RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser
de minister van Asiel en Migratie,
Samenvatting
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.4985
(gemachtigde: mr. S. Oukil),
en
(gemachtigde: mr. K. Kanters).
1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de asielaanvraag van eiser als bedoeld in artikel 28 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw). Eiser is het hier niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de asielaanvraag.
2. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de afwijzing van de asielaanvraag in stand kan blijven. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
3. Eiser heeft op 25 november 2025 een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. De minister heeft met het bestreden besluit van 24 januari 2026 deze aanvraag in de algemene procedure afgewezen als ongegrond.
4. Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
5. De rechtbank heeft het beroep op 3 juni 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, I. Abdelfattah als tolk en de gemachtigde van de minister.
Beoordeling door de rechtbank
Het asielrelaas
6. Eiser legt aan zijn asielaanvraag het volgende ten grondslag. Eiser is van Egyptische nationaliteit, geboren op [geboortedatum] 1989 en behoort tot de Arabische bevolkingsgroep. Eiser was van 11 april 2021 tot 15 april 2024 werkzaam bij de [bedrijf] waar hij leiding gaf en direct onder de directeur werkte. Toen eiser een verdachte transactie zag van zakenman [naam] (de zakenman) heeft hij dit conform zijn werkzaamheden gerapporteerd bij de Anti Money Laundering department (AML). Als gevolg hiervan is eiser op 21 maart 2024 ontvoerd en bedreigd. Eiser heeft die zelfde dag aangifte gedaan bij de politie en hij heeft Egypte de maand erop verlaten. Daarna is hij enige tijd werkzaam geweest in Abu Dhabi. Uiteindelijk heeft eiser besloten om naar Nederland te reizen en asiel aan te vragen. Bij terugkeer vreest eiser om vermoord te worden door/in opdracht van de zakenman.
Het bestreden besluit
7. Het asielrelaas van eiser bevat volgens de minister de volgende asielmotieven:
1. Identiteit, nationaliteit en herkomst;
2. Problemen vanwege het maken van een melding bij AML.
8. De minister stelt zich op het standpunt dat het eerste asielmotief geloofwaardig is. De problemen vanwege het maken van een melding bij AML worden niet op geloofwaardigheid beoordeeld. Volgens de minister is gebleken dat wat er ook beoordeeld zou worden over de geloofwaardigheid van dit asielmotief, het motief geen aanleiding geeft tot het verlenen van een asielvergunning. Eiser wordt volgens de minister door deze manier van toetsing niet benadeeld. In de verdere beoordeling van de zwaarwegendheid wordt namelijk zorgvuldig onderzocht en duidelijk gemotiveerd waarom er in de situatie van eiser geen rechtsgrond voor de verlening van een asielvergunning wordt gezien.
9. Volgens de minsister is eiser geen vluchteling in de zin van het Vluchtelingenverdrag omdat uit zijn verklaringen niet blijkt dat hij een gegronde vrees voor vervolging heeft. Daarnaast loopt eiser bij terugkeer naar Egypte ook geen reëel risico op ernstige schade. Uit zijn verklaringen blijkt namelijk dat hij Egypte meermaals legaal in- en uit is gereisd ná de gestelde problemen. Ook heeft hij in mei 2025 voor de duur van acht dagen op zijn eigen adres in Egypte verbleven. Verder overweegt de minister dat eiser de beschermingsmogelijkheden in Egypte niet volledig heeft benut. De minister concludeert daarom dat de asielaanvraag wordt afgewezen.
Afdoening op grond van zwaarwegendheid
10. Eiser voert aan dat het onduidelijk is hoe de minister de verklaringen van eiser heeft beoordeeld. Volgens eiser stelt de minister enerzijds dat de problemen vanwege de melding bij de AML niet op geloofwaardigheid zijn getoetst en dat dit niet betekent dat het asielmotief geloofwaardig is geacht, terwijl de minister anderzijds deze verklaringen wel beoordeelt op zwaarwegendheid in het kader van een reëel risico op ernstige schade. Eiser stelt dat een dergelijke beoordeling pas aan de orde kan zijn nadat de betreffende verklaringen geloofwaardig zijn bevonden.
11. Bij uitspraak van 17 augustus 2022 heeft de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) geoordeeld dat, wanneer de minister de geloofwaardigheid van het asielrelaas in het midden laat, bij de rechterlijke toetsing ervan moet worden uitgegaan dat de minister de geloofwaardigheid van de gestelde feiten en omstandigheden heeft aangenomen. Zolang de minister alle verklaringen van eiser over zijn asielmotieven als uitgangspunt neemt, leidt de werkwijze in algemene zin niet tot een onzorgvuldige beoordeling van het asielrelaas. Naar aanleiding van deze Afdelingsuitspraak heeft de minister de werkwijze geïmplementeerd in zijn beleid. Dit beleid is neergelegd in IB 2022/102 en paragraaf C1/4.1, vijfde lid, van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc). In het IB zijn de door de Afdeling genoemde waarborgen voor de toepassing voor deze werkwijze nader uitgewerkt.
12. De minister heeft in het voornemen en tijdens de zitting toegelicht dat in deze zaak sprake is van een situatie waarin eiser voor de door hem gestelde problemen bescherming van de autoriteiten van zijn land van herkomst kan inroepen tegen de problemen waarvoor hij stelt te vrezen. Dit is een situatie waarin volgens het IB de aanvraag enkel op zwaarwegendheid kan worden afgedaan zonder eerst de geloofwaardigheid van het relaas te beoordelen. De rechtbank is van oordeel dat niet is gebleken dat eiser door het hanteren van deze werkwijze is benadeeld of in zijn belangen is geschaad, of dat de minister de in de uitspraak genoemde waarborgen niet in acht zou hebben genomen. De minister heeft bij de beoordeling van de zwaarwegendheid alle door eiser gestelde feiten en omstandigheden betrokken en daarbij de verklaringen van eiser als uitgangspunt genomen. De beroepsgrond slaagt daarom niet.
Gegronde vrees voor vervolging in de zin van het Vluchtelingenverdrag
13. Eiser heeft aangevoerd dat de minister ten onrechte niet heeft getoetst aan het Vluchtelingenverdrag. Volgens de minister heeft eiser dit standpunt niet nader onderbouwd. Eiser stelt dat dit onjuist is, omdat hij in de zienswijze heeft aangevoerd dat misbruik door middel van een corrupt systeem, waarbij een slachtoffer niet kan opkomen voor zijn of haar fundamentele rechten, onder de verdragsgrond politieke overtuiging kan vallen. Eiser heeft daarbij verwezen naar het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie (het Hof) van 12 januari 2023. Hier heeft de minister volgens eiser niet deugdelijk op gereageerd.
14. De rechtbank is van oordeel dat de minister niet uit het asielrelaas heeft hoeven af te leiden dat eiser een beroep heeft gedaan op vervolging op grond van politieke overtuiging. Ook uit de afgenomen gehoren volgt dit niet. De minister heeft tijdens de zitting toegelicht waarom het beroep op het arrest van het Hof van 13 januari 2023 niet slaagt. Uit dit arrest volgt dat het begrip ‘politieke overtuiging’ ook situaties kan omvatten waarin een asielzoeker zijn persoonlijke vermogensrechtelijke of economische belangen met legale middelen verdedigt tegen illegale niet-overheidsactoren die, vanwege corrupte banden met de staat, het staatsapparaat tegen hem kunnen inzetten. Volgens de minister is van deze situatie geen sprake. Dat de zakenman die eiser zou hebben bedreigd over veel geld beschikt, betekent nog niet dat hij zodanig machtig is dat hij, vanwege corrupte banden met de staat, eiser kan benadelen en/of lastigvallen. Uit de verklaringen van eiser valt dit ook niet af te leiden. Nu de situatie van eiser niet binnen de reikwijdte van het arrest valt, heeft de minister zich naar het oordeel van de rechtbank terecht op het standpunt gesteld dat geen sprake is van vervolging vanwege een politieke overtuiging. De beroepsgrond slaagt niet.
Bescherming door de autoriteiten
15. Eiser voert verder aan dat hij geen bescherming kan verkrijgen van de Egyptische autoriteiten. Volgens hem is het daarom zinloos om bescherming af te wachten. Ter onderbouwing verwijst eiser naar landeninformatie over corruptie in Egypte. Eiser stelt ook dat de erkenning door de minister dat sprake is van corruptie in Egypte niet verenigbaar is met het standpunt dat aangiftes voortvarend worden behandeld. Daarnaast voert eiser aan dat niet van hem kan worden verlangd dat hij een advocaat inschakelt om bescherming te verkrijgen. Verder stelt eiser dat de door hem overgelegde video van de zakenman niet in de beoordeling is betrokken.
16. De rechtbank is van oordeel dat de minister terecht heeft overwogen dat er bescherming van de Egyptische autoriteiten mogelijk is. Hierbij heeft de minister verwezen naar het Algemeen Ambtsbericht Egypte 2021 waaruit volgt dat aangiftes doorgaans voortvarend in behandeling worden genomen en dat eiser zich had kunnen wenden tot de procureur-generaal als blijkt dat de politie in gebreke blijft. Hierdoor had van eiser mogen worden verwacht dat hij de behandeling van zijn aangifte in Egypte zou afwachten en daarover navraag zou doen. Eiser heeft dit niet gedaan. Nu de minister heeft vastgesteld dat bescherming in Egypte mogelijk is, is het aan eiser om aannemelijk te maken dat bescherming in zijn individuele geval bij voorbaat zinloos is.
17. De rechtbank is van oordeel dat eiser hierin niet is geslaagd. Zijn stelling dat hij geen bescherming kan verkrijgen van de Egyptische autoriteiten is voornamelijk gebaseerd op aannames en algemene landeninformatie. Eiser heeft verwezen naar informatie waaruit volgt dat in Egypte sprake kan zijn van corruptie. Deze informatie is echter van algemene aard en toont niet aan dat in het individuele geval van eiser sprake was van corruptie of dat bescherming voor hem niet beschikbaar zou zijn. Daarbij is van belang dat eiser één poging heeft gedaan om bescherming van de autoriteiten in te roepen. Eiser heeft tijdens de zitting verklaard dat de politie bij zijn aangifte een proces-verbaal heeft opgemaakt tegen een ‘onbekend persoon’, waardoor bij hem het vermoeden ontstond dat de politie hem niet wilde helpen, omdat hij de naam van de zakenman wel had genoemd, maar geweigerd werd deze in de aangifte op te nemen. Eiser heeft echter niet nader kunnen toelichten waarom hij reeds daarom meent dat de politie hem niet wilde helpen. Dat is een aanname die onvoldoende is om aan te nemen dat de autoriteiten niet bereid of in staat zijn om bescherming te bieden.
18. Daarnaast overweegt de rechtbank dat de minister de overgelegde video bij zijn besluitvorming heeft betrokken. Deze video is van algemene aard en maakt niet inzichtelijk waarom eiser in zijn individuele geval geen bescherming van de Egyptische autoriteiten zou kunnen verkrijgen. Gelet op het voorgaande heeft eiser niet aannemelijk gemaakt dat het inroepen van bescherming van de Egyptische autoriteiten in zijn geval bij voorbaat zinloos was. De beroepsgrond slaagt niet.
Conclusie en gevolgen
19. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. G. Schnitzler, rechter, in aanwezigheid van mr. N.B. Tool, griffier. Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op: 24 juni 2026
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen