ECLI:NL:RBDHA:2026:25080

ECLI:NL:RBDHA:2026:25080

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 24-08-2026
Datum publicatie 01-09-2026
Zaaknummer NL26.45420
Rechtsgebied Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Utrecht

Samenvatting

Grensdetentie. Artikel 6, derde lid. Grensbewakingsbelang. Geen sprake van automatisch opleggen van grensdetentie. Dat de screening volledig is uitgevoerd is geen voorwaarde voor het opleggen van grensdetentie, een voorlopige medische controle hoeft daarom ook nog niet te hebben plaatsgevonden. Ongegrond.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser

de minister van Asiel en Migratie,

Zittingsplaats Utrecht

Bestuursrecht

zaaknummer: NL26.45420

(gemachtigde: mr. F.J.E. Hogewind),

en

(gemachtigde: mr. S.H.F. Pols).

Procesverloop

1. Bij besluit van 8 augustus 2026 (het bestreden besluit) is aan eiser een vrijheidsontnemende maatregel opgelegd op grond van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw).

De minister heeft de rechtbank op grond van artikel 94, eerste lid, van de Vw van het besluit tot oplegging van de vrijheidsontnemende maatregel in kennis gesteld. Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.

De rechtbank heeft het beroep op 17 augustus 2026 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen M. Fayez. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

2. Eiser stelt van Syrische nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [geboortedatum] 1987. Aan eiser is op 8 augustus 2026 de vrijheidsontnemende maatregel op grond van artikel 6, derde lid, van de Vw opgelegd.

Toetsingskader

3. Indien de rechtbank bij de beoordeling van het beroep van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel in strijd is met de Vw dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen niet gerechtvaardigd is, verklaart zij op grond van artikel 94, zesde lid, van de Vw het beroep gegrond.

4. Op grond van artikel 5.1a van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb) wordt een vrijheidsontnemende maatregel op grond van artikel 6, derde lid, van de Vw opgelegd in het kader van het grensbewakingsbelang. Deze wordt niet opgelegd of voortgezet indien sprake is van bijzondere individuele omstandigheden die vrijheidsontneming onevenredig bezwarend maken.

Automatisch opleggen van grensdetentie

6. Eiser stelt dat het in strijd is met artikel 45, eerste lid, van de Procedureverordening en verwijst hierbij naar de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam van 17 juli 2026, dat aan eiser automatisch grensdetentie wordt opgelegd op het moment dat hij een asielaanvraag indient aan de grens. Eiser komt uit Syrië en is Alawiet, deze groep wordt aangemerkt als risicoprofiel. De minister is niet verplicht om de asielaanvraag van deze personen in de grensprocedure te behandelen en aan hen grensdetentie op te leggen. Het automatisch opleggen van grensdetentie is ook in strijd met het uitgangspunt van bewaring als ultimum remedium. Eiser heeft meerdere malen aangegeven dat hij familieleden heeft die in [plaats] wonen, zijnde een moeder, zus en broer. Dit had de minister moeten betrekken bij de vraag of volstaan had kunnen worden met een lichter middel. Uit de maatregel blijkt nu onvoldoende duidelijk waarom in dit geval niet is volstaan met een lichter middel.

7. De rechtbank oordeelt als volgt. De vaststelling dat de grensdetentie nodig is om het grensbewakingsbelang daadwerkelijk te dienen, betekent niet dat in ieder individueel geval automatisch een vrijheidsontnemende maatregel wordt opgelegd. De minister moet steeds beoordelen of met een lichter middel moet worden volstaan, ook al geeft hij dan zijn grensbewakingsbelang prijs. Uit de maatregel van bewaring blijkt dat de minister die beoordeling heeft verricht. De minister heeft hierbij kunnen betrekken dat eiser tijdens het gehoor voorafgaand aan het opleggen van de maatregel van bewaring heeft verklaard geen bezwaren te hebben tegen de maatregel. Ook is niet gebleken van individuele omstandigheden op grond waarvan de maatregel van bewaring achterwege had moeten blijven. Dat eiser heeft gesteld bij zijn familie in [plaats] te willen zijn maakt dit niet anders. Niet is gebleken dat er sprake is van een spoedeisend belang waardoor eiser zijn familie direct zou moeten zien. Of eiser al dan niet valt onder een risicoprofiel wordt in het kader van de grensdetentieprocedure niet beoordeeld. Verder is de minister in hoger beroep gegaan tegen de uitspraak van rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam van 17 juli 2026, waardoor deze uitspraak nog niet in rechte vast staat. De rechtbank ziet in het geval van eiser geen aanleiding om hetgeen in die uitspraak is overwogen te volgen. De beroepsgrond slaagt niet.

Medische controle

8. Eiser stelt dat sprake is van een schending van artikel 8, vijfde lid, onder a en artikel 12, eerste lid van de Procedureverordening, omdat er geen voorlopige medische controle heeft plaatsgevonden. Deze bepaling schrijft dwingend voor dat mensen tijdens de procedure een voorlopige medische controle moeten krijgen door gekwalificeerd medisch personeel. Deze medische controle heeft niet plaatsgevonden voorafgaand aan het opleggen van de maatregel van bewaring. Dat de KMar de medische dienst op [luchthaven] erbij kan halen als zij medische problemen constateren, maakt niet dat wordt voldaan aan artikel 8, vijfde lid onder a en artikel 12, eerste lid, van de Procedureverordening. De medewerkers van de KMar zijn niet de aangewezen personen om een dergelijke beoordeling te kunnen of mogen maken. In het geval van eiser was een voorlopige medische controle wel van belang geweest, omdat hij verschillende lichamelijke problemen heeft, namelijk pijn aan zijn rug en schouder. Eiser verwijst hierbij ook naar de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Roermond, van 10 augustus 2026.

9. De rechtbank overweegt het volgende. De maatregel van bewaring van eiser is gebaseerd op artikel 6, derde lid, van de Vw. Uit deze bepaling volgt dat in het kader van het nemen van een beslissing over de toegang tot Nederland en/of het uitvoeren van de screening als bedoeld in de Screeningsverordening een vrijheidsontnemende maatregel kan worden opgelegd aan de vreemdeling die aan de buitengrens van Nederland zijn asielwens kenbaar maakt. Uit de maatregel die aan eiser is opgelegd volgt dat deze zowel is opgelegd in het kader van het nemen van een beslissing op zijn asielaanvraag als het screenen van eiser. Aangezien eiser niet voldeed aan de voorwaarden voor toegang tot Nederland, hij aan de buitengrens een asielwens heeft geuit en de minister op de daarna geformaliseerde asielaanvraag nog niet heeft beslist, wordt al voldaan aan de voorwaarden voor oplegging van grensdetentie op grond van artikel 6, derde lid, van de Vw. Dat er geen voorlopige medische controle heeft plaatsgevonden maakt dit niet anders. Dat de screening van eiser volledig is uitgevoerd is namelijk geen voorwaarde voor het opleggen van grensdetentie. Hierdoor hoeft er ook nog geen voorlopige medische controle te hebben plaatsgevonden voordat aan eiser grensdetentie wordt opgelegd. Wanneer eiser toch medische problemen had ervaren dan had hij dit kunnen aangeven bij de KMar waarna zij eventueel de medische dienst op [luchthaven] zouden kunnen inschakelen. Uit artikel 16, eerste lid, van de Schengengrenscode, volgt immers dat ambtenaren van de Kmar zijn opgeleid op het gebied van het herkennen van en het omgaan met situaties waarin kwetsbare personen betrokken zijn. De rechtbank ziet in dit geval niet in dat er sprake is van een schending van artikel 8, vijfde lid onder a en artikel 12, eerste lid, van de Procedureverordening. De beroepsgrond slaagt niet.

Ambtshalve toetsing

10. Los van de door eiser aangevoerde gronden, ziet de rechtbank in de door de minister en eiser verstrekte gegevens geen grond om te komen tot het oordeel dat aan de rechtmatigheidsvoorwaarden voor deze maatregel niet is voldaan.

Conclusie en gevolgen

11. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep ongegrond;

- wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. W.A. Berghuis, rechter, in aanwezigheid van mr. E. Mulder, griffier.

De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

24 augustus 2026

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.

Zittende Magistratuur

Rechter

  • mr. W.A. Berghuis

Griffier

  • mr. E. Mulder

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand