RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[naam], eiser,V-nummer: [nummer],
de minister van Asiel en Migratie, de minister,
Samenvatting
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.7037
(gemachtigde: mr. H.J. Janse),
en
(gemachtigde: mr. G.W. Wezelman).
1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de asielaanvraag van eiser. Eiser is het hier niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Mede aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de asielaanvraag.
Procesverloop
2. Eiser heeft op 16 juli 2024 een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. De minister heeft met het bestreden besluit van 3 februari 2026, mede onder verwijzing naar het voornemen van 30 januari 2026, deze aanvraag in de algemene procedure afgewezen als ongegrond. Daarbij is aan eiser ook geen verblijfsvergunning regulier verleend en is aan eiser een terugkeerbesluit opgelegd waarin eiser wordt gemaand binnen vier weken Nederland te verlaten en terug te keren naar Syrië.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
De rechtbank heeft het beroep op 30 april 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, een tolk en de gemachtigde van de minister. De rechtbank heeft het onderzoek op zitting gesloten.
De rechtbank heeft op 11 mei 2025 het onderzoek heropend, omdat het niet volledig is geweest.
Met schriftelijke toestemming van partijen heeft de rechtbank vervolgens het onderzoek, zonder nadere zitting, op 22 augustus 2026 gesloten.
Beoordeling door de rechtbank
Het bestreden besluit
Het asielrelaas
3. Eiser legt aan zijn asielaanvraag ten grondslag dat hij om verschillende redenen niet kan terugkeren naar Syrië. Zo heeft hij geld geleend van iemand voor zijn vertrek uit Syrië. Deze persoon heeft bedreigingen geuit naar eiser, zijn moeder, zijn broer en zijn zus. Ook vreest eiser bij terugkeer geronseld te worden door Al-Qaeda. Verder werd eiser gediscrimineerd vanwege zijn religieuze stroming, het soennisme. Hij werd uitgescholden en geslagen en eiser is bang dat dit opnieuw gebeurd als hij terugkeert. Tot slot voert eiser aan dat de algemene situatie in Syrië slecht is. Er zijn veel bombardementen, geen basisvoorzieningen en veel sektarisch geweld.
4. Het asielrelaas van eiser bevat volgens de minister de volgende asielmotieven: 1. Identiteit, nationaliteit en herkomst; 2. Problemen met [persoon]; 3. Uitgescholden en geslagen door Druzen en Alawieten; 4. Algemene situatie in Syrië.
De minister vindt eisers identiteit, nationaliteit en herkomst geloofwaardig: Eiser is geboren op [geboortedatum], heeft de Syrische nationaliteit, is Arabier en afkomstig uit Al-Bukamal (Abu Kamal). De minister vindt ook asielmotief 2, dat hij is uitgescholden en geslagen door Druzen en Alawieten, geloofwaardig. Eisers problemen met [persoon] vindt de minister niet geloofwaardig, omdat eiser volgens de minister zijn verklaringen niet heeft onderbouwd met objectieve documenten en niet voldoet aan de voorwaarde van artikel 31, zesde lid, onder c van de Vreemdelingenwet (Vw). Volgens de minister zijn eisers verklaringen over het bezoek aan zijn oom en moeder in Syrië en aan zijn broer in Turkije gebaseerd op verklaringen van derden en is het onlogisch dat [persoon] zijn familieleden naar zijn broer in Turkije heeft gestuurd.
De algemene situatie in Syrië heeft de minister niet beoordeeld op geloofwaardigheid, maar op zwaarwegendheid. Hierbij overweegt de minister dat voor Syrië een relatief lager niveau van willekeurig geweld wordt aangenomen. Volgens de minister heeft eiser niet aannemelijk gemaakt dat hij persoonlijk het risico loopt slachtoffer te worden van willekeurig geweld. De minister komt tot de conclusie dat eiser geen vluchteling is als bedoeld in het Vluchtelingenverdrag en dat er geen sprake is van gegronde vrees voor ernstige schade bij terugkeer naar Syrië. De minister heeft eisers asielaanvraag afgewezen als ongegrond.
De minister ziet, voor zover hier van belang, evenmin aanleiding om, mede gelet op het arrest TQ, een verblijfsvergunning regulier te verlenen, omdat eiser ten tijde van het nader gehoor al de meerderjarige leeftijd had bereikt, waardoor er geen aanleiding bestond om onderzoek te doen naar adequate opvang.
Beroepsgrond met betrekking tot Werkinstructie (WI) 2024/6
5. Wat betreft eisers beroepsgrond over de geloofwaardigheidsbeoordeling en WI 2024/6 oordeelt de rechtbank eerst het volgende. De meervoudige kamer van deze rechtbank heeft op 8 augustus 2025 uitspraak gedaan over de nieuwe werkwijze van de minister voor de geloofwaardigheidsbeoordeling. Uit deze uitspraak volgt, kort samengevat, dat de minister niet steeds zonder meer tot de conclusie kan komen dat een asielmotief niet geloofwaardig is als aan één of meerdere van de cumulatieve voorwaarden niet wordt voldaan. De minister dient duidelijk te maken of en aan welke van de cumulatieve voorwaarden is voldaan en moet ook duidelijk maken of er niet aan is voldaan. De rechtbank heeft verder ook overwogen dat het voordeel van de twijfel aan het einde van de beoordeling van het asielrelaas dient te worden onderzocht. De minister dient aan het einde van de beoordeling van het asielrelaas derhalve nog een integrale beoordeling te maken, waarin beoordeeld kan worden of alles overziende de vreemdeling het voordeel van de twijfel moet worden gegund en geconcludeerd kan worden dat het asielrelaas als geheel geloofwaardig is.
De rechtbank stelt vast dat de minister in het bestreden besluit heeft aangegeven dat de beoordeling plaatsvindt volgens WI 2024/6. Aan eiser is voorwaarde c van artikel 31, zesde lid, van de Vw tegengeworpen. Uit het besluit blijkt verder dat de minister voorwaarde e, dat aanvankelijk ook aan eiser was tegengeworpen, niet meer tegenwerpt. Over de overige voorwaarden a, b en d is geen motivering gegeven. Uit de motivering blijkt ook niet dat de minister na afloop van de beoordeling van de vijf cumulatieve voorwaarden uit artikel 31, zesde lid, van de Vw ‘onder de streep’ nog eens naar het geheel heeft gekeken en heeft beoordeeld of alle feiten en omstandigheden bij elkaar genomen toch niet maken dat het voordeel van de twijfel moet worden gegund en het asielrelaas van eiser geloofwaardig zou moeten worden geacht. Zo is in het besluit ook niet gemotiveerd op welke wijze het niet meer tegenwerpen van voorwaarde in de geloofwaardigheidsbeoordeling heeft meegewogen. Omdat deze afweging ontbreekt, is onduidelijk hoe de minister tot zijn eindconclusie over de ongeloofwaardigheid is gekomen. De minister heeft naar het oordeel van de rechtbank niet inzichtelijk gemaakt op welke wijze onder aan de streep een integrale beoordeling, inclusief een beoordeling van het voordeel van de twijfel, is verricht.
Derhalve slaagt deze beroepsgrond. Dit leidt tot de conclusie dat het bestreden besluit onvoldoende is gemotiveerd en in strijd is met artikel 3:46 Awb. Het beroep is al daarom gegrond.
Beroepsgrond over eisers referentiekader
6. Eiser voert in dit verband onder meer aan dat de minister het referentiekader niet deugdelijk heeft gemotiveerd. De minister heeft eiser ten onrechte tegengeworpen dat hij geen documenten heeft overgelegd. Verder is de motivering van de minister dat verwacht mag worden dat eiser in staat is om het belang van documenten in te zien, omdat hij versneld zijn schoolopleiding heeft gevolgd en gewerkt heeft, niet juist en niet deugdelijk, aldus eiser.
Deze beroepsgrond slaagt ook. De rechtbank acht met eiser de hierboven gegeven motivering van de minister onbegrijpelijk en daardoor niet deugdelijk. Eiser heeft met juistheid aangegeven dat hij vanwege de oorlog veel schooljaren heeft overgeslagen en dat dat niets zegt over zijn intelligentie en/of referentiekader, maar alles over de stand van het onderwijs in Syrië in de oorlogsjaren. Eiser stelt dat veel leerlingen vele jaren van onderwijs misten, wat leidde tot grote leerachterstanden en schooluitval. De minister heeft dit niet voldoende bestreden. De motivering van de minister en de verwachting van de minister dat eiser het belang van documenten kan inzien, is dan ook niet deugdelijk gemotiveerd.
Problemen met [persoon]
7. Eiser voert aan dat de minister zijn problemen met [persoon] ten onrechte niet geloofwaardig vindt. Volgens eiser zijn zijn verklaringen niet vaag of uitsluitend via derden vernomen. Bovendien gaat het om de eigen ervaringen van zijn moeder en broer die over de bedreigingen met eiser hebben gesproken. Verder voert eiser aan dat hem ten onrechte wordt tegengeworpen dat hij niet kan uitleggen hoe [persoon] achter de verblijfplaats van zijn broer in Turkije is gekomen. Eiser kan dit immers ook niet weten. Ook begrijpt eiser niet wat de minister van hem verwacht wanneer hij stelt dat uit de foto van zijn gewonde broer niet blijkt dat het daadwerkelijk om zijn broer gaat, of dat de verwondingen zijn veroorzaakt door [persoon] en zijn mannen. Hierbij wijst eiser erop dat het asielrelaas aannemelijk gemaakt moet worden, niet bewezen. Nu de minister voorwaarde e niet langer tegenwerpt, lijkt de ongeloofwaardigheid volgens eiser uitsluitend te zijn gebaseerd op de vermeende vage verklaringen. Eiser stelt dat dit oordeel daar in redelijkheid niet uit kan volgen. Op de zitting heeft eisers gemachtigde verder gewezen op de transcriptie van het telefoongesprek tussen [persoon] en eisers moeder en de originele aangifte van zijn zus. Op basis van deze stukken is het volgens de gemachtigde onbegrijpelijk dat de minister de bedreigingen van [persoon] niet geloofwaardig vindt.
De rechtbank is van oordeel dat het betoog van eiser dat hij zijn verklaringen niet uitsluitend via derden heeft vernomen, niet slaagt. De rechtbank is met de minister van oordeel dat eisers verklaringen in dit verband van derden, waaronder zijn moeder en zus, afkomstig zijn. Verder kan ook aan de foto die eiser heeft overgelegd weinig en zeker geen doorslaggevende bewijswaarde worden gehecht.
De rechtbank is echter verder van oordeel dat nu het relaas van eiser gebaseerd is op de verklaringen van derden, het door eiser overgelegde bewijsmateriaal dat daarmee verband houdt van groot belang is. Eiser heeft in deze beroepsprocedure ook nog een transcriptie van het telefoongesprek tussen [persoon] en zijn moeder als ook de aangifte van zijn zus overgelegd. Beide kunnen van belang zijn voor de beoordeling en de uitkomst van de geloofwaardigheidsbeoordeling, niet alleen waar het gaat om de beoordeling van voorwaarde c, maar ook voor de integrale beoordeling en de beoordeling of aan eiser het voordeel van de twijfel moet worden gegund.
De rechtbank is gelet op het voorgaande van oordeel dat de minister nader onderzoek moet laten verrichten naar deze door eiser overgelegde documenten. Pas daarna kan en dient de minister te beoordelen in hoeverre deze documenten doorwerken in de beoordeling van asielmotief 2, waarbij ook de vraag aan de orde is in hoeverre deze van betekenis zijn in het standpunt van de minister dat eiser onlogisch zou hebben verklaard, als ook in de integrale geloofwaardigheidsbeoordeling.
Ook deze beroepsgrond slaagt. Het beroep is ook gelet op het voorgaande gegrond.
Beroepsgrond met betrekking tot de verblijfsvergunning regulier
8. De rechtbank volgt eiser niet in zijn betoog dat aan hem een verblijfsvergunning regulier had moeten worden verleend. De rechtbank is met de minister van oordeel dat gezien het arrest TQ aan eiser geen verblijfsvergunning regulier hoeft te worden verleend. Eiser had ten tijde van het nader gehoor al de meerderjarige leeftijd bereikt, waardoor er voor de minister geen aanleiding bestond om onderzoek te doen naar adequate opvang.
Conclusie en gevolgen
9. Het beroep is gegrond. De minister heeft eisers asielaanvraag ten onrechte afgewezen als ongegrond. Dat betekent dat ook ten onrechte een terugkeerbesluit is opgelegd. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit in zoverre.
De rechtbank ziet geen aanleiding om het geschil finaal te beslechten. De minister dient eerst asielmotief 2 opnieuw te onderzoeken en te beoordelen en een nieuwe integrale geloofwaardigheidsbeoordeling te verrichten en vervolgens een nieuw besluit te nemen met inachtneming van wat in deze uitspraak is overwogen. Omdat de uitkomst hiervan nog ongewis is, laat de rechtbank de overige beroepsgronden die betrekking hebben op de zwaarwegendheid in deze uitspraak onbesproken. De rechtbank geeft de minister zes weken voor het nemen van een nieuw besluit.
Omdat het beroep gegrond is krijgt eiser een vergoeding van zijn proceskosten. De minister moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.868,- omdat de gemachtigde van eiser een beroepschrift heeft ingediend en aan de zitting heeft deelgenomen. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.
Beslissing
De rechtbank:- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit van 3 februari 2026, voor zover hierin de asielaanvraag van eiser is afgewezen als ongegrond en een terugkeerbesluit is opgelegd;
- draagt de minister op binnen zes weken na de dag van bekendmaking van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op de asielaanvraag, waarbij rekening wordt gehouden met deze uitspraak;
- veroordeelt de minister tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan eiseres.
Deze uitspraak is gedaan door mr. N.M. van Waterschoot, rechter, in aanwezigheid van mr.M. Veenstra - van der Veen, griffier, en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
Openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.