RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[naam], eiser,
de minister van Asiel en Migratie,
Samenvatting
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.45337
V-nummer: [nummer],
(gemachtigde: mr. H. Postma),
en
(gemachtigde: mr. K. Nuninga).
1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de asielaanvraag van eiser als bedoeld in artikel 28 van de Vw.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de afwijzing van de asielaanvraag niet in stand kan blijven. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. Eiser heeft op 1 mei 2023 een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. De minister heeft met het bestreden besluit van 22 augustus 2025, mede onder verwijzing naar het voornemen van 17 maart 2025, deze aanvraag afgewezen als ongegrond. Ook zijn aan eiser geen andere verblijfsvergunningen verleend.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Eiser heeft op 31 oktober 2025 en 20 maart 2026 beroepsgronden ingediend en op 25 februari 2026 een schrijven van Vluchtelingenwerk.
De minister heeft op 23 maart 2026 een verweerschrift ingediend.
De rechtbank heeft het beroep op 31 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, bijgestaan door een tolk, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de minister. De rechtbank heeft het onderzoek op zitting gesloten.
Beoordeling door de rechtbank
Het asielrelaas
3. Eiser legt aan zijn asielaanvraag het volgende ten grondslag. Eiser is tijdens het samen met zijn tweelingbroer verkopen van zoetigheden op straat, driemaal benaderd door een man genaamd Kamal. De derde keer dwong [Naam 2] eiser om mee te gaan naar een locatie van Al-Shabaab. Daar zou eiser trainingen moeten volgen en hij zou mee moeten doen aan de gewapende strijd. Eiser mocht toen nog één week bij zijn moeder blijven. Vervolgens is eiser met zijn familie naar Mogadishu gevlucht en is daarna alleen Somalië ontvlucht. Bij terugkeer vreest eiser opnieuw voor Al-Shabaab.
Het bestreden besluit
4. Het asielrelaas van eiser bevat volgens de minister de volgende asielmotieven:
1. Identiteit, nationaliteit en herkomst;
2. Problemen met Al-Shabaab.
De minister vindt asielmotief 1, eisers identiteit, nationaliteit en herkomst, geloofwaardig: Eiser is van Somalische nationaliteit, behoort tot de Duruqbo en is afkomstig uit Lafoole. Hoewel aanvankelijk door de minister ten aanzien van eisers geboortedatum een voorbehoud was gemaakt, heeft de minister ter zitting bevestigd dat de geboortedatum van eiser is vastgesteld op 25 maart 2008.
De minister vindt asielmotief 2, eisers problemen met Al-Shabaab, ongeloofwaardig: De minister vindt dat eiser zijn verklaringen niet heeft onderbouwd met objectieve documenten die dit asielmotief volledig onderbouwen en dat eisers verklaringen geen samenhangend en aannemelijk geheel vormen (voorwaarde c van artikel 31, zesde lid, van de Vw). De minister stelt zich op het standpunt dat eisers verklaringen over Al-Shabaab niet rijmen met openbare informatie en eisers verklaringen op meerdere punten inconsistent, tegenstrijdig en ongerijmd zijn.
De minister ziet geen aanknopingspunten voor gegronde vrees voor vervolging. Dat eiser uit Somalië komt, is op zichzelf niet genoeg om als vluchteling te worden aangemerkt. Verder loopt eiser volgens de minister bij terugkeer naar Somalië geen reëel risico op ernstige schade. Hierbij is van belang dat asielmotief 2 ongeloofwaardig is gevonden. De minister stelt zich verder op het standpunt dat eiser, nu hij terug moet naar Lafoole, geen risico loopt op willekeurig geweld. Volgens de minister heeft de overheid de macht in Lafoole en hoeft eiser niet te reizen door gebied dat onder macht of controle van Al-Shabaab staat. Volgens de minister kan eiser vanuit Mogadishu naar Lafoole reizen en is dat hele gebied onder controle van de overheid.
De minister wijst de asielaanvraag af als ongegrond.
5. De minister besluit verder, voor zover hier van belang, dat eiser geen reguliere verblijfsvergunning op humanitaire gronden krijgt, omdat eiser niet voldoet aan de voorwaarden.
Ook krijgt eiser geen reguliere verblijfsvergunning op grond van artikel 8 van het EVRM. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat er sprake is van hechte persoonlijke banden met zijn tante [naam 3] en zijn andere tantes die in Nederland wonen. In het bestreden besluit heeft de minister zijn eerder ingenomen standpunt dat eiser niet samenwoont met zijn tante [naam 3], verlaten. De minister blijft echter bij zijn standpunt dat eiser niet heeft onderbouwd dat zijn tante [naam 3] noch zijn andere tantes hem financieel en emotioneel ondersteunen.
Eiser krijgt ook geen reguliere verblijfsvergunning op grond van het buitenschuldbeleid voor AMV, omdat het onderzoek in dat verband nog niet is afgerond.
Beroepsgrond met betrekking tot Werkinstructie (WI) 2024/6
5. Over eisers beroepsgrond over de geloofwaardigheidsbeoordeling en WI 2024/6 oordeelt de rechtbank eerst het volgende. De meervoudige kamer van deze rechtbank heeft op 8 augustus 2025 uitspraak gedaan over de nieuwe werkwijze van de minister voor de geloofwaardigheidsbeoordeling. Uit deze uitspraak volgt, kort samengevat, dat de minister niet steeds zonder meer tot de conclusie kan komen dat een asielmotief niet geloofwaardig is als aan één of meerdere van de cumulatieve voorwaarden niet wordt voldaan. De minister dient duidelijk te maken of en aan welke van de cumulatieve voorwaarden is voldaan en moet ook duidelijk maken of er niet aan is voldaan. De rechtbank heeft verder ook overwogen dat het voordeel van de twijfel aan het einde van de beoordeling van het asielrelaas dient te worden onderzocht. De minister dient aan het einde van de beoordeling van het asielrelaas derhalve nog een integrale beoordeling te maken, waarin beoordeeld kan worden of alles overziende de vreemdeling het voordeel van de twijfel moet worden gegund en geconcludeerd kan worden dat het asielrelaas als geheel geloofwaardig is.
De rechtbank stelt vast dat de minister in het bestreden besluit heeft aangegeven dat de beoordeling plaatsvindt volgens WI 2024/6. Aan eiser is voorwaarde c van artikel 31, zesde lid, Vw tegengeworpen. Uit het besluit blijkt echter niet of en aan welke van de overige voorwaarden (a, b, d en e) is voldaan en welke invloed dat heeft gehad in de geloofwaardigheidsbeoordeling. Uit de motivering blijkt ook niet dat de minister na afloop van de beoordeling van de vijf cumulatieve voorwaarden uit artikel 31, zesde lid, van de Vw ‘onder de streep’ nog eens naar het geheel heeft gekeken en heeft beoordeeld of alle feiten en omstandigheden bij elkaar genomen toch niet maken dat het voordeel van de twijfel moet worden gegund en het asielrelaas van eiser geloofwaardig zou moeten worden geacht. Omdat deze afweging ontbreekt, is onduidelijk hoe de minister tot zijn eindconclusie over de ongeloofwaardigheid is gekomen. De minister heeft op zitting desgevraagd aangegeven dat de voorwaarden a, b, d en e niet aan eiser zijn tegengeworpen, maar heeft naar het oordeel van de rechtbank niet inzichtelijk gemaakt op welke wijze onder aan de streep een integrale beoordeling, inclusief een beoordeling van het voordeel van de twijfel, is verricht.
Derhalve slaagt deze beroepsgrond. Dit leidt tot de conclusie dat het bestreden besluit onvoldoende is gemotiveerd en in strijd is met artikel 3:46 Awb. Het beroep is al daarom gegrond.
Beroepsgrond over eisers referentiekader
6. Eiser voert aan dat de minister heeft nagelaten het referentiekader van eiser kenbaar, inzichtelijk en inhoudelijk te betrekken bij de geloofwaardigheidsbeoordeling. De minister heeft volgens eiser niet op juiste wijze onderkend welke informatie en welke verklaringen van hem verwacht mogen worden ten tijde van het nader gehoor. Eiser heeft daarbij gewezen op informatie van de Hersenstichting over de invloed van hormonen op het puberbrein. De verwijzing in het bestreden besluit naar het horen van eiser door een bevoegde medewerker en het inlassen van pauzes en gebruik van kindvriendelijke taal, ondervangt niet het gebrek in de toepassing van het referentiekader op de beoordeling. Voor zover de minister meent dat eiser als kind weliswaar niet gedetailleerd hoeft te vertellen maar wel volledig consistent, heeft de minister dit standpunt niet met objectieve informatie onderbouwd, aldus eiser.
Deze beroepsgrond slaagt niet. De rechtbank stelt vast dat de minister op pagina 3 van het voornemen en op pagina 4 en 5 van het bestreden besluit het referentiekader heeft beschreven. De rechtbank acht deze beschrijving zorgvuldig en deugdelijk. De rechtbank volgt eveneens de nadere toelichting van de minister op pagina 1 en 2 van het verweerschrift en is met de minister van oordeel dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat tijdens het gehoor dan wel in de besluitvorming ten onrechte geen rekening is gehouden met het referentiekader. De minister heeft van eiser mogen verwachten dat hij voldoende kan verklaren, omdat eiser tijdens het nader gehoor al 16 jaar was en er slechts één jaar zat tussen het moment dat eiser door Al-Shabaab zou zijn benaderd en de verklaringen tijdens het nader gehoor. Eiser wordt bovendien niet kwalijk genomen dat hij geen exacte tijdsaanduiding kan geven. De minister heeft dan ook van eiser mogen verwachten dat hij, ondanks zijn minderjarigheid en culturele wereldbeeld, consistent en niet-tegenstrijdig kan verklaren over wat hem is overkomen is met Al-Shabaab. De verwijzing van eiser naar de informatie van de hersenstichting maakt dit niet anders.
Heeft de minister asielmotief 2: de problemen met Al-Shabaab ongeloofwaardig mogen achten?
7. De beroepsgrond van eiser dat de minister zich ten onrechte, althans onvoldoende gemotiveerd, op het standpunt stelt dat eisers verklaringen over Al-Shabaab niet rijmen met openbare informatie, slaagt.
De minister heeft zijn standpunt dat niet geloofwaardig is dat Al-Shabaab destijds geen macht had in Lafoole, niet deugdelijk gemotiveerd. De enkele verwijzing van de minister naar een rapport van de EUAA uit 2023, dat betrekking heeft op de periode van 1 juli 2021 tot 30 november 2022, en waaruit blijkt dat Al-Shabaab niet in het gebied tussen Mogadishu en Afgooye, alwaar ook Lafoole is gelegen, aanwezig was, acht de rechtbank niet zorgvuldig en niet deugdelijk. Eiser heeft er terecht op gewezen dat zijn problemen met Al-Shabaab van latere datum waren, namelijk vanaf april 2023. Uit landeninformatie van latere datum blijkt dat hoewel grotere steden als Afgooye en Mogadishu niet onder controle van Al-Shabaab staan, dit niet geldt voor de landelijke gebieden (de zogenoemde ‘rural surroundings). De rechtbank stelt met eiser vast dat Lafoole is gelegen in zo’n rural surrounding. Verder volgt uit het Country Guidance-rapport van de EUAA van oktober 2025 dat in de regio Lower Shabelle, waarin Lafoole is gelegen, Al-Shabaab aanwezig is. Eiser wijst ook terecht op pagina 26, waaruit blijkt dat Al-Shabaab meer controle heeft over landelijke gebieden, waaronder gebieden dichtbij Mogadishu. Tot slot heeft eiser verwezen naar een nieuwsbericht van 15 maart 2025, waaruit kan worden afgeleid dat Al-Shabaab wel aanwezig is in Lafoole. Dit alles betekent dat eiser voldoende met stukken heeft onderbouwd dat in de periode na 2022 er zich feitelijke ontwikkelingen hebben voorgedaan die wijzen op aanwezigheid en macht van Al-Shabaab in het gebied waar eiser vandaan komt. Deze ontwikkelingen zouden zich ook al in 2023 hebben kunnen voorgedaan, als gevolg waarvan het relaas van eiser mogelijk anders zou moeten worden beoordeeld. De minister heeft dit ten onrechte niet onderkend en dient hier naar het oordeel van de rechtbank nader onderzoek naar te verrichten.
De rechtbank is gezien het voorgaande van oordeel dat de minister zich al daarom niet op het standpunt heeft kunnen stellen dat asielmotief 2 ongeloofwaardig is. Het vastgestelde motiveringsgebrek heeft bovendien kunnen doorwerken in het standpunt van de minister dat bepaalde verklaringen van eiser inconsistent, tegenstrijdig en ongerijmd zijn. Mede gelet op wat onder rechtsoverweging 6 is overwogen, zal de minister eerst een nieuwe zorgvuldige en integrale geloofwaardigheidsbeoordeling moeten verrichten met inachtneming van wat hiervoor is overwogen.
Omdat de uitkomst van de nieuwe geloofwaardigheidsbeoordeling nog ongewis is en mogelijk doorwerkt in de (ex nunc) beoordeling van de zwaarwegendheid, ziet de rechtbank geen aanleiding om in deze uitspraak de beroepsgronden over de zwaarwegendheid te beoordelen.
8. De rechtbank zal het bestreden besluit voor zover daarbij de asielaanvraag van eiser is afgewezen als ongegrond, vernietigen.
Beroepsgrond over de niet verleende verblijfsvergunning regulier op grond van artikel 8 van het EVRM en de belangen van het kind
9. Ook deze beroepsgrond slaagt. De rechtbank is van oordeel dat de minister in het bestreden besluit niet deugdelijk heeft gemotiveerd dat er geen feiten en omstandigheden zijn waaronder aan eiser een verblijfsvergunning regulier op grond van artikel 8 van het EVRM had kunnen worden verleend. De minister heeft naar het oordeel van de rechtbank niet deugdelijk gemotiveerd dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat er geen sprake is van een hechte persoonlijke band tussen eiser en zijn tante [naam 3] die de gebruikelijke omgang overstijgt. De minister heeft immers niet kenbaar meegewogen dat eiser ten tijde van de besluitvorming minderjarig was, zonder zijn ouders in Nederland is en bij zijn tante [naam 3] woont. Uit deze feiten en omstandigheden mag naar het oordeel van de rechtbank bovendien worden aangenomen dat eiser door zijn tante emotioneel en financieel wordt ondersteund. De minister is in dit verband eveneens zonder kenbare en deugdelijke onderbouwing voorbijgegaan aan de brief van eisers voogd van 25 april 2025. Deze beslissing kan dan ook evenmin in stand blijven.
11. Nu uit al de voorgaande overwegingen blijkt dat de uitkomst van de opnieuw te verrichten geloofwaardigheidsbeoordeling door de minister en de vervolgens te verrichten beoordeling in het kader van de zwaarwegendheid nog ongewis is, zal de minister ook opnieuw op kenbare en deugdelijke wijze een standpunt moeten innemen over het betrekken en wegen van de belangen van het kind in de besluitvorming. Datzelfde geldt voor de (andere) beslissingen aangaande verblijfsvergunningen regulier, omdat de niet zorgvuldige en deugdelijke motivering van de minister kan hebben doorgewerkt in deze beslissingen.
Conclusie en gevolgen
12. Het beroep is gegrond. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit als geheel.
De minister dient opnieuw op de asielaanvraag van eiser te beslissen en opnieuw beslissingen te nemen over de verblijfsvergunningen regulier, met inachtneming van wat in deze uitspraak is overwogen. De rechtbank geeft de minister hiervoor zes weken na de dag van bekendmaking van deze uitspraak.
13. Omdat het beroep gegrond is, krijgt eiser een vergoeding van zijn proceskosten. De minister moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.868,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 1).
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit;
- draagt de minister op binnen zes weken na de dag van bekendmaking van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op de asielaanvraag, waarbij rekening wordt gehouden met deze uitspraak;
- veroordeelt de minister tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan eiser.
Deze uitspraak is gedaan door mr. N.M. van Waterschoot, rechter, in aanwezigheid van mr. Y. van Wijk, griffier en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 4 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.