ECLI:NL:RBDHA:2026:25113

ECLI:NL:RBDHA:2026:25113

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 01-09-2026
Datum publicatie 01-09-2026
Zaaknummer NL26.38587
Rechtsgebied Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats 's-Hertogenbosch

Samenvatting

Asiel- en Migratiebeheerverordening. Italië. De rechtbank is van oordeel dat de minister onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat thans weer kan worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Beroep gegrond.

Uitspraak

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam], V-nummer: [nummer], eiser

(gemachtigde: mr. E. Stap),

en

de minister van Asiel en Migratie, de minister

(gemachtigde: mr. J. Sánchez Rhemrev).

Samenvatting

De asielaanvraag van eiser is niet in behandeling genomen omdat Italië volgens de minister verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan. Eiser is het niet eens met dit besluit en stelt dat hij niet kan worden overgedragen aan Italië omdat dit in strijd is met artikel 3 van het EVRM en artikel 4 van het Handvest. Eiser wijst erop dat sinds 2023 voor Italië niet langer kan worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel en deze situatie is op dit moment niet veranderd. De minister stelt zich op het standpunt dat met het van toepassing worden van het Asiel- en Migratiepact op 12 juni 2026 de situatie in Italië is gewijzigd en dat inmiddels weer uitgegaan kan worden van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Er zijn afspraken gemaakt met de Italiaanse minister en de Italiaanse autoriteiten creëren opvangvoorzieningen voor vreemdelingen die worden overgedragen. De overdrachten kunnen daarom volgens de minister weer worden hervat. De rechtbank is van oordeel dat de minister onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat weer uitgegaan kan worden van het interstatelijk vertrouwensbeginsel voor Italië en dat de overdrachten kunnen worden hervat. Op het moment dat de rechtbank het onderzoek in de zaak ter zitting heeft gesloten ontbraken daarvoor voldoende aanknopingspunten. Dit betekent niet dat op een later moment wel voldoende aanknopingspunten kunnen bestaan, maar op dit moment zijn die er naar het oordeel van de rechtbank nog niet. Dit betekent dat eiser gelijk krijgt. De minister moet een nieuw besluit nemen.

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het niet in behandeling nemen van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De minister heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 3 juli 2026 niet in behandeling genomen omdat Italië verantwoordelijk is voor de aanvraag.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Hij heeft de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen (NL26.38588).

De rechtbank heeft het beroep, tezamen met de zaak NL26.38588, op 20 augustus 2026 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door mr. J.W.F. Menick, waarnemer van eisers gemachtigde. Als tolk is verschenen K. Panasjan. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Beoordeling door de rechtbank

Wat oordeelt de rechtbank?

2. De rechtbank beoordeelt het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag van eiser. Zij doet dat aan de hand van de argumenten die eiser heeft aangevoerd, de beroepsgronden.

3. De rechtbank verklaart het beroep gegrond. Dat betekent dat eiser gelijk krijgt en het bestreden besluit wordt vernietigd. De minister moet een nieuw besluit nemen op eisers asielaanvraag. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Feiten en omstandigheden

4. Eiser heeft de Russische nationaliteit en is geboren op [geboortedatum] 1983. Eiser heeft – na een inreis per vliegtuig vanuit Jerevan, Armenië – op 18 juni 2026 een asielaanvraag ingediend bij de minister aan de buitengrens op luchthaven Schiphol. De minister heeft deze asielaanvraag behandeld in de asielgrensprocedure, wat mede inhield dat op 18 juni 2026 een besluit tot uitstel van weigering van toegang tot Nederland is genomen en eiser diezelfde dag in het Justitieel Complex te Schiphol in bewaring is gesteld op grond van artikel 6, derde lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000).

De minister heeft na raadpleging van EU-Vis vastgesteld dat eiser door Italië in het bezit is gesteld van een inreisvisum, dat geldig is van 15 juni 2026 tot en met 1 juli 2026. Gelet op deze informatie heeft de minister de Italiaanse autoriteiten op 22 juni 2026 een overnameverzoek verstuurd, dat op 2 juli 2026 is geaccepteerd.

De minister heeft op 6 augustus 2026 de maatregel op grond van artikel 6 van de Vw 2000 opgeheven en toepassing gegeven aan een lichter middel dan inbewaringstelling.

Bestreden besluit

5. De minister heeft met het bestreden besluit de asielaanvraag van eiser niet in behandeling genomen en aan eiser een overdrachtsbesluit voor Italië opgelegd. Volgens de minister is Italië op grond van de Asiel- en Migratiebeheerverordening (hierna AMBV) verantwoordelijk voor de asielaanvraag vanwege de visumverlening door deze lidstaat. De minister stelt zich op het standpunt dat hij ten aanzien van Italië (weer) van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan uitgaan. Er is volgens de minister geen reden om aan te nemen dat in Italië sprake is van tekortkomingen in de asielprocedure en opvangvoorzieningen die de bijzonder hoge drempel van zwaarwegendheid halen, zoals bedoeld in het arrest Jawo van het Hof van Justitie van de Europese Unie (Hof) van 19 maart 2019. Uit de recente ontwikkelingen volgt namelijk dat Italië de eenzijdige blokkade, die voorheen gold, vanaf 12 juni 2026 heeft opgegeven, waardoor er weer overgedragen kan worden aan Italië. Eiser heeft volgens de minister verder onvoldoende aannemelijk gemaakt dat Italië zich niet aan de internationale verplichtingen houdt. De minister wijst erop dat eiser nog geen asiel heeft aangevraagd in Italië en aldus geen eigen ervaringen heeft met de kwaliteit van de asielopvang en -procedure in Italië. Ook stelt de minister dat eiser bij eventuele voorkomende problemen dient te klagen in Italië en dat niet gebleken is dat dit voor hem niet mogelijk is. Verder stelt de minister zich op het standpunt dat eiser niet voldoet aan de voorwaarden voor een afhankelijkheidsrelatie, zoals bedoeld in artikel 34 van de AMBV. Niet is aangetoond dat bij eiser sprake is van een ernstige geestelijke aandoening en evenmin dat eiser door deze aandoening zodanig afhankelijk is van zijn vader in Nederland dat alleen zijn vader voor hem kan zorgen. Ook heeft eiser niet aannemelijk gemaakt dat de familiebanden al bestonden. Wat betreft het diploma van eiser in Nederland geeft de minister aan dat niet wordt voldaan aan de vereisten in artikel 30 van de AMBV, nu het betreffende diploma bij het Drenthe college meer dan zes jaar geleden is afgegeven.

Kan ten aanzien van Italië (weer) worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel?

Standpunt eiser

6. Eiser voert aan dat ten aanzien van Italië nog steeds niet van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan. Hij meent dat hij bij terugkeer in een situatie terecht zal komen die strijdig is met artikel 3 van het EVRM en artikel 4 van het Handvest. De asielprocedure en opvangvoorzieningen in Italië vertonen volgens eiser nog altijd structurele systeemfouten. De nieuwe afspraken/gesprekken met de Italiaanse minister van binnenlandse zaken uit juni 2026 acht eiser een onvoldoende basis om wél weer uit te gaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. De enkele toezegging van de Italiaanse minister in dit kader is volgens eiser namelijk niet genoeg; er moet uit de beschikbare landeninformatie blijken dat het systeem in Italië voldoende op orde is om over te dragen. Eiser wijst daarbij op een bericht in het NRC van 17 juni 2026 ('Italië juicht migratiepact toe, maar is er volgens experts zelf niet klaar voor'). Daarnaast meldden de Italiaanse autoriteiten een maand geleden in reactie op claimverzoeken nog dat overdrachten naar Italië niet uitgevoerd konden worden vanwege onvoldoende opvangplekken. Het ligt niet in lijn der verwachting dat in enkele weken het Asiel- en Migratiepact (AMP) voldoende is geïmplementeerd dat weer kan worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Eiser heeft bij zijn nadere beroepsgronden een brief van Vluchtelingenwerk Nederland (VWN) meegestuurd, waarin wordt ingegaan op de situatie ten aanzien van overdrachten aan Italië en waarin naar verschillende bronnen is verwezen. Daarin wordt onder meer verwezen naar berichtgeving over een rapport van de Europese Commissie met de eerste bevindingen nadat het AMP van toepassing werd op 12 juni 2026 (EU-rapport van juli 2026). Uit dit rapport volgt dat na het van toepassing worden van het AMP geen terugkeerders zijn overgedragen aan Italië omdat de Italiaanse autoriteiten de overdrachten heeft geweigerd.

Standpunt minister

7. De minister stelt zich op het standpunt dat thans wel weer van het interstatelijk vertrouwensbeginsel ten aanzien van Italië kan worden uitgegaan. Hij acht de situatie wezenlijk veranderd sinds de ‘circular letter’ van de Italiaanse autoriteiten van december 2022. De minister van Asiel en Migratie heeft in juni 2026 een gesprek gehad met de Italiaanse minister van Binnenlandse zaken, waarbij onder meer is besproken dat Italië medewerking gaat verlenen aan het AMP. De ministers zijn tot een ‘declaration of intent’ gekomen, waarin Nederland en Italië de intentie uitspreken om de samenwerking op het gebied van migratie verder te versterken. Nederland heeft van Italië de bevestiging gekregen dat Italië zich zal inzetten om het AMP goed te laten werken. Expliciet is door de Italiaanse minister benoemd dat er in Italië adequate opvang zal worden geboden. Verwezen wordt naar het verslag van de JBZ-raad uit de kamerbrief van 22 juni 2026 (met kenmerk: 7996176) en naar het Informatiebericht 2026/25 (IB 2026/25). De minister ziet in de praktijk bovendien dat Italië niet langer verwijst naar de ‘circular letter’. Daarnaast wijst de minister erop dat uit de rechtspraak van het Hof volgt dat een eenzijdige opschorting door een lidstaat op zichzelf in dit kader niet bepalend is; de vaststelling dat sprake is van structurele systeemfouten kan alleen plaatsvinden na analyse van alle relevante elementen op basis van objectieve en recente informatie. In de openbare landeninformatie over de situatie in Italië (onder meer een rapport van EUAA van juni 2026 en een rapport van AIDA van juli 2025) ziet de minister geen reden om aan te nemen dat eiser onderworpen zal worden aan een slechte behandeling in Italië. Hieruit volgt namelijk niet dat in Italië sprake is van andere serieuze problemen met de geboden opvangvoorzieningen. In het verweerschrift wijst de minister ook op het EU-rapport van juli 2026 waarin is aangegeven dat het nationale opvangsysteem in Italië toereikend lijkt om personen die op grond van de AMBV worden overgedragen onder te brengen in het landelijke netwerk voor opvangvoorzieningen.

Beoordelingskader

8. De rechtbank overweegt dat het uitgangspunt is dat de minister er, gelet op het interstatelijk vertrouwensbeginsel, van mag uitgaan dat een andere lidstaat zijn internationale verplichtingen nakomt tegenover een vreemdeling die op grond van voorheen de Dublinverordening en thans de AMBV wordt overgedragen.

Dat uitgangspunt is voor wat betreft Italië echter niet meer van toepassing sinds het verschijnen van de ‘circular letter’ van 5 december 2022 van de Italiaanse autoriteiten. In die brief – en ook in verschillende andere brieven tot 7 februari 2023 – hebben de Italiaanse autoriteiten aangegeven dat het overdragen van asielzoekers op grond van de (toen nog geldende) Dublinverordening tijdelijk wordt opgeschort vanwege het gebrek aan opvangfaciliteiten in Italië. De Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) heeft in de uitspraken van 26 april 2023 geoordeeld dat op basis van die berichtgeving van de Italiaanse autoriteiten sprake is van objectieve informatie die aanknopingspunten biedt voor het oordeel dat de opvangvoorzieningen in Italië systeemfouten bevatten en dat de minister, zonder nader onderzoek, niet langer mag uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Uit de berichtgeving van de Italiaanse autoriteiten volgt namelijk dat er in Italië, vanwege de hoge asielinstroom, een gebrek aan beschikbare opvangfaciliteiten bestaat, dat ertoe heeft geleid dat de Italiaanse autoriteiten de lidstaten hebben verzocht overdrachten aan Italië tijdelijk op te schorten. De Afdeling heeft overwogen dat uit die berichtgeving niet zonder meer volgt dat de Italiaanse autoriteiten onverschillig staan tegenover de situatie van vreemdelingen, maar dat daarmee wel een reëel risico bestaat dat vreemdelingen buiten hun eigen wil en keuzes om bij overdracht aan Italië in een toestand van zeer verregaande materiële deprivatie terechtkomen zoals bedoeld in het arrest Jawo.

De rechtbank wijst er verder op dat de Afdeling in de uitspraken van 26 april 2023 heeft overwogen dat uit de berichtgeving van de Italiaanse autoriteiten van eind 2022 en begin 2023 weliswaar naar voren komt dat de Italiaanse autoriteiten voornemens zijn de overdrachten op enig moment te hervatten, maar dat het ten tijde van de voornoemde Afdelingsuitspraken, gelet op het gebrek aan informatie sinds 7 februari 2023, niet mogelijk is om vast te stellen wanneer het gebrek aan opvangfaciliteiten zal zijn opgelost en de overdrachten aan Italië weer kunnen worden hervat.

Sinds 26 april 2023 geldt dus – op grond van de uitspraken van de Afdeling – dat ten aanzien van Italië naar aanleiding van informatie van de Italiaanse autoriteiten en vanwege het gebrek aan opvangvoorzieningen niet van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan. Deze situatie is sindsdien onveranderd gebleven.

Het Hof heeft zich in het arrest Tudmur – naar aanleiding van prejudiciële vragen van een Duitse rechter – eveneens in abstracte zin uitgelaten over de situatie met betrekking tot overdrachten naar Italië sinds het verschijnen van de ‘circular letter’ van 5 december 2022. De Duitse rechter wilde – kort gezegd – van het Hof weten of een eenzijdige opschorting van medewerking aan overdrachten voor onbepaalde tijd door een lidstaat kan leiden tot het oordeel dat sprake is van systeemfouten ion de asielprocedure en opvangvoorzieningen zoals bedoeld in artikel 3, tweede lid, van de Dublinverordening die een risico op onmenselijke of vernederende behandelingen in de zin van artikel 4 van het Handvest met zich brengen. Het Hof heeft in essentie daarop geantwoord dat een eenzijdige opschorting één en ander op zichzelf nog niet kan rechtvaardigen. Het vaststellen van structurele tekortkomingen kan volgens het Hof alleen worden gedaan na een analyse van alle relevante elementen op basis van objectieve, betrouwbare, nauwkeurige en naar behoren bijgewerkte gegevens. Het Hof heeft de lijn uit het arrest Tudmur nadien bevestigd en verder uitgewerkt in het arrest Daraa.

Beoordeling

9. De rechtbank overweegt allereerst dat in het geval van Italië – gelet op de uitspraken van de Afdeling van 26 april 2023 – het aan de minister is om aannemelijk te maken dat op dit moment weer van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan. Het ligt daarmee meer in het bijzonder op de weg van de minister om aannemelijk te maken dat thans sprake is van nieuwe informatie sinds 7 februari 2023 die tot het oordeel moeten leiden dat de voorheen geldende blokkade – die het gevolg is van de door de Italiaanse autoriteiten zelf gestelde opvangproblematiek – niet meer aan de orde is en dat (voldoende) opvangvoorzieningen aanwezig zijn voor vreemdelingen die worden overgedragen.

De minister is er, naar het oordeel van de rechtbank, niet in geslaagd om aannemelijk te maken dat weer van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan. In de eerste plaats is van belang dat de door de minister gestelde wijziging ten aanzien van de medewerking aan overdrachten niet concreet uit de ‘declaration of intent’ kan worden afgeleid. De ‘declaration of intent’ bevat geen concrete toezeggingen op het gebied van medewerking aan overdrachten door Italië. In het geheel wordt in deze – zeer algemeen opgestelde – verklaring niet ingegaan op overdrachten onder de Dublinverordening dan wel onder de AMBV. Weliswaar staat in het verslag van de JBZ-raad onder meer vermeld dat de Italiaanse minister heeft aangegeven dat Italië het AMP, waaronder de AMBV, volledig zal implementeren en dat de Italiaanse minister expliciet heeft aangegeven dat Italië asielzoekers adequate opvang zal bieden, maar deze toezegging komt niet terug in de ‘declaration of intent’. In dat kader wijst de rechtbank erop dat een gespreksverslag of andere informatie waarin meer concrete afspraken staan over de medewerking aan overdrachten, de beschikbaarheid van opvangvoorzieningen voor terugkeerders en het laten vervallen van de ‘circular letter’ ontbreekt. Op grond van deze informatie heeft de minister onvoldoende aannemelijk gemaakt dat weer uitgegaan kan worden van het interstatelijk vertrouwensbeginsel.

Daarbij komt dat uit de door eiser ingebrachte landeninformatie het beeld naar voren komt dat de betreffende opvangproblematiek, die volgens de Italiaanse autoriteiten zelf destijds grond vormde voor de eenzijdige opschorting van hun kant, nog altijd actueel is. Zo staat in het meest recente AIDA-rapport van 2026 vermeld dat de Italiaanse minister van binnenlandse zaken in april 2026 heeft aangegeven dat het opvangsysteem geen plekken heeft die gereserveerd zijn voor Dublinterugkeerders. In het daaraan voorgaande AIDA-rapport van 2025, waarnaar de minister in het bestreden besluit heeft verwezen, staat een vergelijkbare passage ten aanzien van de situatie in februari 2025.

Er ontbreken verder concrete indicaties dat de situatie sinds april 2026 dan wel sinds het van toepassing worden van het AMP op 12 juni 2026 in betekenisvolle mate gewijzigd is. Integendeel, er zijn juist aanknopingspunten dat de situatie op nog onveranderd is. In het EU-rapport van juli 2026, waarnaar zowel eiser als de minister heeft verwezen, heeft de Europese Commissie een vroegtijdige beoordeling uitgevoerd van de huidige toepassing van de nieuwe verantwoordelijkheidsregels in het kader van het AMP. De beoordeling heeft betrekking op de eerste drie weken sinds het van toepassing worden van het AMP en ziet specifiek op de lidstaten Griekenland en Italië. In dit rapport worden de positieve inspanningen van Italië ter voorbereiding op het AMP genoemd en staat vermeld dat de organisatie van het nationale opvangsysteem toereikend lijkt te zijn om personen op te vangen die onder de AMBV worden overgebracht. Wat betreft de eerste drie weken sinds inwerkingtreding van het AMP is echter uit informatie van acht andere lidstaten gebleken dat Italië overdrachtsverzoeken stilzwijgend blijft accepteren, maar dat de overdrachten zelf nog altijd niet zijn hervat. In de betreffende periode zijn 12 overdrachten aangevraagd door lidstaten en deze zijn allen door Italië geweigerd. In het rapport trekt de Commissie de volgende conclusie ten aanzien van de situatie in Italië:

“The measures taken by Italy so far show significant efforts in preparing for the implementation of Part III of the AMMR. At this stage however, no concrete indications could be observed that the practices under the Dublin III Regulation, and notably with regard to the suspension of the reception of transfers, except for cases of family reunification of unaccompanied minors, no longer persist. Furthermore, there are, at present, no indications that the Italian authorities have actively engaged with other Member States on the practical and logistical steps to resume transfers. Italy needs to remove all the remaining impediments as a matter of priority, including by discontinuing the practices that have so far prevented transfers from taking place, and to ensure the necessary engagement and operational cooperation with other Member States on all practical and logistical arrangements, so that transfers are effectively carried out in compliance with the AMMR.”

Hoewel de rechtbank geen concrete informatie heeft ten aanzien van de vraag waarom Italië de feitelijke overdrachten in de recente periode weigert, leidt de rechtbank uit het voorgaande af dat de situatie in Italië ten aanzien van de opschorting van de feitelijke overdrachten in feite nog steeds ongewijzigd is. Bij gebrek aan informatie over de redenen van weigering, gaat de rechtbank uit van het vermoeden dat dit – nog altijd – het gevolg is van de situatie in Italië zoals eind 2022 en begin 2023 is aangegeven door de Italiaanse autoriteiten en zoals ook nog blijkt uit het AIDA-rapport van juli 2026, namelijk een gebrek aan opvangcapaciteit.

De rechtbank volgt de minister verder niet in zijn standpunt dat als gevolg van de specifiek door hem genoemde landeninformatie toch anders naar de situatie moet worden gekeken. Het EUAA-rapport (“Asylum report 2026”) heeft niet concreet betrekking op de situatie rondom Dublinclaimanten, terwijl dit wel de situatie is waar de beoordeling van de rechtbank op gericht moet zijn. De rechtbank verwijst daarbij naar het arrest X van het Hof. In het AIDA-rapport van 2025 – nog daargelaten dat deze informatie inmiddels behoorlijk verouderd is – wordt de problematiek van de weigerachtige houding van de Italiaanse autoriteiten ten aanzien van Dublinoverdrachten juist uitdrukkelijk bevestigd. Zo staat daarin vermeld dat in 2024 geen overdrachten plaatsvonden in de terugnameprocedure, waarschijnlijk vanwege de algemene opschorting van overdrachten die Italië op 5 december 2022 aan de andere landen meedeelde en die ook in 2024 van kracht bleef. Wel vonden er enige overnameoverdrachten plaats (48 om familieredenen en 68 op basis van de discretionaire bevoegdheid). Ook staat in dit AIDA-rapport vermeld dat, in een antwoord van augustus 2023 op een verzoek van de Deense Vluchtelingenraad, de Italiaanse autoriteiten de Deense Immigratiedienst hebben geïnformeerd dat Italië een aanzienlijke toename van het aantal asielzoekers kende, waardoor het nationale opvangstelsel onder druk kwam te staan. Tenslotte staat in het AIDA-rapport beschreven dat op 10 oktober 2024 de noodtoestand in Italië, die in het leven was geroepen vanwege het hoge aantal binnenkomende asielzoekers, verlengd was en dat de Italiaanse autoriteiten vasthouden aan de opschorting van inkomende overdrachten in het kader van deze noodtoestand. In dit verband wijst de rechtbank voorts nogmaals op de eerder genoemde passages in de AIDA-rapporten van 2025 en 2026 waarin is aangegeven dat er geen opvangplekken voor Dublinterugkeerders zijn gereserveerd.

De door de minister genoemde landeninformatie bevestigt in die zin juist de structurele opvangproblematiek. Er is geen andersluidende informatie bekend dat die opvangproblematiek nadien wezenlijk is verbeterd, en de recente overdrachtsweigeringen – zoals genoemd in het EU-rapport van juli 2026 – wijzen er veeleer op dat deze problematiek nog steeds actueel is. Er ontbreken dan ook vooralsnog voldoende aanknopingspunten voor het standpunt van de minister dat Italië de eenzijdige blokkade vanaf 12 juni 2026 effectief heeft opgeheven en inmiddels daadwerkelijk voorzien wordt in opvangvoorzieningen voor terugkeerders, waardoor er weer (structureel en zonder uitzonderingen) overgedragen kan worden aan Italië.

De rechtbank overweegt voorts dat het beroep van de minister op de arresten Tudmur en Daraa van het Hof hem niet kan baten. De rechtbank neemt immers – net als de Afdeling in haar uitspraken van 16 april 2023 – niet uitsluitend de eenzijdige opschorting door Italië tot uitgangspunt bij het oordeel dat thans (nog steeds) niet van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan, maar komt mede tot deze conclusie na de hiervoor weergegeven analyse van de beschikbare informatie ten aanzien van de (onduidelijkheid over de) opvangvoorzieningen in Italië voor terugkeerders. Daarmee is nog steeds sprake van een situatie waarin een reëel risico bestaat dat vreemdelingen buiten hun eigen wil en keuzes om bij overdracht aan Italië terechtkomen in een toestand van zeer verregaande materiële deprivatie, als bedoeld in punt 92 van het arrest Jawo, waardoor zij niet kunnen voorzien in de belangrijkste basisbehoeften, zoals onderdak, eten en stromend water.

De minister heeft er aan het einde van de behandeling ter zitting nog op gewezen dat de dag ervoor (dus op 19 augustus 2026) één succesvolle overdracht zou hebben plaatsgevonden aan Italië van een vreemdeling die in vreemdelingenbewaring verbleef. Desgevraagd heeft de minister niet meer informatie kunnen verstrekken dan dat het om een jonge alleenstaande man zou gaan die geen beroep had ingediend tegen het overdrachtsbesluit. Deze ene door de minister gestelde succesvolle overdracht maakt wat hiervoor is overwogen naar het oordeel van de rechtbank niet anders. In dit kader is onder meer van belang dat, zoals onder 9.5 al is overwogen, ook in de voorbije jaren – sinds het verschijnen van de ‘circular letter’ – zo nu en dan wel overdrachten aan Italië plaatsvonden vanuit andere lidstaten in het kader van de discretionaire bevoegdheid en de familie- en gezinsbepalingen. Bij gebrek aan voldoende informatie over deze specifieke overdracht, verandert deze omstandigheid het oordeel van de rechtbank niet.

Tot slot hecht de rechtbank er aan op te merken dat zij ziet dat de minister inspanningen verricht om de situatie met betrekking tot overdrachten aan Italië te verbeteren en dat uit het EU-rapport van juli 2026 blijkt dat de Italiaanse autoriteiten wel bezig zijn met het uitvoering geven aan hun internationale verplichtingen. Dat laat echter onverlet dat uit de beschikbare gegevens vooralsnog onvoldoende kan worden afgeleid dat de situatie voor Dublin- en/of AMBV-terugkeerders naar Italië na het van toepassing worden van het AMP op 12 juni 2026 daadwerkelijk is verbeterd ten opzichte van de periode daarvoor. De rechtbank wijst er daarbij op dat zij zich ervan bewust is dat nog slechts een beperkte periode is verstreken sinds 12 juni 2026 en dat het zou kunnen dat op afzienbare termijn wel voldoende aanknopingspunten blijken van daadwerkelijke en structurele opvangvoorzieningen voor terugkeerders en consistente hernieuwde medewerking door de Italiaanse autoriteiten. Op dit moment is daarvan echter nog onvoldoende gebleken.

De rechtbank komt dan ook tot het oordeel dat de minister er, aan de hand van de in deze procedure ingebrachte informatie, niet in is geslaagd om aannemelijk te maken dat weer kan worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel ten aanzien van Italië. Het beroep is reeds om deze reden gegrond. De overige beroepsgronden behoeven geen bespreking meer.

Conclusie en gevolgen

10. Het beroep is gegrond. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit wegens strijd met de artikelen 3:2 en 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht. De rechtbank ziet geen aanleiding om zelf in de zaak te voorzien. De rechtbank draagt de minister dan ook op om een nieuw besluit te nemen, met inachtneming van wat in deze uitspraak is overwogen.

11. De rechtbank veroordeelt de minister in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.868,00 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 934,00 en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:

Deze uitspraak is gedaan door mr. R.H. van Marle, rechter, in aanwezigheid van mr. M.W. Venderbos, griffier.

De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op: 1 september 2026.

Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.

Zittende Magistratuur

Rechter

  • mr. R.H. van Marle

Griffier

  • mr. M.W. Venderbos

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand