ECLI:NL:RBDHA:2026:25092

ECLI:NL:RBDHA:2026:25092

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 01-09-2026
Datum publicatie 01-09-2026
Zaaknummer NL26.2336
Rechtsgebied Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Den Haag

Samenvatting

Asiel - Somalie - ongegrond

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam], eiser,

de minister van Asiel en Migratie,

Samenvatting

Zittingsplaats Groningen

Bestuursrecht

zaaknummer: NL26.2336

V-nummer: [nummer],

(gemachtigde: mr. V.L. van Wieringen),

en

(gemachtigde: mr. K. Nuninga).

1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de asielaanvraag van eiser als bedoeld in artikel 28 van de Vw.

De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de afwijzing van de asielaanvraag in stand kan blijven. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Eiser heeft op 17 augustus 2023 een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. De minister heeft deze aanvraag met het bestreden besluit van 12 januari 2026, mede onder verwijzing naar het voornemen van 9 december 2025, afgewezen als kennelijk ongegrond. Ook is geen verblijfsvergunning regulier of uitstel van vertrek om medische redenen verleend. Verder is aan eiser een terugkeerbesluit, waarin eiser is aangezegd onmiddellijk terug te keren naar Jemen/Somalië, en een inreisverbod opgelegd.

Eiser heeft op 14 januari 2026 beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.

De minister heeft op 24 maart 2026 een aanvullend besluit genomen met betrekking tot artikel 64 van de Vw. Vanwege de door eiser in de onderhavige beroepsprocedure overgelegde medische stukken van 23 januari en 9 maart 2026, heeft de minister dit verzoek toegewezen en aan eiser voorlopig uitstel van vertrek verleend voor de duur van zes maanden. Daarbij heeft de minister het aan eiser opgelegde terugkeerbesluit en inreisverbod ingetrokken en aangegeven de al afgewezen asielaanvraag te handhaven.

Eiser handhaaft het onderhavige beroep tegen het bestreden besluit van 12 januari 2026. Eiser voert aan dat zijn asielaanvraag ten onrechte is afgewezen als kennelijk ongegrond en dat het in dat besluit genomen terugkeerbesluit en inreisverbod ten onrechte waren opgelegd.

De rechtbank heeft het beroep op 31 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, bijgestaan door een tolk, eisers gemachtigde en de gemachtigde van de minister. De rechtbank heeft het onderzoek op de zitting gesloten.

Eiser heeft zijn verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening met zaaknummer NL26.2337 op zitting ingetrokken.

Beoordeling door de rechtbank

Het asielrelaas

3. Eiser legt aan zijn asielaanvraag het volgende ten grondslag. Eiser heeft verklaard dat hij de Somalische nationaliteit heeft en dat hij net als zijn vader tot de Gabooy, Tumaal behoort. Eiser is wegens zijn stamafkomst gediscrimineerd. Zijn moeder behoorde tot de Majerteen stam. De stam waar eisers vader toe behoorde, is een minderheidsstam. Zijn vader en moeder hadden geen toestemming om met elkaar te trouwen. Eisers moeder is om die reden meermaals mishandeld en zijn vader is meerdere malen gevangengezet en na twee ontsnappingspogingen overleden. Toen eisers moeder hier aangifte van wilde doen zijn eiser en zijn moeder mishandeld en weggestuurd. Eisers moeder heeft vervolgens samen met eiser een journalist benaderd waar hij en zijn moeder hun verhaal hebben gedaan. De journalist heeft dit verhaal gepost op Facebook, waarna eiser ook in de gevangenis is gezet. Eiser is in de gevangenis mishandeld en hij is na de tweede ontsnappingspoging Somalië ontvlucht. Bij terugkeer vreest eiser dat hij weer gevangen wordt genomen en wordt vermoord.

Het bestreden besluit

4. Het asielrelaas van eiser bevat volgens de minister de volgende asielmotieven:

1. Identiteit, nationaliteit en herkomst;

2. Discriminatie wegens stamafkomst;

3. Problemen wegens stamafkomst.

De minister vindt eisers gestelde identiteit, nationaliteit en herkomst ongeloofwaardig. Volgens de minister heeft eiser zijn verklaringen niet onderbouwd met objectieve documenten die dit asielmotief volledig onderbouwen en vormen eisers verklaringen geen samenhangend en aannemelijk geheel. De minister stelt zich op het standpunt dat eiser summier heeft verklaard over zijn stamafkomst en dat eiser in grote lijnen niet als geloofwaardig wordt beschouwd, omdat zijn verklaringen tegenstrijdig zijn met zijn verklaringen tijdens de asielprocedure in Griekenland. Eiser heeft in Griekenland verklaard dat hij in Jemen is geboren, dat zijn vader de Jemenitische nationaliteit had en zijn moeder de Somalische nationaliteit heeft, dat eiser nooit in Somalië is geweest en dat zijn vader door de oorlog in Jemen is overleden toen eiser nog heel jong was. De minister heeft zich op het standpunt gesteld dat deze verklaringen tegenstrijdig zijn met wat eiser tijdens de onderhavige asielprocedure heeft verklaard. Ook heeft de minister eiser tegengeworpen dat hij wisselend heeft verklaard over de doodsoorzaak van zijn vader. De minister vindt de verschillen tussen de wisselende en tegenstrijdige verklaringen erg groot en hecht daar zwaar aan omdat deze de kern van eisers asielrelaas raken. De minister heeft zich verder op het standpunt gesteld dat eiser hiervoor geen goede verklaring heeft gegeven. Voorts kan eiser volgens de minister de kennis over de gestelde geboortedatum- en woonplaats in Somalië op andere wijze hebben opgedaan dan door eigen ervaring en zegt eisers relaas over Galkayo en het feit dat eiser Somalië spreekt, niets over zijn gestelde identiteit, nationaliteit en herkomst.

De minister heeft de asielmotieven 2 en 3 niet beoordeeld en wijst eisers asielaanvraag af als kennelijk ongegrond.

Heeft de minister eisers identiteit, nationaliteit en herkomst ongeloofwaardig kunnen achten?

5. De rechtbank is van oordeel dat de minister asielmotief 1: eisers identiteit, nationaliteit en herkomst ongeloofwaardig heeft mogen vinden en overweegt daartoe het volgende.

De rechtbank overweegt eerst dat eisers beroepsgronden inhoudelijk overeenkomen met wat eiser in de zienswijze in de besluitvormingsprocedure naar voren heeft gebracht. De rechtbank is van oordeel dat de minister hierover in het bestreden besluit een kenbare en deugdelijke motivering, zoals in deze uitspraak samengevat weergegeven onder 4.1, heeft gegeven.

De minister heeft naar het oordeel van de rechtbank terecht aangenomen dat eiser geen documenten over zijn identiteit heeft overgelegd en dat hem dit kan worden tegengeworpen. Het betoog van eiser dat het onmogelijk is om documenten uit Somalië over te leggen, is niet deugdelijk onderbouwd en slaagt niet.

De minister heeft eiser mogen tegenwerpen dat hij summier heeft verklaard over zijn stamafkomst en dat van eiser in dit verband meer mag worden verwacht omdat zijn gestelde problemen hieruit voortvloeien. De minister heeft zich ook op het standpunt kunnen stellen dat de summiere verklaringen van eiser over de etnische afkomst van zijn vader extra zwaar meewegen, omdat eiser hierover tijdens zijn asielaanvraag in Griekenland anders heeft verklaard. Eiser heeft hiervoor geen aannemelijke verklaring gegeven. In eisers stelling dat hij in Griekenland niet de waarheid heeft verteld om refoulement via Turkije te voorkomen, ligt geen deugdelijke verklaring voor de veelheid aan tegenstrijdigheden. Het enkele feit dat eiser al meteen in Nederland heeft aangegeven in Griekenland onwaarheden te hebben verteld en het feit dat hij in Griekenland over het behoren tot een bepaalde groep wel het juiste heeft aangegeven, maakt niet dat er geen sprake is van tegenstrijdigheden dan wel dat de minister om die redenen van de geloofwaardigheid van eisers relaas in Nederland dient uit te gaan. De minister heeft zich dan ook op het standpunt kunnen stellen dat eiser de minister hiermee heeft willen misleiden.

Eisers betoog dat hij concreet en consistent heeft verklaard over de gestelde woonomgeving in Somalië en dat uit een taalindicatie is gebleken dat hij Somali spreekt, treft geen doel. De minister heeft zich deugdelijk op het standpunt gesteld dat uit het feit dat eiser Somalisch spreekt, niet zonder meer volgt dat eiser de Somalische nationaliteit heeft. Op pagina 4 van het bestreden besluit geeft de minister met een bronverwijzing aan dat er ongeveer 3 miljoen personen in Jemen Somalisch spreken. Eiser heeft dit niet weerlegd. Om die reden acht de rechtbank een nadere taalanalyse niet aangewezen en wijst dit verzoek van eiser dan ook af. Verder wordt asielmotief 1 ook niet zonder meer geloofwaardig doordat eiser kennis heeft van de gestelde woonomgeving en van het kastensysteem. Zoals de minister terecht aangeeft, kan eiser deze kennis anders dan door ervaring hebben opgedaan.

6. De rechtbank is gelet op het voorgaande dan ook van oordeel dat de minister asielmotief 1 ongeloofwaardig heeft mogen vinden en zich op het standpunt heeft mogen stellen dat eiser de minister heeft misleid. De minister heeft eisers aanvraag terecht afgewezen als kennelijk ongegrond.

Het voorgaande leidt eveneens tot de conclusie dat de minister terecht en op geode gronden aan eiser een terugkeerbesluit en inreisverbod had opgelegd.

Conclusie en gevolgen

7. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit, voor zover daarin eisers asielaanvraag is afgewezen en aan eiser geen verblijfsvergunning regulier is verleend, in stand blijft. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. N.M. van Waterschoot, rechter, in aanwezigheid van mr. Y. van Wijk, griffier, en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.

Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Zittende Magistratuur

Rechter

  • mr. N.M. van Waterschoot

Griffier

  • mr. Y. van Wijk

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand