RECHTBANK DEN HAAG
de minister van Asiel en Migratie, de minister.
uitspraak
Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht
zaaknummers: NL26.28286 en NL26.28294
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaken tussen [verzoeker 1], met V-nummer: [V-nummer] ,
[verzoeker 2] , met V-nummer: [V-nummer] , hierna gezamenlijk: verzoekers, (gemachtigde: mr. O. Sarac),
en
Procesverloop
Deze uitspraak gaat over de verzoeken van verzoekers om vergoeding van hun proceskosten.
Verzoekers hebben beroepen ingediend, omdat de minister niet op tijd heeft beslist op de aanvragen van verzoekers voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd (hierna: de aanvragen).
Op 22 juli 2026 heeft de minister alsnog een besluit genomen op de aanvragen.
Naar aanleiding hiervan hebben verzoekers hun beroepen ingetrokken. Zij hebben daarbij het verzoek gedaan om de minister te veroordelen tot vergoeding van de proceskosten. De minister heeft op de verzoeken gereageerd en daarbij aangegeven bereid te zijn de proceskosten van verzoekers te vergoeden tot een bedrag van € 467,-.
Overwegingen
1. De rechtbank vindt het in deze zaken niet nodig om partijen uit te nodigen voor een zitting.1
2. Als een indiener het beroep intrekt, omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk is tegemoetgekomen aan diens beroepschrift, dan kan de bestuursrechter het bestuursorgaan veroordelen in de proceskosten van de indiener.2
1. Artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
2 Artikelen 8:75 en 8:75a van de Awb, in samenhang met het Besluit Proceskosten bestuursrecht (Bpb).
3. Gelet op de gedingstukken en het hiervoor weergegeven procesverloop, is de minister tegemoetgekomen aan de beroepen van verzoekers. De minister heeft immers alsnog op de aanvragen van verzoekers beslist.
4. De verzoeken worden als kennelijk gegrond toegewezen. De rechtbank veroordeelt de minister in de door verzoekers gemaakte proceskosten. Volgens het Bpb is dit een vast bedrag, omdat verzoekers een professionele (juridische) hulpverlener heeft ingeschakeld om voor hen verzoekschriften in te dienen. De rechtbank hanteert een wegingsfactor van 0,5, omdat deze zaken van licht gewicht zijn. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat sprake is van verzoeken tot proceskostenveroordeling, waarbij het – al dan niet in geld uit te drukken – belang beperkt is en de aard van de zaak eenvoudig is. Dat geeft aanleiding om ten aanzien van het in onderdeel C1 van de bijlage bij het Bpb opgenomen gewicht van de zaak één categorie lager te hanteren dan ‘gemiddeld’. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden. Toegekend wordt € 467,- (1 punt voor het indienen van het verzoek, met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 0,5).
5. De rechtbank beschouwt deze zaken vanwege de inhoud als samenhangende zaken. Immers, verzoekers zijn broers, hun procedures liepen gelijk op en zij hebben dezelfde advocaat. Daarom blijft de hoogte van de vergoeding beperkt tot het bedrag dat in één zaak zou worden toegekend.3
Beslissing
De rechtbank veroordeelt de minister in de proceskosten van verzoekers tot een bedrag van
€ 467,-, toe te kennen in NL26.28286.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.J.A. Schaaf, rechter, in aanwezigheid van mr. A.W. van Eerden, griffier.
3 Artikel 3 van het Bpb.