ECLI:NL:RBDHA:2026:25130

ECLI:NL:RBDHA:2026:25130

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 01-09-2026
Datum publicatie 01-09-2026
Zaaknummer NL26.13932
Rechtsgebied Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Groningen

Samenvatting

NO verklaard, omdat eiser internationale bescherming in Duitsland heeft. Hier mocht de minister ook nog steeds vanuit gaan. Niet aannemelijk gemaakt dat eiser bij terugkeer in een situatie terechtkomt van verregaande materiele deprivatie.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam], eiser,

de minister van Asiel en Migratie, de minister,

Samenvatting

Zittingsplaats Groningen

Bestuursrecht

zaaknummer: NL26.13932

geboren op [geboortedatum],

met de Somalische nationaliteit,

V-nummer: [nummer]

(gemachtigde: mr. M. Rasul)

en

(gemachtigde: mr. B.J.W. Immink).

1. Deze uitspraak gaat over de niet-ontvankelijk verklaring van de asielaanvraag van eiser als bedoeld in artikel 28 van de Vw 2000. De minister heeft deze aanvraag niet-ontvankelijk verklaard, omdat eiser internationale bescherming in Duitsland heeft. Eiser is het hier niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Mede aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de niet-ontvankelijk verklaring van de asielaanvraag.

De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de niet-ontvankelijk verklaring van de asielaanvraag in stand kan blijven. Eiser heeft namelijk nog steeds internationale bescherming in Duitsland. Ook het beroep op schending van artikel 3 van het EVRM slaagt niet. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Eiser heeft een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. De minister heeft met het bestreden besluit van 6 maart 2026 deze aanvraag niet-ontvankelijk verklaard.

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.

De minister heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.

De rechtbank heeft het beroep op 19 augustus 2026 op zitting behandeld, samen met het verzoek om een voorlopige voorziening hangende dit beroep. Aan deze zitting heeft de gemachtigde van de minister deelgenomen. Eiser en zijn gemachtigde hebben zich afgemeld voor de zitting.

Het bestreden besluit

3. De minister heeft de asielaanvraag van eiser niet-ontvankelijk verklaard op grond van artikel 30a, eerste lid, aanhef en onder a van de Vw 2000. Daarnaast heeft de minister bepaald dat eiser onmiddellijk naar Duitsland moet gaan.

De minister stelt zich op het standpunt dat eiser in Duitsland internationale bescherming geniet. Hij baseert zich op een uitdraai uit het Eurodac-systeem en informatie van de Duitse liaison. De minister vindt dat eiser geen concrete aanwijzingen heeft aangedragen, waaruit blijkt dat deze informatie niet klopt en dat de toegekende internationale beschermingsstatus is ingetrokken of beëindigd, zoals eiser stelt. Dat de geldigheidsduur van de verblijfsvergunning is verlopen, maakt niet dat de toegekende status is komen te vervallen.

De minister vindt daarnaast dat de door eiser gestelde medische en/of psychische problematiek niet aan terugkeer naar Duitsland in de weg staat. Eiser heeft geen documenten overgelegd over zijn medische en/of psychische situatie. Daarbij komt dat de minister ervan uitgaat dat eiser voor de gestelde klachten behandeling in Duitsland kan krijgen.

Beoordeling door de rechtbank

Mag de minister ervan uitgaan dat eiser in Duitsland internationale bescherming geniet?

4. Eiser betwist dat hij in Duitsland internationale bescherming heeft. Hij stelt dat de verblijfsstatus, die hij in 2017 heeft gekregen, in 2022 of 2023 is ingetrokken of afgewezen. Hij heeft weliswaar geen documenten waaruit dit blijkt, maar deze onderbouwing kan in dit geval ook niet van hem gevraagd worden. De minister heeft onvoldoende onderzoek verricht naar de beschermingsstatus door uit te gaan van de informatie van Eurodac en het summiere contact met de Duitse liaison.

De rechtbank overweegt dat uit vaste rechtspraak volgt dat de minister zich dient te vergewissen of door een andere lidstaat voldoende duidelijkheid wordt verschaft over de verblijfsrechtelijke positie van de vreemdeling bij terugkeer en of die informatie voldoende actueel is. Daarbij moet de minister onderzoeken of de vreemdeling nog steeds over een door de betreffende lidstaat afgegeven geldige verblijfsvergunning dan wel een andere toestemming tot verblijf beschikt.

De rechtbank is van oordeel dat de minister zich voldoende heeft vergewist van de verblijfsrechtelijke positie van eiser en dat hij daarbij voldoende actuele informatie heeft betrokken. De minister is in zijn besluit van 6 maart 2026 namelijk niet alleen uitgegaan van de Eurodac-registratie van 4 december 2025, maar ook van de actuele informatie die hij op 4 maart 2026 van de Duitse liaison heeft ontvangen. De liaison heeft hierin bevestigd, dat eiser internationale bescherming geniet en dat hij in het bezit was van een verblijfsdocument. Dit document heeft eiser niet verlengd. Daarbij komt dat de Duitse autoriteiten op 9 maart 2026 schriftelijk hebben toegezegd dat zij eiser bij terugkeer toegang tot het Duitse grondgebied zullen verlenen.

De omstandigheid dat de geldigheidsduur van het Duitse verblijfsdocument inmiddels is verstreken, betekent niet dat de aan eiser verleende internationale bescherming is komen te vervallen. Naar het oordeel van de rechtbank is de minister er dus op goede gronden van uitgegaan dat eiser nog steeds internationale bescherming geniet in Duitsland. De beroepsgrond slaagt niet.

Loopt eiser bij terugkeer een risico op een schending van artikel 3 van het EVRM?

5. Eiser voert verder aan dat hij bij terugkeer naar Duitsland terechtkomt in een situatie van verregaande materiële deprivatie. Eiser heeft namelijk psychische problemen en suïcidale gedachten. Hij heeft geen medische stukken om dit te onderbouwen, maar dit kan niet van hem verlangd worden. Tijdens zijn eerdere verblijf in Duitsland is hij dakloos geraakt en had hij geen toegang tot zorg. Hij stelt dat hij bij terugkeer weer in deze situatie zal belanden. Eiser wijst op een nieuwsartikel van 2023 waaruit hij afleidt dat dakloosheid onder statushouders in Duitsland voorkomt. De minister houdt onvoldoende rekening met de door eiser aangevoerde omstandigheden.

De rechtbank stelt als uitgangspunt voorop dat de minister ten aanzien van Duitsland van het interstatelijk vertrouwensbeginsel mag uitgaan. Dit betekent dat de minister er in beginsel van mag uitgaan dat de behandeling van een vreemdeling in de lidstaat waar hij internationale bescherming geniet, in overeenstemming is met de bepalingen van het Handvest, het Vluchtelingenverdrag en het EVRM, waaronder artikel 4 van het Handvest en artikel 3 van het EVRM. Het is aan eiser om dat vermoeden te weerleggen.

De rechtbank is van oordeel dat de minister zich terecht op het standpunt stelt dat eiser er niet in is geslaagd om dit vermoeden te weerleggen. Eiser heeft namelijk geen objectieve en actuele informatie overgelegd, waarmee hij onderbouwt dat hij als statushouder in Duitsland ernstige moeilijkheden heeft gehad of zal ervaren. Daaraan doet het gedateerde nieuwsbericht niet af. Ook heeft eiser niet met medische stukken onderbouwd, dat hij vanwege zijn medische en/of psychische situatie zodanig kwetsbaar is, dat hij om die reden niet naar Duitsland kan. Daarbij mag van hem verwacht worden dat hij in Duitsland tenminste pogingen heeft ondernomen om zijn rechten als statushouder te effectueren. Uit zijn verklaringen blijkt niet dat hij daartoe voldoende inspanningen heeft verricht. Naar het oordeel van de rechtbank is de minister daarom op goede gronden tot de conclusie gekomen dat niet is gebleken dat eiser bij terugkeer, als gevolg van onverschilligheid van de Duitse autoriteiten, buiten zijn eigen wil en keuzes om terechtkomt in een situatie van zeer verregaande materiële deprivatie. De beroepsgrond slaagt niet.

Conclusie en gevolgen

6. De minister heeft de aanvraag terecht niet-ontvankelijk verklaard en daarom heeft hij eiser ook terecht opgedragen onmiddellijk naar Duitsland te gaan. Het beroep is daarom ongegrond. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A. Dijkstra, rechter, in aanwezigheid van

mr. M. Veenstra-van der Veen, griffier en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.

De uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand