[eiser] ,
geboren op [geboortedag] 1982, van Turkse nationaliteit, eiser
(gemachtigde: mr. S. Oukil),
en
de minister van Asiel en Migratie,
(gemachtigde: mr. L. Augustinus).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep tegen de afwijzing van de asielaanvraag van eiser. De minister heeft met het bestreden besluit van 2 juli 2025 deze aanvraag in de algemene procedure afgewezen als kennelijk ongegrond.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
De rechtbank heeft het beroep op 4 juni 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, L. Ileri als tolk en de gemachtigde van de minister.
Bij sluiting van het onderzoek op zitting heeft de rechtbank meegedeeld binnen zes weken uitspraak te doen. De rechtbank heeft deze termijn niet gehaald en partijen bericht zes weken later uitspraak te doen.
Beoordeling door de rechtbank
Het asielrelaas
2. Eiser legt aan zijn asielaanvraag het volgende ten grondslag. Eiser heeft Turkije in 2017 verlaten omdat hij werd bedreigd door schuldeisers. Door deze schuldeisers is hij onder andere vastgehouden en mishandeld, omdat hij zijn schulden niet kon aflossen. Daarnaast vermoedt eiser dat in Turkije een strafrechtelijk onderzoek naar hem loopt vanwege zijn kritische politieke uitlatingen over Erdogan op social media of vanwege zijn schuld bij zijn schuldeisers. Bij terugkeer vreest hij voor zijn leven.
Het bestreden besluit
3. Het asielrelaas van eiser bevat volgens de minister de volgende relevante elementen:
De minister heeft de identiteit, nationaliteit en herkomst van eiser, zijn politieke overtuiging en zijn problemen wegens zijn Koerdische etniciteit geloofwaardig geacht. De gestelde problemen met schuldeisers en dat er een strafrechtelijk onderzoek naar eiser loopt acht de minister niet geloofwaardig. De geloofwaardig bevonden elementen acht de minister onvoldoende zwaarwegend om over te gaan tot het verlenen van een verblijfsvergunning. De minister concludeert daarom dat de asielaanvraag kennelijk ongegrond is.
De toets door de rechtbank
4. In de arresten van 4 juni 2026 in de zaken Ebilum en Quotal heeft het Hof van Justitie van de Europese Unie overwogen dat de terughoudende toets, zoals de Nederlandse rechter die nu in asielzaken verricht, niet verenigbaar is met het Europees recht. In lijn met deze rechtspraak toetst de rechtbank het bestreden besluit daarom vol.
De rechtbank is van oordeel dat er in dit stadium geen sprake is van een volledig en ex-nunc onderzoek om een bindende uitspraak te doen over de vraag of eiser voldoet aan de voorwaarden voor internationale bescherming. De rechtbank zal dit oordeel hierna motiveren aan de hand van de beoordeling van de meest verstrekkende beroepsgronden.
5. Dat eiser een politieke overtuiging heeft, zich in het verleden kritisch heeft geuit over Erdogan, bijeenkomsten van de HDP heeft bijgewoond en kritische berichten op zijn Facebookpagina plaatst, is niet in geschil. Dat eiser daardoor een gegronde vrees voor vervolging heeft in Turkije of een reëel risico loopt op ernstige schade vindt de minister echter niet aannemelijk. Dat is omdat de minister niet geloofwaardig acht dat tegen eiser een strafrechtelijk onderzoek loopt en dat hij problemen heeft met schuldeisers. Ten tijde van het bestreden besluit had eiser deze twee onderdelen van zijn asielrelaas niet met documenten onderbouwd.
6. In beroep heeft eiser strafrechtelijke stukken overgelegd en een notariële akte met betrekking tot de gestelde schuld en hypotheek.
Ten aanzien van de strafrechtelijke stukken
De minister heeft de strafrechtelijke stukken door BD laten onderzoeken. Volgens de verklaring van onderzoek van BD van 30 januari 2026 zijn deze stukken met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid niet bevoegd opgemaakt en afgegeven. De minister heeft aan zijn vergewisplicht voldaan door de interne afdeling TOELT te vragen naar de verklaring van onderzoek van BD te kijken. TOELT is tot de conclusie gekomen dat deze verklaring van onderzoek inhoudelijk inzichtelijk is. Gezien deze omstandigheid bestaat geen grond voor het oordeel dat de minister niet heeft voldaan aan zijn vergewisplicht. De vergewisplicht strekt niet zo ver dat de minister in detail inzichtelijk moet maken hoe de conclusies in de deskundigenrapportages tot stand komen. De minister hoeft niet te controleren of de deskundige zijn werk vakinhoudelijk goed heeft gedaan en hoeft op dat punt ook niet ten minste over dezelfde deskundigheid te beschikken als de deskundige die het advies heeft opgesteld.
Eiser heeft echter kort voor de zitting op 1 juni 2026 screenshots van een digitaal juridisch portaal en een begeleidende brief van de Turkse advocaat overgelegd waaruit de lopende strafzaak tegen eiser blijkt. Deze stukken zouden concrete aanknopingspunten kunnen zijn om te twijfelen aan de conclusies van BD. De minister gaat echter niet zonder meer uit van wat uit deze stukken blijkt, omdat het verklaringen van de advocaat van eiser zijn en volgens de minister daarmee niet afkomstig zijn van een objectieve bron. Dat de verklaringen overeenkomen met wat uit de eerder overgelegde strafrechtelijke stukken naar voren komt, doet er volgens de minister niet aan af dat de strafrechtelijke stukken gelet op de conclusies van BD met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid niet bevoegd zijn opgemaakt en afgegeven. Er kan dus niet worden vastgesteld of de documenten inhoudelijk juist zijn. Daarom kan ook geen waarde aan die verklaringen van de Turkse advocaat worden gehecht.
De rechtbank acht deze motivering van de minister onvoldoende. Eiser heeft in beroep inspanningen verricht om zijn gestelde vrees met documenten te onderbouwen. Hij heeft zijn Turkse advocaat benaderd en deze verklaring van hem gekregen met een uitdraai uit het advocatenportaal. Zonder een deugdelijke motivering kan de rechtbank de minister niet volgen dat eiser hiermee geen concrete aanknopingspunten heeft aangeleverd om te twijfelen aan de conclusies van BD. Daarvoor is onvoldoende dat de details over het onderzoek wel aansluiten bij de strafrechtelijke stukken maar dat die strafrechtelijke stukken naar de conclusies van BD met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid niet bevoegd zijn opgemaakt en afgegeven. Dat een verklaring van een advocaat niet objectief is, volgt de rechtbank niet zonder meer. Voor zover de minister meer informatie over deze advocaat en de lopende strafzaak wil ontvangen, is het dan aan de minister om het in het kader van zijn samenwerkingsplicht aan te geven welke informatie ontbreekt en desgewenst zelf na te gaan of dit advocatenportaal bestaat en de verklaringen van de advocaat te verifiëren.
Ten aanzien van de notariële akte met betrekking tot de gestelde schuld en hypotheek
De minister heeft dit stuk in beroep niet onderzocht en betrokken omdat het voor de minister onduidelijk was waartoe dit stuk diende. Eiser heeft ter zitting toegelicht dat de notariële akte is overgelegd ter onderbouwing van zijn schulden bij de schuldeisers. Eiser had destijds zijn huis gekocht onder de marktwaarde. Omdat eiser nadien de hoge rente van de schuld niet aan zijn schuldeisers kon betalen, heeft hij op 18 augustus 2011 onder dwang van de schuldeisers zijn huis in onderpand moeten geven. Deze overeenkomst is onder dreigement van schuldeisers bij de notaris tot stand gekomen.
De minister dient dit stuk alsnog te betrekken bij de beoordeling van het relevante element problemen met de schuldeisers en eisers gestelde vrees voor de schuldeisers bij terugkeer naar Turkije.
Conclusie en gevolgen
7. De minister heeft de aanvraag ten onrechte afgewezen als kennelijk ongegrond. Het beroep is gegrond omdat het bestreden besluit in strijd is met het zorgvuldigheidsbeginsel en het motiveringsbeginsel. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit. De rechtbank ziet geen reden om de rechtsgevolgen van het besluit in stand te laten of zelf een beslissing over de aanvraag te nemen. Dit omdat de minister nader onderzoek dient te verrichten. Ook draagt de rechtbank niet aan de minister op om het gebrek te herstellen met een betere motivering of een ander besluit (een zogenoemde bestuurlijke lus). Dit omdat dit volgens de rechtbank geen doelmatige en efficiënte manier is om de zaak af te doen.
De rechtbank bepaalt met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb dat de minister een nieuw besluit moet nemen en daarbij rekening houdt met deze uitspraak. De rechtbank geeft de minister hiervoor acht.
Omdat het beroep gegrond is krijgt eiser een vergoeding van zijn proceskosten.
De minister moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.868,- omdat de gemachtigde van eiser een beroepschrift heeft ingediend en aan de zitting heeft deelgenomen. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit van 2 juli 2025;
- draagt de minister op binnen acht weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op de aanvraag, waarbij rekening wordt gehouden met deze uitspraak;
- veroordeelt de minister tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan eiser.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.H.W. Franssen, rechter, in aanwezigheid van mr. S. Pirs, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.