RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: NL26.39201
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser (gemachtigde: mr. J.I.T. Sopacua),
en
de minister van Asiel en Migratie, (gemachtigde: mr. J.M Sánchez Rhemrev).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het niet in behandeling nemen van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De minister heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 8 juli 2026 niet in behandeling genomen omdat België verantwoordelijk is voor de aanvraag.
De rechtbank heeft het beroep op 4 augustus 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, A. Baban als tolk en de gemachtigde van de minister.
Beoordeling door de rechtbank
Is er sprake van een reëel risico op onmenselijke of vernederende behandeling in strijd met artikel 4 van het Handvest?
2. De rechtbank beoordeelt het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag van eiser. Zij doet dat aan de hand van de argumenten die eiser heeft aangevoerd, de beroepsgronden.
3. De rechtbank verklaart het beroep gegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Totstandkoming van het besluit
4. De Europese Unie heeft gezamenlijke regelgeving over het in behandeling nemen van asielaanvragen. Dit staat in de Dublinverordening, welke tot 12 juni 2026 van kracht was. Op grond van de Dublinverordening neemt de minister een asielaanvraag niet in behandeling als is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.1 In dit geval heeft Nederland bij België een verzoek om overname gedaan. België heeft dit verzoek aanvaard.
1. Dit staat ook in artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000.
Overgangsrecht
5. Op 12 juni 2026 is de Asiel- en Migratiebeheerverordening2 (AMBV) in werking getreden. Artikel 83, eerste volzin, van de AMBV bepaalt dat de Dublinverordening op 12 juni 2026 wordt ingetrokken. De rechtbank bespreekt daarom als eerste welk recht in deze zaak van toepassing is.
6. Artikel 84, tweede lid, van de AMBV bepaalt dat de vraag - welke lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van een vóór 12 juni 2026 ingediend verzoek om internationale bescherming - wordt bepaald volgens de in de Dublinverordening vastgelegde criteria. Eisers verzoek om internationale bescherming is vóór 12 juni 2026 ingediend. Dat betekent dat de vraag welke lidstaat verantwoordelijk is, op grond van het overgangsrecht, wordt bepaald volgens de in de Dublinverordening vastgelegde criteria. Op grond van de Dublinverordening neemt Nederland een asielaanvraag niet in behandeling als is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.
7. Eiser voert aan dat hij bij een overdracht aan België een reëel risico loopt op onmenselijke of vernederende behandeling in strijd met artikel 4 van het Handvest. Eiser wordt namelijk behandeld voor HIV en is door een poh-ggz met spoed doorverwezen naar een traumabehandeling. Hiervan heeft hij medische stukken overgelegd. De minister had vanwege zijn medische kwetsbaarheid, op grond van artikel 3 EVRM, bij de Belgische autoriteiten navraag moeten doen naar adequate opvang voor eiser. Verder is eiser van mening dat de brief van Fedasil van 5 februari 2026 geen reden geeft om, zonder nader onderzoek, van het interstatelijk vertrouwensbeginsel ten aanzien van België uit te gaan. Uit de brief blijkt dat de federale overheid niet weet hoeveel alleenstaande asielzoekers op dit moment opvang genieten in de niet-federale opvang en dienen door te stromen naar de federale opvang. De brief ziet namelijk alleen op het Brussels Hoofdstedelijk Gewest. Verder dient het aantal van 1.535 personen op de lijst niet te worden afgezet tegen een aantal van 2.000 beschikbare plaatsen in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest, maar slechts 1.800, omdat 200 van de 2000 beschikbare plaatsen zijn bestemd voor niet-begeleide minderjarigen. Bovendien is de beschikbaarheid van slechts 265 plaatsen (1800 – 1535) niet exclusief voorbehouden aan Dublinclaimanten. De minister had daarom nader onderzoek moeten doen naar het asiel- en opvangsysteem in België en naar eisers persoonlijke situatie, vanwege de combinatie van weinig opvangcapaciteit en de medische problematiek van eiser.
8. In artikel 43, eerste lid, van de AMVB staat dat de verzoeker het recht heeft tegen het overdrachtsbesluit bij een rechterlijke instantie een doeltreffend rechtsmiddel in te stellen. De draagwijdte van een dergelijk rechtsmiddel is beperkt tot een beoordeling of: a) de overdracht voor de betrokken persoon een reëel risico op onmenselijke of vernederende behandeling zou inhouden in de zin van artikel 4 van het Handvest van de grondrechten; b) er sprake is van omstandigheden na het overdrachtsbesluit die bepalend zijn voor de juiste toepassing van deze verordening; en c) inbreuk is gemaakt op de artikelen 25 tot en met 28 en artikel 34, in het geval van op grond van artikel 36, lid 1, punt a), overgenomen personen.
9. De rechtbank stelt vast dat wat eiser in beroep aanvoert ziet op de toepassing van artikel 43, eerste lid, aanhef en onder a van de AMBV. Uit wat eiser heeft aangevoerd leidt de rechtbank namelijk af dat overdracht naar België in zijn geval in strijd is met artikel 4 van het Handvest.
10. In de uitspraak van 23 juli 20252 heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) geoordeeld dat niet-kwetsbare alleenstaande mannelijke asielzoekers niet meer overgedragen mogen worden aan België. Volgens de Afdeling kan niet langer van het interstatelijk vertrouwensbeginsel ten aanzien van België worden uitgegaan. De Afdelingsuitspraak ziet op de volgende punten:
- opvangvoorzieningen: er is sprake van structurele tekortkomingen in de opvangvoorzieningen voor niet-kwetsbare alleenstaande mannen;
- effectieve rechtsbescherming: niet-kwetsbare alleenstaande mannen kunnen de geconstateerde tekortkomingen in de opvangvoorzieningen niet effectief bij de Belgische rechter afdwingen;
- houding van de Belgische autoriteiten: uit het feit dat de autoriteiten zich niet langer inzetten om nieuwe opvangplaatsen te creëren en weigeren om gerechtelijke uitspraken uit te voeren en dwangsommen te betalen blijkt onverschilligheid.
11. De rechtbank is van oordeel dat onvoldoende is gebleken van een aanzienlijke en structurele verbetering van de opvangsituatie voor niet-kwetsbare alleenstaande mannen in België sinds deze Afdelingsuitspraak3. Daartoe verwijst de rechtbank naar de uitspraak van deze zittingsplaats van 11 juni 20264. Daarin heeft de rechtbank overwogen dat de brief van Fedasil van 5 februari 2026 onvoldoende grond biedt om nu te oordelen - en anders dan de Afdeling in de uitspraak van 23 juli 2025 heeft gedaan - dat er in België, voor zover het gaat om de opvang van niet-kwetsbare alleenstaande mannelijke asielzoekers, niet langer sprake is van tekortkomingen in de opvangvoorzieningen. De rechtbank, zittingsplaats Haarlem5 en zittingsplaats Amsterdam6, hebben in dezelfde zin geoordeeld.
12. De minister heeft in deze procedure weliswaar ook gewezen op passages uit het nieuwe AIDA-rapport update 2025 van juli 2026, maar die passages bevatten geen nieuwe informatie die dateert van na de brief van Fedasil van 5 februari 2026. De rechtbank ziet in die passages daarom geen aanleiding anders te oordelen dan zij in de hiervoor genoemde uitspraak van 11 juni 2026 heeft gedaan.
13. Wat hiervoor is overwogen klemt bij eiser nog temeer nu hij onder medische behandeling is voor HIV. De minister heeft onvoldoende onderzocht of voor eiser direct na aankomst in België medische behandeling beschikbaar is.
2 ECLI:NL:RVS:2025:3305.
3 ECLI:NL:RVS:2025:3305.
4 ECLI:NL:RBDHA:2026:18184.
5 ECLI:NL:RBDHA:2026:19417.
6 ECLI:NL:RBDHA:2026:18538.
14. Gelet op het voorgaande kon de minister niet zonder nader onderzoek concluderen dat eiser niet terechtkomt in een toestand van zeer verregaande materiële deprivatie zoals bedoeld in het Jawo-arrest.7 Ook mocht de minister er niet van uitgaan dat voor eiser in België sprake is van effectieve rechtsbescherming als het gaat om het verkrijgen van opvang. De minister mocht dan ook niet zonder nader onderzoek uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel.
15. De rechtbank oordeelt dat de minister in strijd met artikel 3:2 en artikel 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) het bestreden besluit niet zorgvuldig heeft voorbereid en onvoldoende heeft gemotiveerd. Nu het beroep reeds hierom gegrond is, behoeven de andere beroepsgronden geen bespreking meer.
16. Omdat het beroep gegrond is krijgt eiser een vergoeding van zijn proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.868,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 1).
7 ECLI:EU:C:2018, punten 91-93.
Beslissing
De rechtbank:
Deze uitspraak is gedaan door mr. G.P. Loman, rechter, in aanwezigheid van mr. K.L.H. Thomas, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
07 augustus 2026
Documentcode: [Documentcode]
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.