RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de voorzieningenrechter in de zaak tussen
[verzoeker] , V-nummer: [V-nummer] , verzoeker
de minister van Asiel en Migratie, de minister
Samenvatting
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.42525
(gemachtigde: mr. R.W.J.L. Loonen),
en
(gemachtigde: mr. J.G.R. Becker).
1. Deze uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening gaat over de afwijzing voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd met als verblijfsdoel ‘familie en gezin’. Verzoeker is het hier niet mee eens. Hij verzoekt daarom om een voorlopige voorziening en voert daartoe een aantal gronden aan. Hij heeft daartegen ook beroep ingesteld.
De voorzieningenrechter wijst in deze uitspraak het verzoek af. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. Verzoeker heeft een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd met als verblijfsdoel ‘familie en gezin’. De minister heeft deze aanvraag met het besluit van 15 januari 2025 afgewezen. Met het bestreden besluit van 28 juli 2025 op het bezwaar van verzoeker is de minister bij de afwijzing van de aanvraag gebleven. Verzoeker heeft hiertegen beroep ingesteld en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen.
3. De voorzieningenrechter heeft het verzoek, samen met de behandeling van het beroep (NL25.40010) op 27 februari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: verzoeker, de gemachtigde van verzoeker, A. Harain als tolk en de gemachtigde van de minister.
4. Het beroep is op de zitting aangehouden vanwege de indiening van twee arrestatiebevelen door eiser in zijn aanvullende gronden van 25 februari 2026. De minister is in de gelegenheid gesteld hier schriftelijk op te reageren, waarna eiser de mogelijkheid kreeg om daarop schriftelijk te reageren. In deze schriftelijke reacties voegde eiser nog twee producties toe, waarop de rechtbank de minister nogmaals in de gelegenheid heeft gesteld om schriftelijk te reageren. Na ontvangst van deze reactie zijn partijen per brief van 22 april 2026 gevraagd of zij nog mondeling willen worden gehoord. Omdat beide partijen niet hebben gereageerd, heeft de rechtbank afgezien van een nadere zitting en het onderzoek gesloten.
Beoordeling door de voorzieningenrechter
5. Bij uitspraak van vandaag, zaaknummer NL25.40010, heeft de rechtbank uitspraak gedaan op het beroep. Een voorlopige voorziening is daarom niet meer nodig. De voorzieningenrechter wijst het verzoek om die reden af.
Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.G.M. van Veen, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. M.M. Tank, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
19 augustus 2026
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.