ECLI:NL:RBDHA:2026:25087

ECLI:NL:RBDHA:2026:25087

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 01-09-2026
Datum publicatie 01-09-2026
Zaaknummer NL25.45988
Rechtsgebied Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Den Haag

Samenvatting

Asiel - Al Shabaab - Gegrond wegens strijd met de artikel 3:2 en 3:46 van de Awb.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam], eiser,

de minister van Asiel en Migratie,

Samenvatting

Zittingsplaats Groningen

Bestuursrecht

zaaknummer: NL25.45988

geboren op [datum],

van Somalische nationaliteit,

V-nummer: [nummer],

(gemachtigde: mr. P.A.J. Mulders),

en

(gemachtigde: mr. K. Nunninga).

1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de asielaanvraag van eiser als bedoeld in artikel 28 van de Vw.

De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de afwijzing van de asielaanvraag niet in stand kan blijven. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Eiser heeft op 19 november 2022 een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend.

De minister had deze aanvraag bij besluit van 7 mei 2024 afgewezen als ongegrond. Eiser had beroep ingesteld tegen het besluit van 7 mei 2024, maar voorafgaand aan de zitting heeft de minister dat besluit ingetrokken. Bij uitspraak van 20 december 2024 heeft deze rechtbank, zittingsplaats Zwolle, voor zover hier van belang, het beroep gegrond verklaard, aangegeven dat het besluit niet hoeft te worden vernietigd omdat het al is ingetrokken en de minister opgedragen binnen zes weken opnieuw te beslissen op de asielaanvraag van eiser.

De minister heeft eiser op 4 juni 2025 aanvullend gehoord en op 15 juli 2025 een voornemen vastgesteld. Met het bestreden besluit van 26 augustus 2025 heeft de minister eisers asielaanvraag afgewezen als ongegrond. Ook is aan eiser geen verblijfsvergunning regulier of uitstel van vertrek om medische redenen verleend. Eiser is verder aangezegd binnen 4 weken terug te keren naar Somalië.

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.

De minister heeft een verweerschrift ingediend.

De rechtbank heeft het beroep op 31 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, bijgestaan door een tolk, de waarnemer van eisers gemachtigde en de gemachtigde van de minister. De rechtbank heeft het onderzoek op de zitting gesloten.

Beoordeling door de rechtbank

Het asielrelaas

Eiser legt aan zijn asielaanvraag het volgende ten grondslag. Eiser en zijn zoon [Naam zoon] waren korandocent en Al Shabaab heeft eiser benaderd met de eis dat hij de kinderen op zijn koranschool les zou gaan geven over hun ideologie. Eiser heeft ook aangegeven dat zowel hijzelf als zijn zoon [Naam zoon] dat hebben geweigerd. Als gevolg daarvan is eisers zoon [Naam zoon] door Al Shabaab ontvoerd. Diezelfde dag kwamen mannen van Al Shabaab bij de koranschool langs om van eiser te eisen dat hij de kinderen aan hen zou meegeven. Toen eiser dat weigerde, werd hij zelf ook ontvoerd door Al Shabaab. Eiser heeft toen een maand lang gevangen gezeten. Hierna moest hij voor drie mannen van Al Shabaab komen, waarna zij eiser ter dood veroordeelden. Vervolgens is eiser teruggebracht naar zijn cel, waar hij wederom een maand lang vastzat totdat hij bevrijd werd door een Somalische soldaat. Eiser is vervolgens naar zijn zus in Beledweyne gegaan, waar zijn kleinzoon ook was. Na een maand hebben eiser en zijn kleinzoon Somalië verlaten.

Het bestreden besluit

3. Het asielrelaas van eiser bevat volgens de minister de volgende asielmotieven:

1. Identiteit, nationaliteit en herkomst;

2. Ontvoering, gevangenschap en terdoodveroordeling door Al Shabaab.

De minister vindt asielmotief 1 geloofwaardig, maar asielmotief 2, de ontvoering, gevangenschap en terdoodveroordeling door Al Shabaab niet geloofwaardig. Volgens de minister heeft eiser zijn verklaringen niet onderbouwd met objectieve documenten die dit asielmotief volledig onderbouwen en vormen zijn verklaringen geen samenhangend en aannemelijk geheel.

De minister stelt zich verder op het standpunt dat eiser afkomstig is uit een gebied waar Al Shabaab aan de macht is. De minister neemt evenwel aan dat er voor eiser in Somalië een vestigingsalternatief is, te weten in Beledweyne. De minister ziet geen aanknopingspunten voor de conclusie dat eiser vluchteling is of dat er sprake is van gegronde vrees voor ernstige schade bij terugkeer naar Somalië en wijst eisers asielaanvraag af als ongegrond.

Heeft de minister het tweede asielmotief ongeloofwaardig mogen achten?

4. Eiser voert aan dat het gehoor onzorgvuldig is geweest en dat dit heeft doorgewerkt in het standpunt van de minister. Voor zover de minister vindt dat eisers verklaringen over Al Shabaab te summier zijn, had het op de weg van de minister gelegen hierop tijdens het gehoor door te vragen. Eiser heeft antwoord gegeven op alle vragen die hem gesteld zijn. Hij komt bovendien uit een geheel andere cultuur. De minister heeft daarmee en ook met de andere omstandigheden in het referentiekader van eiser ten onrechte geen rekening gehouden. Verder heeft eiser erop gewezen dat hij tijdens het nader gehoor en het aanvullend gehoor meerdere malen heeft verklaard dat hij tegen de ideologie van Al Shabaab is en dat hij deze ideologie niet onder de kinderen van de koranschool wilde verspreiden. Toen Al Shabaab de kinderen wilde meenemen kon eiser aangeven dat hij hiervoor geen toestemming van de ouders had.

Deze beroepsgrond slaagt. De rechtbank is van oordeel dat het aanvullend gehoor van eiser niet zorgvuldig is verlopen. De rechtbank volgt eiser in zijn grond dat de minister, waar hij vindt dat de verklaringen van eiser over Al Shabaab te summier waren, tijdens het aanvullend gehoor had moeten doorvragen. Op pagina 5 van het aanvullend gehoor zijn hier maar drie vragen over gesteld, waarbij de rechtbank zich bovendien afvraagt wat eiser hierover nog meer had kunnen en moeten verklaren. Eiser geeft duidelijk aan dat de ideologie van Al Shabaab tegen zijn geloof is, omdat je, als je dat accepteert, ook het doden van anderen rechtvaardigt en dat wilde eiser niet. Ook zegt hij dat het juiste geloof zoals hij dat gelooft, een geloof van vrede is. Als de minister daar meer over had willen weten, dan had de gehoormedewerker tijdens het gehoor door moeten vragen.

Verder vindt de rechtbank met eiser het deel van de motivering van de minister dat eiser wordt tegengeworpen dat hij enerzijds heeft verklaard dat hij weigert de ideologie van Al Shabaab te verspreiden omdat hij niet wilde dat de kinderen iets werd wijsgemaakt en anderzijds dat hij de kinderen niet aan Al Shabaab wilde meegeven omdat hij geen toestemming van de ouders had en dat dit laatste zou impliceren dat als hij de toestemming wel had gehad, hij de kinderen gewoon had meegeven, niet deugdelijk. Dat eiser, zoals de minister aangeeft, ze alleen niet mee wilde geven omdat hij geen toestemming van de ouders had, leest de rechtbank niet terug in het relaas van eiser.

De rechtbank kan ook het standpunt van de minister over het gedrag dat eiser zou hebben vertoond nadat hij te horen kreeg dat zijn zoon was ontvoerd door Al Shabaab, niet volgen. Eiser heeft inderdaad verklaard dat hij de koranschool binnen is gegaan en verder ging met lesgeven (pagina 6 van het aanvullend gehoor). Hij zegt echter ook dat er maar een korte tijd was tussen het moment waarop eiser op school was en het moment waarop Al Shabaab terugkwam, dat hij in die korte tijd niets kon doen om zijn zoon terug te vinden, dat hij de verantwoordelijkheid had over de kinderen en ze niet zomaar weg kon sturen en dat, voordat hij daarover een besluit had genomen, Al Shabaab alweer terug was. De minister heeft dit laatste onvoldoende betrokken in zijn oordeelsvorming.

De rechtbank acht ook de tegenwerpingen van de minister dat Al Shabaab de kinderen niet heeft mee genomen en dat eisers verklaringen over wat hij na zijn vrijlating zag summier zijn, niet zorgvuldig tot stand gekomen en deugdelijk. De minister had ook op die onderdelen kunnen en moeten doorvragen.

5. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat het aanvullend gehoor niet zorgvuldig tot stand is gekomen, omdat de gehoormedewerker had moeten doorvragen en dat op cruciale onderdelen niet heeft gedaan. Het standpunt van de minister dat asielmotief 2 niet geloofwaardig is, is om die reden niet zorgvuldig tot stand gekomen en, mede gelet op het voorgaande, niet deugdelijk gemotiveerd.

Conclusie en gevolgen

6. Gelet op het voorgaande is het beroep gegrond wegens strijd met de artikel 3:2 en 3:46 van de Awb. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit.

De rechtbank ziet in het gebrek en omdat de uitkomst van de geloofwaardigheidsbeoordeling nog ongewis is, aanleiding om de overige beroepsgronden niet te beoordelen.

De minister dient eiser opnieuw te horen en een nieuwe geloofwaardigheidsbeoordeling te verrichten, met inachtneming van deze uitspraak. Vervolgens dient de minister een nieuw besluit te nemen. De rechtbank geeft de minister zes weken om opnieuw te beslissen.

7. De rechtbank veroordeelt de minister in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.868,- (1 punt voor het indienen van een beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 934,-).

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep ongegrond;

- vernietigt het besluit van 26 augustus 2025;

- draagt de minister op binnen zes weken na de bekendmaking van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op de asielaanvraag van eiser, met inachtneming van deze uitspraak;

- veroordeelt de minister in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.868,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. N.M. van Waterschoot, rechter, in aanwezigheid van mr. Y. van Wijk, griffier en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.

Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 4 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Zittende Magistratuur

Rechter

  • mr. N.M. van Waterschoot

Griffier

  • mr. Y. van Wijk

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand