingen in strafmatigende zin meegewogen, zoals hieronder wordt toegelicht.

Strafmodaliteit en strafmaat De rechtbank heeft, naast het hiervoor genoemde, ook gekeken naar straffen die in soortgelijke zaken zijn opgelegd en de LOVS-oriëntatiepunten voor de straftoemeting voor minderjarigen.

De verdachte maakt een prille positieve ontwikkeling door, woont in een semi begeleide studio en heeft een dochtertje wat hem motiveert om zijn leven te beteren. De verdachte volgt inmiddels twee keer in de week behandeling van de Waag. De rechtbank is gelet op de rapportages van de deskundigen en wat er besproken is ter zitting van oordeel dat het noodzakelijk is dat de verdachte zich verder ontwikkelt. Daarnaast is het belangrijk dat er een strak kader komt. De rechtbank is van oordeel dat vanwege de ernst van de feiten geen andere straf passend is dan een jeugddetentie. Vanwege overschrijding van de redelijke termijn in twee van de drie zaken en het feit dat het recent iets beter lijkt te gaan met de verdachte, ziet de rechtbank aanleiding om een jeugddetentie op te leggen gelijk aan de tijd die de verdachte al in voorarrest heeft doorgebracht, zodat hij niet terug hoeft naar de jeugdgevangenis. Het is van belang dat de prille ontwikkeling van de verdachte kan worden doorgezet en dat de hulpverlening die al is opgestart doorgang kan blijven vinden. De rechtbank zal daarnaast een voorwaardelijke PIJ-maatregel opleggen, zoals is geadviseerd door de psychiater en de Raad.

Voorwaardelijke PIJ-maatregel

De rechtbank stelt vast dat de gepleegde feiten misdrijven zijn waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van vier jaar of meer is gesteld. Op grond van hetgeen de psycholoog, de psychiater, de Raad voor de Kinderbescherming en de reclassering in hun rapporten vermelden is de rechtbank tot het oordeel gekomen dat bij de verdachte ten tijde van het begaan van de misdrijven een gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis van de geestvermogens bestond en daarnaast dat de veiligheid van anderen en de algemene veiligheid van personen en goederen het voorwaardelijk opleggen van een PIJ-maatregel eisen. Bovendien is deze maatregel in het belang van een zo gunstig mogelijke verdere ontwikkeling van verdachte.

De rechtbank overweegt dat de voorwaardelijke PIJ-maatregel zal worden opgelegd ter zake van een misdrijf dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen. Dit betekent dat in het geval van tenuitvoerlegging verlenging van deze maatregel mogelijk is voor zover de maatregel daardoor de duur van zeven jaar, waarvan het laatste jaar voorwaardelijk, niet te boven gaat.

Dadelijke uitvoerbaarheid De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan misdrijven die zijn gericht tegen of gevaar veroorzaken voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen, te weten een diefstal vergezeld van geweld en wederspannigheid met letsel als gevolg. Gelet op de ernst van de feiten en de rapportages van de psychiater, de psycholoog en de Raad waaruit naar voren komt dat het recidiverisico zonder interventie als hoog wordt ingeschat, is de rechtbank van oordeel dat er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat de verdachte wederom een dergelijk misdrijf zal begaan. Daarom zal de rechtbank bevelen dat de hierna op grond van artikel 77z van het Wetboek van Strafrecht te stellen voorwaarden en het op grond van artikel 77aa van het Wetboek van Strafrecht uit te oefenen toezicht, dadelijk uitvoerbaar zijn. Dat betekent dat de voorwaarden direct gelden, ook als de verdachte in hoger beroep gaat.

7. De vorderingen van de benadeelde partijen en de schadevergoedingsmaatregel

Dagvaarding 1: 09-043946-24

[bedrijf 2] B.V., vertegenwoordigd door [naam 1] , heeft zich als benadeelde partij gesteld in het strafproces. De benadeelde partij vordert ter vergoeding van materiële schade en bedrag van € 3.172,58 (reparatiekosten), te vermeerderen met de wettelijke rente. Ook is oplegging van de schadevergoedingsmaatregel verzocht.

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank stelt vast dat de vordering geen enkel inhoudelijk verband lijkt te hebben met het bij dagvaarding 1 bewezenverklaarde feit. De officier van justitie heeft ter zitting laten weten de vordering niet te kunnen relateren aan het gepleegde feit. Omdat niet is komen vast te staan dat de benadeelde rechtstreeks schade heeft geleden door het door deze verdachte gepleegde feit, zal de rechtbank de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in de vordering.

Dagvaarding 3: 09-406619-24

[aangeefster 2] , ter zitting bijgestaan door [naam 2] van Slachtofferhulp Nederland, heeft zich als benadeelde partij gevoegd in het strafproces. De benadeelde partij vordert ter vergoeding van schade een bedrag van € 32.437,85, te vermeerderen met de wettelijke rente. De vordering ziet op € 31.687,85 aan materiële schade en € 750,- aan immateriële schade. De materiële schade bestaat uit de posten ‘opgenomen geldbedragen’ (€ 5.755,85) en sieraden (€ 25.932,-). Ook is oplegging van de schadevergoedingsmaatregel verzocht.

[aangeefster 1] , ter zitting bijgestaan door [naam 2] van Slachtofferhulp Nederland, heeft zich als benadeelde partij gevoegd in het strafproces. De benadeelde partij vordert ter vergoeding van schade een bedrag van € 30.171,-, te vermeerderen met de wettelijke rente. De vordering ziet op € 29.421,- aan materiële schade en € 750,- aan immateriële schade. De materiële schade bestaat uit de posten ‘gepinde geldbedragen’ (€ 8.416,-) en sieraden (€ 21.005,-). Ook is oplegging van de schadevergoedingsmaatregel verzocht.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie concludeert tot hoofdelijke toewijzing van de vordering van de beide benadeelde partijen en oplegging van de schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van de slachtoffers.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging stelt zich op het standpunt dat de gevorderde bedragen voor de weggenomen sieraden niet toewijsbaar zijn en dat de vordering tot immateriële schade moet worden afgewezen. De verdediging stelt zich daarnaast op het standpunt dat hoofdelijke veroordeling van de verdachte in dit geval niet passend is en dat daarvan zou moeten worden afgeweken op grond van artikel 6:166 lid 2 van het Burgerlijk Wetboek (BW).

Het oordeel van de rechtbank

Geldbedragen

De vorderingen, voor zover deze betrekking hebben op de posten ‘opgenomen geldbedragen’ en ‘gepinde geldbedragen’, zijn namens de verdachte niet (gemotiveerd) betwist en namens de benadeelde partijen voldoende onderbouwd. Op grond van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting kan dan ook worden vastgesteld dat de benadeelde partij rechtstreeks schade heeft geleden door het bij dagvaarding 3 bewezen verklaarde feit ter grootte van de gevorderde bedragen.

Sieraden

De vorderingen, voor zover deze betrekking hebben op de posten ‘sieraden’, zijn door de benadeelde partijen voldoende onderbouwd. De benadeelden hebben waar mogelijk nota’s overlegd van de aangeschafte sieraden en foto’s aangehecht van de meegenomen sieraden. Van de sieraden waarvan geen nota’s beschikbaar waren, bijvoorbeeld omdat dit erfstukken waren, heeft een juwelier de waarde geschat. De juwelier is ook bekend met de andere sieraden van de aangeefsters, omdat die in het verleden ook wel eens door deze juwelier zijn gereinigd. De rechtbank is van oordeel dat in redelijkheid niet meer onderbouwing van de benadeelden gevergd kan worden. Op grond van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting kan naar het oordeel van de rechtbank daarom worden vastgesteld dat de benadeelde partijen rechtstreeks schade hebben geleden van het bij dagvaarding 3 bewezen verklaarde feit.

Door de verdediging is terecht opgemerkt dat op een deel van de nota’s die ter onderbouwing van de vordering van [aangeefster 2] zijn ingediend (waarschijnlijk) bedragen in guldens vermeld staan. De rechtbank zal de bedragen van de nota’s van vóór 1 januari 2002 omrekenen in euro’s door de bedragen te delen door 2,2 en af te ronden op hele centen. De ‘gouden Spang collier’ (nota 1) wordt zo omgerekend van ƒ 1.465,- naar € 665,91 en de ‘gouden ring met diamanten’ van ƒ 1.410,- naar € 640,91. De rechtbank zal de vordering van [aangeefster 2] daarom tot een bedrag toewijzen van € 24.363,82 voor sieraden en de vordering voor het overige niet-ontvankelijk verklaren.

Immateriële schade

De rechtbank kan een vordering van een benadeelde partij tot immateriële schadevergoeding toewijzen als de benadeelde op ‘andere wijze in zijn persoon is aangetast’. Hiervan is in ieder geval sprake als de benadeelde partij geestelijk letsel heeft opgelopen. De benadeelde moet om zo’n verzoek te onderbouwen concrete gegevens aanvoeren waaruit blijkt dat er psychische schade is. Dat is in dit geval niet gebeurd. De benadeelden hebben onvoldoende onderbouwd dat in dit geval de aard en de ernst van de normschending zodanig is dat de nadelige gevolgen voor de benadeelde zo voor de hand liggen dat er toch sprake is van een aantasting van de persoon op andere wijze. Hoewel de rechtbank begrijpt dat het strafbare feit voor de aangeefsters een grote impact heeft gehad, zal de rechtbank de benadeelden daarom niet-ontvankelijk verklaren in hun vorderingen tot immateriële schadevergoeding.

Totaal – [aangeefster 2]

De rechtbank zal - gelet op het voorgaande - de vordering toewijzen tot een bedrag van € 30.119,67, bestaande uit materiële schade.

Totaal – [aangeefster 1]

De rechtbank zal - gelet op het voorgaande - de vordering toewijzen tot een bedrag van € 29.421,-, bestaande uit materiële schade.

Wettelijke rente

De rechtbank zal de gevorderde wettelijke rente toewijzen met ingang van 20 december 2024, omdat vast is komen te staan dat de schade vanaf die datum is ontstaan.

Proceskostenveroordeling verdachte

Nu de vorderingen gedeeltelijk worden toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partijen tot aan deze uitspraak in verband met de vordering hebben gemaakt. De rechtbank begroot deze kosten tot op heden op nihil. Daarnaast wordt de verdachte veroordeeld in de kosten die de benadeelde partijen voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moeten maken.

Hoofdelijkheid

Omdat de verdachte het strafbare feit waarvoor schadevergoeding wordt toegekend samen met mededaders heeft gepleegd, zijn zij daarvoor jegens de benadeelden samen aansprakelijk, hoofdelijk, ieder voor het volledige bedrag. Volgens de regels van het civiele recht kan daar niet van worden afgeweken. De verdachte en zijn mededaders zijn jegens de benadeelden voor het gehele bedrag aansprakelijk, en zij dienen onderling regres te nemen. Daarbij is het uitgangspunt dat zij ieder voor gelijke delen de schade moeten vergoeden. Het door de raadsman genoemde artikel 6:166 lid 2 Burgerlijk Wetboek ziet op de mogelijkheid hierop een uitzondering te maken indien een gelijke verdeling niet billijk is, maar die mogelijkheid ziet op de onderlinge draagplicht en niet op de aansprakelijkheid . Hetzelfde geldt voor de toegewezen proceskosten. Daarbij geldt dat de verdachte, voor zover (een) mededader(s) een bedrag aan de benadeelde partij heeft/hebben betaald, dat deel van de schadevergoeding en/of proceskosten niet meer aan de benadeelde partij hoeft te betalen.

Schadevergoedingsmaatregel – [aangeefster 2]

Nu de verdachte ten opzichte van het slachtoffer naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door het bij dagvaarding 3 bewezen verklaarde strafbare feit is toegebracht en de verdachte voor dit feit zal worden veroordeeld, zal de rechtbank aan de verdachte de verplichting opleggen tot betaling aan de Staat van een bedrag € 30.119,67, vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente daarover vanaf 20 december 2024 tot aan de dag waarop deze vordering is voldaan, ten behoeve van het slachtoffer genaamd [aangeefster 2] .

Schadevergoedingsmaatregel – [aangeefster 1]

Nu de verdachte ten opzichte van het slachtoffer naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door het bij dagvaarding 3 bewezen verklaarde strafbare feit is toegebracht en de verdachte voor dit feit zal worden veroordeeld, zal de rechtbank aan de verdachte de verplichting opleggen tot betaling aan de Staat van een bedrag € 29.421,-,, vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente daarover vanaf 20 december 2024 tot aan de dag waarop deze vordering is voldaan, ten behoeve van het slachtoffer genaamd [aangeefster 1] .

Gelet op de jeugdige leeftijd van de verdachte zal geen gijzeling worden toegepast.

10. De toepasselijke wetsartikelen

De op te leggen straf en maatregel zijn gegrond op de artikelen:

36f, 47, 77c, 77g, 77i, 77s, 77x, 77y, 77z, 77aa, 77gg, 180, 181, 312 en 326 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezenverklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak rechtens gelden.

12. De beslissing

De rechtbank:

vrijspraak

verklaart niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het bij dagvaarding 2 ten laste gelegde heeft begaan en spreekt hem daarvan vrij;

bewezenverklaring

verklaart wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de bij dagvaarding 1, 3 en 4 primair ten laste gelegde feiten heeft begaan, zoals hierboven in paragraaf 3.9 bewezen is verklaard en kwalificeert deze als:

Dagvaarding 1: 09-043946-24

diefstal vergezeld van geweld en bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken, door twee of meer verenigde personen;

Dagvaarding 3: 09-406619-24 (gewijzigd)

medeplegen van oplichting;

Dagvaarding 4: 09-059195-26

primair: wederspannigheid, terwijl het misdrijf of de daarmee gepaard gaande feitelijkheden enig lichamelijk letsel ten gevolge hebben;

verklaart niet wettig en overtuigend bewezen wat aan de verdachte meer of anders is tenlastegelegd en spreekt hem daarvan vrij;

verklaart het bewezenverklaarde en de verdachte daarvoor strafbaar;

straf en maatregel

veroordeelt de verdachte tot:

een jeugddetentie voor de duur van 42 dagen;

beveelt dat de tijd, door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, zijnde 42 dagen, bij de tenuitvoerlegging van deze jeugddetentie geheel in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;

legt de verdachte op de maatregel van plaatsing in een inrichting voor jeugdigen;

bepaalt dat deze maatregel niet ten uitvoer zal worden gelegd als de veroordeelde zich voor het einde van de hierbij op twee jaren vastgestelde proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

en onder de bijzondere voorwaarden dat de veroordeelde:

1. zich gedurende de proeftijd meldt bij Jeugdbescherming West op door de jeugdreclassering te bepalen tijdstippen, zo vaak en zo lang de jeugdreclassering dat noodzakelijk acht;

2. gedurende de proeftijd meewerkt aan de behandeling van de Waag of een soortgelijke instantie, zo lang de jeugdreclassering dat nodig acht;

3. gedurende de proeftijd woont in een accommodatie van Novaa Jeugd of een soortgelijke instantie, en zich houdt aan de afspraken die daarbij gelden, zo lang de jeugdreclassering dat nodig acht;

4. gedurende de proeftijd meewerkt aan de inzet van een coach van Novaa Jeugd of een soortgelijke instantie, zo lang de jeugdreclassering dat nodig acht;

5. gedurende de proeftijd onderwijs volgt en/of andere zinvolle en door de jeugdreclassering goedgekeurde dagbesteding heeft;

6. zich gedurende de proeftijd inzet voor het verkrijgen en behouden van een positieve vrijetijdsbesteding;

geeft opdracht aan Jeugdbescherming west, een gecertificeerde instelling die jeugdreclassering uitvoert om toezicht te houden op de naleving van voormelde voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden;

voorwaarden daarbij zijn dat de veroordeelde gedurende de proeftijd:

- ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking zal verlenen

aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld

in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;

- zijn medewerking zal verlenen aan het door de jeugdreclassering te houden

toezicht, bedoeld in artikel 77aa, eerste tot en met het vierde lid, van het Wetboek

van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de

jeugdreclassering, zo vaak en zo lang als de jeugdreclassering dit noodzakelijk acht,

daaronder begrepen.

beveelt dat de bovengenoemde voorwaarden en het – op grond van artikel 77aa van het Wetboek van Strafrecht – uit te oefenen toezicht, dadelijk uitvoerbaar zijn;

de vorderingen van de benadeelde partijen en de schadevergoedingsmaatregel

Dagvaarding 1: 09-043946-24

verklaart de benadeelde partij [bedrijf 2] B.V. niet-ontvankelijk in de vordering;

Dagvaarding 3: 09-406619-24

wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [aangeefster 2] gedeeltelijk hoofdelijk toe en veroordeelt de verdachte om tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij, een bedrag van € 30.119,67, bestaande uit materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente hierover vanaf 20 december 2024 tot aan de dag waarop deze vordering is voldaan;

verklaart de benadeelde partij [aangeefster 2] voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering;

bepaalt dat dit deel van de vordering slechts kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;

veroordeelt de verdachte in de proceskosten door de benadeelde partij [aangeefster 2] gemaakt, tot op heden aan de zijde van de benadeelde partij begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;

legt aan de verdachte hoofdelijk samen met zijn mededader(s) de maatregel tot schadevergoeding op, inhoudende de verplichting aan de Staat ten behoeve van de benadeelde partij [aangeefster 2] te betalen € 30.119,67, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 20 december 2024 tot aan de dag van de algehele voldoening, en bepaalt daarbij de duur van de gijzeling op 0 (nul) dagen;

verstaat dat betaling aan de benadeelde partij, waaronder begrepen betaling door zijn mededader(s), tevens geldt als betaling aan de Staat ten behoeve van de benadeelde partij en omgekeerd;

wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [aangeefster 1] gedeeltelijk hoofdelijk toe, en veroordeelt de verdachte om tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij , een bedrag van € 29.421,-, bestaande uit materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente hierover vanaf 20 december 2024 tot aan de dag waarop deze vordering is voldaan;

verklaart de benadeelde partij [aangeefster 1] voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering;

bepaalt dat dit deel van de vordering slechts kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;

veroordeelt de verdachte in de proceskosten door de benadeelde partij [aangeefster 1] gemaakt, tot op heden aan de zijde van de benadeelde partij begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;

legt aan de verdachte hoofdelijk samen met zijn mededader(s) de maatregel tot schadevergoeding op, inhoudende de verplichting aan de Staat ten behoeve van de benadeelde partij [aangeefster 1] te betalen € 29.421,-, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 20 december 2024 tot aan de dag van de algehele voldoening, en bepaalt daarbij de duur van de gijzeling op 0 (nul) dagen;

verstaat dat betaling aan de benadeelde partij, waaronder begrepen betaling door zijn mededader(s), tevens geldt als betaling aan de Staat ten behoeve van de benadeelde partij en omgekeerd;

de bevelen tot voorlopige hechtenis

heft op de geschorste bevelen tot voorlopige hechtenis van de veroordeelde.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. R. van Zeijst-Repelaer van Driel, kinderrechter, voorzitter,

mr. N.B. Haverhoek, kinderrechter,

en mr. M.J. Bouwman, kinderrechter,

in tegenwoordigheid van mr. L.T. Verlinde, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 27 augustus 2026.

Zittende Magistratuur

Griffier

  • mr. L.T. Verlinde

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand