ECLI:NL:RBDHA:2026:25074

ECLI:NL:RBDHA:2026:25074

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 08-07-2026
Datum publicatie 01-09-2026
Zaaknummer NL26.6244
Rechtsgebied Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Utrecht

Samenvatting

Asiel, Nigeria, samenwerkingsverplichting als bedoelt in artikel 4, eerste lid, Kwalificatierichtlijn, geloofwaardigheid asielrelaas, de in beroep aangeleverde stukken maken het relaas niet geloofwaardig, Bureau Documenten, beroep ongegrond.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiseres] , V-nummer: [V-nummer] , eiseres

de minister van Asiel en Migratie,

Samenvatting

Zittingsplaats Utrecht

Bestuursrecht

zaaknummer: NL26.6244

(gemachtigde: mr. P.E.J.M. Bartels),

en

(gemachtigde: mr. Y. Thole).

1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de asielaanvraag van eiseres als bedoeld in artikel 28 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw). Eiseres is het hier niet mee eens. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de asielaanvraag.

2. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de afwijzing van de asielaanvraag in stand kan blijven. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

3. Eiseres heeft op 25 oktober 2023 een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. De minister heeft met het bestreden besluit van 28 januari 2026 deze aanvraag in de algemene procedure afgewezen als kennelijk ongegrond.

4. Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.

5. De rechtbank heeft het beroep op 12 mei 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, de gemachtigde van eiseres, D.K. Ehigiene als tolk en de gemachtigde van de minister.

Beoordeling door de rechtbank

Geloofwaardigheid asielrelaas

Het asielrelaas

6. Eiseres legt aan haar asielaanvraag het volgende ten grondslag. Eiseres heeft de Nigeriaanse nationaliteit, is geboren op [geboortedatum] 1960 en behoort tot de Yoruba bevolkingsgroep. Op 19 september 2022 is eiseres naar Nederland gekomen om zaken te doen. Het visum dat ze had was geldig tot 30 september 2022. Op 29 oktober 2022 heeft eiseres vernomen dat haar man en zoon zijn vermoord door Boko Haram en dat haar dochter was ontvoerd. Haar zwager heeft zich na de moorden aangesloten bij Boko Haram. De zwager zoekt eiseres omdat hij de bezittingen van haar man wil erven. Boko Haram zoekt eiseres omdat zij christen is. Bij terugkeer naar Nigeria vreest eiseres om vermoord te worden door haar zwager en Boko Haram.

Het bestreden besluit

7. Het asielrelaas van eiseres bevat volgens de minister de volgende asielmotieven:

1. Identiteit, nationaliteit en herkomst;

2. Problemen omtrent de erfenis;

3. Problemen met Boko Haram.

8. De minister stelt zich hierover op het standpunt dat het eerste asielmotief geloofwaardig is. De problemen omtrent de erfenis en de problemen met Boko Haram zijn volgens de minister niet geloofwaardig. Eiseres heeft haar verklaringen niet volledig kunnen onderbouwen met de overgelegde documenten. Daarom heeft de minister beoordeeld of het asielmotief alsnog geloofwaardig is. Dit is volgens de minister niet het geval nu eiseres onvoldoende documenten heeft overgelegd en nu haar problemen samenhangen met de erfenis van haar overleden man en zoon verwacht mag worden dat zij daarvan documenten kan overleggen. Eiseres heeft hiervoor geen goede verklaring heeft gegeven.

9. Ook vormen haar verklaringen ten aanzien van de problemen omtrent de erfenis en de problemen met Boko Haram geen samenhangend en aannemelijk geheel.

10. De minister volgt de verklaringen van eiseres ten aanzien van de erfenis niet. Eiseres heeft dit conflict niet aangetoond, de akte van overlijden van haar man laat niet zien hoe hij is overleden (de oorzaak), zodat deze akte de stelling van eiseres dat haar man door Boko Haram is vermoord en dat de familie uit is op de erfenis niet onderbouwd. Ook heeft eiseres meerdere malen wisselend verklaard over wie de erfgenamen zijn (de kinderen of eiseres zelf). Het overgelegde krantenartikel dat volgens eiseres door de familie van haar man is geplaatst, maakt dit niet anders. Het bericht is subjectief nu niet blijkt wie het heeft aangeleverd en wie het heeft opgesteld, en nu de familie daarmee als doel voor ogen had het verkrijgen van de erfenis. Het krantenbericht is bovendien niet verifieerbaar, het is niet te vinden op internet. Tot slot heeft eiseres niet inzichtelijk gemaakt waarom de familie het krantenbericht heeft geplaatst. Eiseres heeft verklaard dat dit bericht als bewijs van overlijden moest dienen om zo de erfenis te verkrijgen, echter er is een overlijdensakte van haar echtgenoot zodat niet valt in te zien waarom dat nodig was.

11. De minister volgt ook de verklaringen van eiseres ten aanzien van de problemen met Boko Haram niet. Eiseres heeft verklaard dat Boko Haram achter haar aan zit omdat zij christelijk is en dat haar zwager bij Boko Haram is gegaan om de erfenis te verkrijgen. Ook hier geldt echter dat eiseres ook verklaard dat niet zijzelf maar haar kinderen de erfgenaam zijn, en dat uit de overlijdensakte van haar man de oorzaak van overlijden niet blijkt. Het is verder niet duidelijk of Boko Haram wist dat eiseres christelijk is, en waarom Boko Haram haar man en zoon zouden vermoorden nu deze wel moslim waren. Boko Haram richt zich ook niet specifiek op christenen. Eiseres heeft verder verklaard dat ook andere mensen werden aangevallen en ontvoerd, zodat de aanval waarbij haar man en zoon zijn omgekomen, en haar dochter is ontvoerd, niet specifiek op eiseres gericht was. Eiseres heeft verder tegenstrijdig verklaard over de bevrijding van haar dochter. Eiseres heeft verklaard dat vigilantes haar dochter hebben bevrijd, dat Boko Haram haar dochter hebben vrijgelaten, en dat haar dochter nog niet was gevonden of bevrijd. Tot slot is niet duidelijk wat de laatste woonplaats van eiseres was zodat niet duidelijk is of Boko Haram actief is op de plek waar zij woonachtig was.

12. Verder heeft eiseres volgens de minister zonder goede verklaring haar asielaanvraag niet zo spoedig mogelijk ingediend. Eiseres kan dan ook volgens de minister in grote lijnen niet als geloofwaardig worden beschouwd. Hiermee voldoet eiseres niet aan de voorwaarden van artikel 31, zesde lid, onder b, c, d en e Vw.

13. De minister is gezien dit alles van mening dat eiseres geen vluchteling is in de zin van het Vluchtelingenverdrag en loopt eiseres bij terugkeer naar Nigeria geen reëel risico op ernstige schade omdat de problemen omtrent de erfenis en Boko Haram beiden ongeloofwaardig zijn geacht. Ook het beroep op schrijnendheid slaagt volgens de minister niet. Hoewel eiseres haar lichamelijke klachten heeft aangetoond met haar medische dossier, wordt dit niet aangemerkt als een bijzondere omstandigheid van individuele aard in de zin van artikel 3.6a, lid 1, Vreemdelingenbesluit. Voor medische situaties bestaat namelijk een regulier verblijfsdoel. De minister concludeert daarom dat de asielaanvraag wordt afgewezen. De minister heeft eiseres wel uitstel van vertrek verleend op grond van artikel 64 van de Vw.

Samenwerkingsverplichting

14. Eiseres voert aan dat, gelet op het belang dat de minister zelf hecht aan het overleggen van de overlijdensakte van haar zoon, haar meer tijd had moeten gunnen om dit document alsnog aan te leveren. Door het verzoek om uitstel af te wijzen, heeft de minister volgens eiseres gehandeld in strijd met de op hem rustende samenwerkingsverplichting als bedoeld in artikel 4, eerste lid, van de Kwalificatierichtlijn.

15. De rechtbank oordeelt als volgt. De minister heeft eiseres al in een vroeg stadium van de procedure gewezen op het belang van het overleggen van documenten ter onderbouwing van haar asielrelaas, namelijk tijdens het aanmeldgehoor van 14 juni 2025. Ook tijdens het nader gehoor van 21 januari 2026 is hier nogmaals op gewezen. Er is in het nader gehoor ook expliciet gewezen op het belang van het overleggen van de overlijdensakte van haar zoon, naast de reeds overgelegde akte van haar man en een aantal andere stukken. Het is aan eiseres om deze documenten te overleggen. De door eiseres gegeven verklaring, inhoudende dat het voor haar verboden dan wel taboe zou zijn om de overlijdensakte van haar zoon in bezit te hebben, maakt dit niet anders. Deze verklaring heeft de minister niet afdoende mogen vinden. Ook neemt de rechtbank in aanmerking dat tussen het overlijden van haar zoon en de behandeling ter zitting ongeveer drieënhalf jaar is verstreken, zodat eiseres voldoende gelegenheid heeft gehad om de overlijdensakte te verkrijgen en naar Nederland te laten overkomen. Gelet hierop volgt de rechtbank eiseres niet in haar standpunt dat de minister haar meer tijd had moeten geven voor het alsnog overleggen van de overlijdensakte. Dit te meer nu de reden die eiseres heeft gegeven voor het uitblijven van het document, zoals hiervoor overwogen, niet afdoende is. De beroepsgrond slaagt niet.

16. Eiseres voert aan dat zij door middel van de in beroep aangeleverde stukken haar asielrelaas alsnog aannemelijk heeft gemaakt en dat de minister gehouden is om te beoordelen of eiseres bij terugkeer naar Nigeria een reëel risico loopt op vervolging, dan wel een behandeling in strijd met artikel 3 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM).

17. De in beroep ingediende documenten betreffen:

- een kopie van de overlijdensakte van haar zoon van 19 februari 2026,

- een kopie van de Affidavit van 13 februari 2026,

- een kopie van een politierapport van 25 februari 2026, en

- een krantenartikel van 29 oktober 2022 met betrekking tot de aanval van Boko Haram.

18. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister zich op het standpunt mogen stellen dat de in beroep aangeleverde stukken het relaas van eiseres niet alsnog geloofwaardig maken en de tegenstrijdige verklaringen zoals weergegeven in overweging 11 niet verklaren. De rechtbank zal hierna de in rechtsoverweging 17 genoemde documenten achtereenvolgens bespreken.

19. Tijdens de zitting heeft de minister aangegeven dat de nieuwe documenten, behalve het krantenartikel, door Bureau Documenten zijn onderzocht. Hoewel de bevindingen van dat onderzoek niet voorafgaand aan de zitting aan het dossier zijn toegevoegd, heeft de minister de uitkomsten daarvan ter zitting gedeeld. Partijen zijn vervolgens in de gelegenheid gesteld daarop te reageren. De rechtbank ziet daarom aanleiding deze bevindingen bij haar beoordeling te betrekken.

20. Bureau Documenten heeft de echtheid van de overlijdensakte van de zoon van 19 februari 2026 als positief beoordeeld. Er kan echter geen uitspraak worden gedaan over de opmaak en afgifte van het document. Ook kan niet worden vastgesteld of de inhoud van het document juist is. De minister heeft zich daarom op het standpunt mogen stellen dat aan dit document geen doorslaggevende bewijswaarde kan worden toegekend. Daarbij heeft de minister mogen meewegen dat het overlijden volgens de akte is geregistreerd in de plaats [plaats 1] , terwijl het overlijden heeft plaatsgevonden in [plaats 2] . Op grond van artikel 17 van de Nigeria Births, Deaths etc. (Compulsory Registration) Act dient een overlijden te worden geregistreerd bij de bevoegde autoriteit in het gebied waar het overlijden heeft plaatsgevonden. Niet is gebleken dat hiervan in dit geval sprake is. Daarnaast vermeldt de overlijdensakte niet de doodsoorzaak, zodat ook daaruit niet kan worden afgeleid onder welke omstandigheden de zoon van eiseres is overleden. Tijdens de zitting heeft de minister op de omstandigheid gewezen dat ook de eerder overgelegde overlijdensakte van de echtgenoot van eiseres een registratieplaats vermeldt die niet overeenkomt met de plaats van overlijden en evenmin informatie bevat over de doodsoorzaak.

21. Over de kopie van het politierapport van 25 februari 2026 heeft Bureau Documenten geconcludeerd dat er door het ontbreken van voldoende, betrouwbaar vergelijkingsmateriaal geen uitspraak kan worden gedaan over de echtheid van het document. De minister heeft tijdens de zitting terecht gewezen op een inconsistentie in het document, nu rechtsboven de datum 25 februari 2025 is vermeld, terwijl de stempel onderaan het document de datum 25 februari 2026 laat zien. Eiseres heeft hiervoor tijdens de zitting geen verklaring kunnen geven. De enkele stelling dat bij documenten uit Nigeria vaker onregelmatigheden voorkomen, is daarvoor onvoldoende. Verder is tijdens de zitting gebleken dat het politierapport is opgesteld aan de hand van de Affidavit van 13 februari 2026. Ook ten aanzien van dit document kan geen uitspraak worden gedaan over de echtheid van het document en ook niet over de juistheid van de inhoud. Daarbij is gebleken dat de Affidavit is opgesteld aan de hand van de verklaringen van de zus van eiseres. De minister heeft hierbij mogen meewegen dat de zus van eiseres in het verleden al eerder documenten aan eiseres heeft geleverd, waaronder de geboorteakte van eiseres en de akte van herkomst, die door Bureau Documenten vals zijn bevonden. Daarnaast heeft de minister mogen betrekken dat de verklaring van de zus subjectief is. Gelet op deze omstandigheden heeft de minister zich op het standpunt mogen stellen dat aan het politierapport en de daaraan ten grondslag liggende Affidavit niet de bewijswaarde kan worden toegekend die eiseres daaraan hecht.

22. Ten aanzien van het overgelegde krantenartikel van 29 oktober 2022 is de rechtbank van oordeel dat de minister zich op het standpunt heeft mogen stellen dat ook hieraan geen doorslaggevende bewijswaarde toekomt. Daarbij heeft de minister van belang mogen achten dat het gaat om een online artikel waarvan niet duidelijk is door wie het is geschreven en dat niet afkomstig is van een toonaangevende krant. Ook heeft de minister mogen meewegen dat eiseres niet heeft toegelicht waarom zij dit artikel pas in beroep heeft overgelegd, terwijl het artikel dateert van dezelfde periode als het overlijden van haar echtgenoot en zoon. Verder volgt uit de inhoud van het artikel niet dat de aanslag specifiek was gericht op eiseres vanwege haar christelijke geloof of vanwege de door haar gestelde problemen met haar oom omtrent de erfenis.

23. Tijdens de zitting heeft eiseres ook gesteld dat het winkelcentrum waar in 2017 een aanval is geweest eigendom was van haar echtgenoot zodat daaruit wel de gerichtheid op haar zou blijken. Dit wordt door de rechtbank niet gevolgd. De rechtbank neemt hierbij in aanmerking dat de aanval al plaatsvond in 2017 en dat daarbij veel andere mensen en ondernemers zijn getroffen. Onder deze omstandigheden is niet aannemelijk geworden dat de aanval specifiek was gericht op eiseres en haar familie. Daarnaast was deze aanval volgens de verklaringen van eiseres niet de directe aanleiding voor haar vertrek uit Nigeria. Die aanleiding lag volgens haar in de gebeurtenissen van 2022. Ook de stelling dat haar asielrelaas geloofwaardig moet worden geacht omdat zij een succesvolle internationale zakenvrouw was, een goed leven had in Nigeria en niet eerder in een ander land asiel heeft aangevraagd, leidt niet tot een ander oordeel. Dit neemt namelijk niet weg dat eiseres op verschillende punten tegenstrijdig heeft verklaard en niet aannemelijk heeft gemaakt dat Boko Haram of haar zwager het daadwerkelijk op haar hadden voorzien. De beroepsgrond slaagt niet.

Conclusie en gevolgen

24. De minister heeft de aanvraag terecht afgewezen als kennelijk ongegrond.

Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiseres geen gelijk krijgt. Ook krijgt eiseres geen vergoeding van haar proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.H. Lange, rechter, in aanwezigheid van mr. N.B. Tool, griffier. Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op: 8 juli 2026.

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand