uitspraak van de voorzieningenrechter van 20 augustus 2026 in de zaak tussen
[verzoeker] , uit [woonplaats], verzoeker
(gemachtigde: [gemachtigde]),
en
het college van burgemeester en wethouders van Bodegraven-Reeuwijk, verweerder
(gemachtigden: mr. A.M.F. Overvoorde en mr. N. Khalloufi).
Inleiding
1. Verzoeker is het niet eens met de beëindiging door verweerder van zijn verblijf in de gemeentelijke opvang. Verweerder heeft hem dit bevestigd bij brief van 10 juni 2026. Verzoeker heeft daartegen bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen. Verzoeker heeft tevens gevraagd om het treffen van een ordemaatregel.
Verweerder heeft op het verzoek gereageerd met een verweerschrift.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 6 augustus 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: verzoeker, de partner en tevens gemachtigde van verzoeker [gemachtigde], en mr. N. Khalloufi en mr. A.M.F. Overvoorde als gemachtigden van verweerder. Als tolk is I.I. Antuma verschenen.
Beoordeling door de voorzieningenrechter
Waar gaat deze zaak over?
2. Verzoeker verblijft sinds 2022 in de gemeentelijke opvang voor Oekraïense ontheemden. Verzoeker is Lets staatsburger, maar had op het moment dat hij zich bij de opvang meldde een relatie met een Oekraïense en hij vormde samen met haar en haar zoon een gezin. Inmiddels zijn zij niet langer bij elkaar en heeft hij sinds 3 jaar een relatie met een andere vrouw. Zijn huidige partner heeft ook de Oekraïense nationaliteit en verblijft eveneens in de gemeentelijke opvang. Tijdens een gesprek op 1 juni 2026 heeft verzoeker verklaard dat hij en zijn voormalige partner niet langer bij elkaar zijn. Verweerder heeft verzoeker daarop mondeling laten weten dat verzoeker de gemeentelijke opvang moet verlaten. Bij brief van 10 juni 2026 heeft verweerder deze mededeling schriftelijk aan verzoeker bevestigd. Bij zijn eerdere toelating tot de gemeentelijke opvang is rekening gehouden met zijn duurzame relatie met een Oekraïense ontheemde die gebruikmaakt van de opvangvoorziening, aldus verweerder, en die relatie is inmiddels beëindigd. Deze uitspraak gaat alleen over de vraag of het verzoek om een voorlopige voorziening moet worden toegewezen.
Wat is het standpunt van verzoekster?
3. Verzoeker is het niet eens met de brief van 10 juni 2026 en voert – kort samengevat – het volgende aan. Verweerder heeft de persoonlijke situatie van verzoeker onvoldoende zorgvuldig en onvoldoende individueel beoordeeld. Belangrijke feiten en omstandigheden zijn niet, of onvoldoende meegenomen bij de besluitvorming. Hij wijst onder meer op de duurzame relatie met zijn huidige partner en de gevolgen van de beëindiging van de opvang voor zijn stabiliteit, veiligheid en dagelijkse leven. Verweerder heeft onvoldoende gemotiveerd waarom de beëindiging van de opvang noodzakelijk en evenredig is, ondanks de persoonlijke gevolgen voor verzoeker. Verweerder heeft de belangen die zijn afgewogen onvoldoende inzichtelijk gemaakt.
Wat is het oordeel van de voorzieningenrechter?
4. De voorzieningenrechter wijst in deze uitspraak het verzoek af. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.
Juridisch kader
5. Artikel 13, eerste lid, van de Richtlijn Tijdelijke Bescherming (de Richtlijn) bepaalt dat de lidstaten ervoor zorgen dat de begunstigden van tijdelijke bescherming een fatsoenlijk onderkomen krijgen of, in voorkomend geval, middelen ter beschikking krijgen om huisvesting te vinden.
Op grond van artikel 2, eerste lid, van de Tijdelijke wet opvang ontheemden Oekraïne (Tijdelijke wet) draagt verweerder zorg voor opvang van ontheemden. Voor de inwerkingtreding van de Tijdelijke wet op 27 juni 2024 vond de opvang plaats op grond van de Wet verplaatsing bevolking en was eveneens sprake van een gemeentelijke verantwoordelijkheid.
Tot slot bepaalt artikel 72, derde lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) dat voor de toepassing van afdeling 2 van de Vw een handeling van een bestuursorgaan ten aanzien van een vreemdeling als zodanig, met een beschikking gelijk wordt gesteld.
Is sprake van een besluit?
6. Met het oog op de bevoegdheid tot het treffen van een voorlopige voorziening ziet de voorzieningenrechter zich gesteld voor de vraag wat het rechtskarakter van de brief van 10 juni 2026 is en overweegt daarover als volgt.
Verweerder is op grond van de Tijdelijk wet belast met de zorg voor feitelijke uitvoering van de opvang die van rechtswege toekomt aan ontheemden in de hiervoor bedoelde zin. De vaststelling wie als ontheemde kan worden aangemerkt, is echter voorbehouden aan de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND). In de brief wordt niet vastgesteld dat verzoeker wel of niet (langer) een (gezinslid van een) ontheemde is als bedoeld in artikel 1 van de Richtlijn. Verweerder heeft verzoeker uitsluitend bevestigd dat hij niet langer tot de doelgroep van de opvangvoorziening behoort, omdat zijn duurzame relatie met een Oekraïense ontheemde, op basis waarvan hij eerder opvang kreeg, is beëindigd. Dit betekent dat de brief geen rechtsgevolgen kent en dus geen besluit is in de zin van artikel 1:3 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
De brief met de bevestiging dat verzoeker de opvang moet verlaten omdat hij niet langer tot de doelgroep behoort betreft echter, naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter, wel een feitelijke handeling van een bestuursorgaan ten aanzien van een vreemdeling als zodanig, zoals bedoeld in artikel 72, derde lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw). Niet in geschil is namelijk dat verzoeker de Letse nationaliteit heeft. Dat betekent dat tegen de brief bezwaar openstaat bij verweerder en de voorzieningenrechter bevoegd is een voorlopige voorziening te treffen.
Is sprake van spoedeisend belang?
7. Uit artikel 8:81 van de Awb volgt dat de voorzieningenrechter die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening kan treffen als onverwijlde spoed dat, gelet op de betrokken belangen, vereist.
Verweerder heeft verzoeker schriftelijk bevestigd dat hij uiterlijk op 30 juli 2026 de gemeentelijke opvanglocatie in gemeente Bodegraven-Reeuwijk moet verlaten. Verzoeker heeft op 5 juli 2026 bezwaar gemaakt tegen de beëindiging van zijn opvang. Dit bezwaar heeft geen schorsende werking. Bij brief van 31 juli 2026 heeft verweerder laten weten dat hij, uit coulance en mede gelet op de reeds geplande hoorzitting op 7 september 2026, bereid is om verzoeker in de opvang te laten verblijven totdat op zijn bezwaar is beslist. Verweerder heeft de voorzieningenrechter vervolgens laten weten bereid te zijn verzoeker in de opvang te laten verblijven tot vijf dagen nadat op zijn bezwaar is beslist. Hiermee wordt (deels) tegemoetgekomen aan het verzoek zoals dit op 9 juli 2026 is gedaan. De voorzieningenrechter is van oordeel dat geen sprake is van spoedeisend belang. In het geval dat verweerder het bezwaar ongegrond verklaart, kan verzoeker namelijk binnen deze vijf dagen (pro forma) beroep instellen bij de rechtbank en de voorzieningenrechter opnieuw vragen om het treffen van een voorlopige voorziening.
Is sprake van een evident onrechtmatig besluit?
8. Wanneer de voorzieningenrechter van oordeel is dat geen sprake is van spoedeisend belang, kan de voorziening uitsluitend nog getroffen worden als het besluit (dan wel de feitelijke handeling) evident onrechtmatig is. Hiermee wordt bedoeld dat zonder diepgaand onderzoek naar de relevante feiten en/of het recht zeer ernstig moet worden betwijfeld of het door verweerder ingenomen standpunt juist is en of het besluit in de bezwaar- of bodemprocedure in stand zal blijven.
Van een evident onrechtmatig besluit dan wel feitelijke handeling als hiervoor bedoeld, is geen sprake. Verweerder heeft toegelicht dat verzoeker op 14 april 2022 is toegelaten tot de gemeentelijke opvang omdat hij op dat moment een duurzame relatie had met een Oekraïense ontheemde (zijn inmiddels ex-partner). Zijn recht op toegang tot de opvang was gekoppeld aan deze duurzame relatie. Gezinsleden van Oekraïense onderdanen die vóór 24 februari 2022 in Oekraïne verbleven, genieten tijdelijke bescherming op grond van de Richtlijn voor zover zij al vóór 24 februari 2022 een gezin vormden en in Oekraïne verbleven. Op grond van de stukken en wat ter zitting is besproken, stelt de voorzieningenrechter vast dat de IND eerder niet lijkt te hebben vastgesteld dat verzoeker als gezinslid van een ontheemde recht heeft op tijdelijke bescherming onder de Richtlijn, omdat verzoeker zich nooit bij de IND heeft gemeld. Verweerder heeft ter zitting bevestigd ook geen navraag te hebben gedaan bij de IND of verzoeker (nog wel) voldoet aan de voorwaarden uit de Richtlijn, ook niet na het gesprek op 1 juni 2026.De relatie van verzoeker met zijn ex-partner met wie hij als gezin in de opvang verbleef, is inmiddels beëindigd, dit is niet in geschil. Door op basis van deze omstandigheid eigenhandig de conclusie te trekken dat verzoeker niet langer recht heeft op opvang en daarom de opvang moet verlaten, heeft verweerder niet de juiste weg bewandeld. Maar gelet op de bij verweerder bekende informatie over de beëindigde relatie met zijn verblijfgever, is de voorzieningenrechter van oordeel dat de brief van 10 juni 2026 niet evident onrechtmatig is. Daarbij komt dat verweerder in bezwaar de IND alsnog kan vragen ambtshalve vast te stellen of verzoeker inderdaad niet langer voldoet aan de voorwaarden uit de Richtlijn. De voorzieningenrechter ziet daarom geen aanleiding om een voorlopige voorziening te treffen.
Ten overvloede overweegt de voorzieningenrechter dat als verzoeker van mening is dat hij op grond van zijn huidige relatie met een Oekraïense ontheemde nog altijd recht heeft op opvang, hij zich ook kan melden bij de IND. Zoals hiervoor is overwogen is het namelijk in de eerste plaats aan de IND om vast te stellen of verzoeker ook nu nog aanspraak kan maken op tijdelijke bescherming en de rechten die daaruit voortvloeien, zoals verblijf in de gemeentelijke opvang.
Conclusie en gevolgen
9. De voorzieningenrechter wijst het verzoek af. Zij ziet geen aanleiding om te bepalen dat verweerder het griffierecht aan verzoeker moet vergoeden. Verzoeker heeft in deze zaak geen griffierecht betaald. De voorzieningenrechter ziet wel aanleiding te bepalen dat verweerder de proceskosten moet vergoeden, omdat verweerder (in ieder geval deels) aan het verzoek is tegemoetgekomen door verzoeker tot vijf dagen na de beslissing op bezwaar in de opvang te laten verblijven. Verweerder moet deze vergoeding betalen.De vergoeding is met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) als volgt berekend. Voor de bijstand door een gemachtigde krijgt verzoeker geen vergoeding. Van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand als bedoeld in het Bpb is namelijk geen sprake. De door de partner van verzoeker niet-beroepsmatig verleende bijstand komt dus niet voor vergoeding in aanmerking. Dit geldt ook voor de opgevoerde verletkosten van de gemachtigde van verzoeker. Wel in aanmerking voor vergoeding komen de forfaitaire kosten voor de tolk (€ 55,- per uur en € 1,- per gereisde kilometer). De voorzieningenrechter stelt deze kosten vast op € 340,50 (uitsluitend 1,5 uur voor het bijwonen van de zitting en een totale reisafstand à 258 km). De verletkosten van verzoeker zelf van 3 x € 18,- = € 54,- (voor het bijwonen van de zitting en reistijd) komen ook in aanmerking voor vergoeding. Verder komen de reiskosten van verzoeker voor vergoeding in aanmerking. Omdat verzoeker het aantal kilometers niet nader heeft gespecificeerd, stelt de voorzieningenrechter deze kosten vast. Verzoeker komt in aanmerking voor vergoeding van € 0,28 per kilometer. Van het adres van de gemeentelijke opvang tot aan de rechtbank bedraagt de afstand circa 32 kilometer. De totale reisafstand is daarmee 64 kilometer. Daarmee heeft verzoeker dus recht op een vergoeding van € 17,92 (64 km x € 0,28 per km). Eventuele parkeerkosten komen niet voor vergoeding in aanmerking. Deze kosten worden namelijk niet genoemd in het Bpb. Van bijzondere omstandigheden als bedoeld in artikel 2, derde lid, van het Bpb is verder geen sprake. De proceskosten die in totaal aan verzoeker moeten worden vergoed bedragen € 412,42.
Beslissing
De voorzieningenrechter:
- wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af;
- veroordeelt verweerder tot betaling van € 412,42 aan proceskosten aan verzoeker.
Deze uitspraak is gedaan door mr. C.W. Griffioen, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. E. van den Nieuwendijk, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 20 augustus 2026.
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: