RECHTBANK DEN HAAG
Samenvatting
uitspraak
Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: NL26.40003
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser
(gemachtigde: mr. A.S. Sewman), en
de minister van Asiel en Migratie, (gemachtigde: mr. J.M Sánchez Rhemrev).
1. Deze uitspraak gaat over het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag van eiser. De minister heeft deze aanvraag niet in behandeling genomen omdat Zwitserland verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep ongegrond is. Dat betekent dat eiser ongelijk krijgt en het niet in behandeling nemen van zijn aanvraag in stand blijft. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. Eiser heeft op 22 juni 2026 een asielaanvraag als bedoeld in artikel 28 van de Vw 20001 ingediend. Hij stelt van Eritrese nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [geboortedatum] 2003. De minister heeft met het bestreden besluit van 10 juli 2026 deze aanvraag niet in behandeling genomen, omdat Zwitserland verantwoordelijk is voor de behandeling van de aanvraag.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
De rechtbank heeft het beroep op 4 augustus 2026 op zitting behandeld. Hieraan heeft de gemachtigde van de minister deelgenomen. Eiser en zijn gemachtigde zijn met bericht van verhindering niet verschenen.
1 Vreemdelingenwet 2000.
Beoordeling door de rechtbank
Totstandkoming van het besluit
3. De Europese Unie heeft gezamenlijke regelgeving over het in behandeling nemen van asielaanvragen. Die staat in de Asiel- en migratiebeheerverordening (AMB-verordening). Op grond van de AMB-verordening neemt de minister een asielaanvraag niet in behandeling als is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.2
In dit geval heeft Nederland bij Zwitserland een verzoek om kennisgeving inzake terugname gedaan. Zwitserland heeft de kennisgeving bevestigd.
Is overdracht in strijd met de internationale verplichtingen?
4. Eiser voert aan dat hij als gevolg van de overdracht aan Zwitserland een reëel risico zal lopen op schending van zijn grondrechten die neerkomt op onmenselijke of vernederende behandelingen in de zin van artikel 4 van het Handvest. Zijn asielaanvraag in Zwitserland is namelijk afgewezen, wat maakt dat hij bij aankomst in Zwitserland een risico loopt op uitzetting naar Eritrea. Volgens het landenbeleid van de minister zal terugkeer naar Eritrea direct leiden tot strafvervolging, vanwege zijn illegale uitreis. Dit maakt dat het asielbeleid in Zwitserland in strijd is met artikel 3 EVRM en artikel 4 van het Handvest.
5. De minister stelt zich hierover op het standpunt dat hij mag uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel ten aanzien van Zwitserland.
6. De rechtbank stelt vast dat uit de uitspraken van het Hof van Justitie3 en de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling)4 volgt dat de rechtbank niet mag onderzoeken of er in de andere lidstaat, die is aangewezen als verantwoordelijke lidstaat, een risico op schending van het beginsel van non-refoulement bestaat, wanneer er geen sprake is van systeemfouten in de asielprocedure. De rechtbank is van oordeel dat de minister voor Zwitserland mag uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Dit houdt in dat de minister erop mag vertrouwen dat de Zwitserse autoriteiten eiser in overeenstemming met het EVRM, het Vluchtelingenverdrag en het Unierecht zullen behandelen. Om die reden mag de rechtbank niet onderzoeken of overdracht aan Zwitserland een (indirect) risico op schending van het beginsel van non-refoulement inhoudt. De beroepsgrond slaagt niet.
Conclusie en gevolgen
7. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt en het niet in behandeling nemen van zijn aanvraag in stand blijft. Eiser krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.
2 Dit staat in artikel 30, eerste lid, van de Vw 2000.
3 HvJEU 30 november 2023, ECLI:EU:C:2023:934.
4 Afdeling11 september 2024, ECLI:NL:RVS:2024:3661.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. G.P. Loman, rechter, in aanwezigheid van mr. K.L.H. Thomas, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
07 augustus 2026
Documentcode: [Documentcode]
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen twee weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.