RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 2 september in de zaak tussen
[naam], eiseres,
de minister van Buitenlandse Zaken, de minister
Samenvatting
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: AWB 25/24052
geboren op [datum],
V-nummer: [nummer],
[naam] , eiser,
geboren op [datum],
V-nummer: [nummer],
beiden van Turkse nationaliteit
(gemachtigde: mr. S. de Vaal),
en
(gemachtigde: mr. B.J.W. Immink).
1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de visumaanvragen van eisers. Eisers beogen familiebezoek in Nederland. Zij zijn het niet eens met de afwijzing en hebben beroep ingesteld. De rechtbank beoordeelt dit beroep aan de hand van hun beroepsgronden.
De rechtbank oordeelt dat de afwijzing van de visumaanvragen in stand blijft. De minister heeft niet ten onrechte gesteld dat er redelijke twijfel bestaat dat eisers tijdig zullen terugkeren, omdat zij de sociale en economische binding met Turkije onvoldoende hebben onderbouwd. Hierna legt de rechtbank dit oordeel en de gevolgen uit.
Procesverloop
2. Eisers hebben op 9 april 2025 aanvragen ingediend voor een visum voor kort verblijf, voor familiebezoek bij [naam] (hierna: referent).
De minister heeft de visumaanvragen met de besluiten van 9 mei 2025 afgewezen. Met het bestreden besluit van 20 november 2025 op het bezwaar van eisers, is de minister bij de afwijzing van de aanvragen gebleven. Eisers hebben hiertegen beroep ingesteld.
De rechtbank heeft het beroep op 19 augustus 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eisers, een tolk en de gemachtigde van de minister. Ook waren de ouders van eiseres, waaronder referent, aanwezig. Het onderzoek is op zitting gesloten.
Beoordeling door de rechtbank
Waar gaat deze zaak over?
3. Eisers hebben visumaanvragen ingediend en beogen familiebezoek in Nederland. De familie van eisers woont in Nederland, waaronder de vader (referent), moeder en twee zussen van eiseres, alsook de vader en broer van eiser.
De minister heeft de visa geweigerd, omdat volgens hem het doel van de omstandigheden van het voorgenomen verblijf niet is aangetoond en er redelijke twijfel bestaat over het voornemen van eisers om het Schengengebied (tijdig) te verlaten. Daartoe heeft de minister gesteld dat sociale en economische binding van eisers met Turkije onvoldoende is aangetoond, dan wel gering is gebleken. De minister heeft dit in de besluitvorming nader gemotiveerd.
Eisers kunnen zich hier niet mee verenigen. De rechtbank gaat hierna in op wat namens hen is aangevoerd, voor zover dat van belang is voor deze zaak.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
Nieuwe stukken in beroep
4. Eisers hebben bij aanvullende gronden Immigrant visas overgelegd voor de Verenigde Staten (VS) en hebben gesteld dat eiseres daar gaat werken als verpleegkundige.
De rechtbank stelt voorop dat zij in reguliere zaken als deze ex tunc moet toetsen. Dat wil zeggen dat de rechtbank de rechtmatigheid van het besluit van 20 november 2025 moet toetsen aan de hand van de feiten en (aangevoerde) omstandigheden van dat moment. Feiten en omstandigheden ná de datum van het bestreden besluit, kunnen in beginsel niet bij de beoordeling van het besluit worden betrokken, omdat de minister dat ook niet kon betrekken bij zijn besluit. Nieuwe stukken kunnen alleen bij de beoordeling worden betrokken indien sprake is van onderbouwing van een eerder ingenomen standpunt.
De rechtbank overweegt dat eisers op zitting hebben aangevoerd dat de stukken zijn bedoeld als onderbouwing van het eerder ingenomen standpunt dat zij zich niet in Nederland zullen vestigen. De rechtbank betrekt de nieuwe stukken daarom wel in de beoordeling van het bestreden besluit, maar is van oordeel dat het eisers niet kan baten. Nog los van terechte opmerking van de minister op zitting dat het onduidelijk is of de ingebrachte stukken over VS echt zijn, tonen stukken over een visum en werk in de VS niet aan dat eisers sociale en economische binding hebben met Turkije. De aanvullende beroepsgrond slaagt daarom niet.
Sociale en economische binding
5. Eisers hebben in beroep aangevoerd dat de visumaanvragen ten onrechte zijn afgewezen, omdat zij wel sociale en economische binding hebben met Turkije. Zij zijn geboren en getogen in Turkije, hun sociale leven bevindt zich daar, zij hebben door hun huwelijk een wederzijdse zorgplicht en de moeder van eiser woont in Turkije. Ook zijn eisers beiden werkzaam in Turkije en hebben zij daar een eigen woning. Eiseres werkt als verpleegkundige en eiser als ICT’er bij een bank. Zij hebben geen vast dienstverband, omdat dit alleen is weggelegd voor ambtenaren in Turkije. Eisers hebben hun werk aangetoond met salarisspecificaties en bankafschriften.
De beroepsgrond slaagt niet. De rechtbank overweegt dat op grond van de Visumcode het aan de visumaanvrager is, om met documenten en informatie aannemelijk te maken dat wordt voldaan aan de voorwaarden voor visumverlening. Een visum wordt geweigerd, indien er redelijke twijfel bestaat over het voornemen van de aanvrager om het grondgebied van de lidstaten te verlaten vóór het verstrijken van de geldigheid van het verzochte visum.
Uit het arrest Koushkaki volgt, dat de autoriteiten bij het onderzoek van een visumaanvraag over een ruime beoordelingsruimte beschikken met betrekking tot de toepassingsvoorwaarden van (onder andere) artikel 32 van de Visumcode en de beoordeling van de relevante feiten, om te bepalen of één van de weigeringsgronden aan de aanvrager kan worden tegengeworpen. Dit betekent dat de rechtbank het standpunt van de minister dat zich een weigeringsgrond voordoet, alleen terughoudend kan toetsen.
De rechtbank is van oordeel dat de minister niet ten onrechte heeft gesteld dat niet gebleken is dat eisers een vorm van verantwoordelijkheid voor een eigen gezin dragen of een zorgplicht hebben voor andere familieleden. Eisers hebben dit niet betwist. De enkele stelling dat de moeder van eiser in Turkije woont, slaagt niet. Gesteld, noch gebleken is van een vorm van afhankelijkheid tussen de moeder van eiser en eisers. Evenmin is betwist dat niet gebleken is dat eisers een zwaarwegende maatschappelijke verplichting hebben. De gestelde wederzijdse zorgplicht tussen eisers maakt niet dat zij sociale binding hebben met Turkije, nu zij gezamenlijk om een visum hebben verzocht. Verder heeft de minister mogen betrekken dat een groot deel van de familie van eisers in Nederland woont.
De minister heeft verder niet ten onrechte gesteld dat onvoldoende is gebleken van economische binding. De minister heeft mogen tegenwerpen dat eisers niet hebben onderbouwd dat zij een (vast) dienstverband hebben. Eisers hebben namelijk geen arbeidsovereenkomsten overgelegd. De rechtbank volgt eisers niet in de stelling dat een vast dienstverband alleen is weggelegd voor Turkse ambtenaren, omdat zij dit evenmin hebben onderbouwd. Eisers hebben wel salarisspecificaties en bankafschriften overgelegd. De minister heeft hierover niet ten onrechte gesteld dat sprake zou kunnen zijn van enige economische binding, maar dat dit onvoldoende is in samenhang bezien met de overige omstandigheden. Tot slot heeft de minister niet ten onrechte gesteld dat de gestelde eigen woning van eisers in Turkije niet betekent dat zij economisch gebonden zijn, omdat zij deze woning kunnen verkopen of verhuren op afstand. Eisers hebben dit niet betwist.
De rechtbank concludeert dat de minister, de omstandigheden in samenhang bezien, in het bestreden besluit niet ten onrechte heeft gesteld dat redelijke twijfel bestaat dat eisers tijdig zullen terugkeren naar Turkije. De rechtbank begrijpt het emotionele betoog van de ouders van eiseres dat zij hun dochter 7 jaar niet hebben gezien en niet kunnen bezoeken in Turkije, maar de minister heeft aan eisers een visum mogen weigeren, omdat onvoldoende is gebleken van binding met Turkije als zij gezamenlijk naar Nederland komen. Dat betekent dat eisers een dergelijke binding met Turkije moeten onderbouwen, of dat zij hun familie buiten de Europese Unie en Turkije moeten bezoeken.
Afzien van hoorzitting
6. Tot slot hebben eisers aangevoerd dat de minister ten onrechte heeft afgezien van het horen in bezwaar.
Van horen mag alleen in uitzonderlijke gevallen worden afgezien. In dit geval heeft de minister eisers niet gehoord, omdat hij het bezwaar kennelijk ongegrond heeft geacht. Een bezwaar is kennelijk ongegrond als er op voorhand redelijkerwijs geen twijfel over mogelijk is dat het in bezwaar aangevoerde niet tot een ander standpunt kan leiden dan in het primaire besluit is vervat. Dit wordt beoordeeld aan de hand van de inhoud van het bezwaarschrift, in samenhang met de motivering van het eerste besluit.
Naar het oordeel van de rechtbank deed een dergelijke situatie zich hier voor en heeft de minister mogen afzien van het horen van eisers en referent. Eisers hebben in bezwaar namelijk geen andersluidende en nieuwe stukken ingediend ter onderbouwing van de sociale en economische binding met Turkije. De enkele stelling van eisers dat hierover tijdens een hoorzitting een toelichting gegeven had kunnen worden, had zonder bewijsstukken niet tot een ander oordeel kunnen leiden. De beroepsgrond slaagt daarom niet.
Conclusie en gevolgen
7 Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eisers ongelijk krijgen. De minister heeft hun visumaanvragen mogen afwijzen. Eisers krijgen daarom geen vergoeding van hun proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is op 2 september 2026 gedaan door mr. F. Sijens, rechter, in aanwezigheid van A.J. van Bruggen, griffier. De uitspraak is openbaar gemaakt door middel van gepseudononimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep open, op grond van artikel 84, aanhef en onder b, van de Vreemdelingenwet 2000.