RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiseres] ,
de minister van Asiel en Migratie, de minister
Zittingsplaats Amsterdam
Bestuursrecht
Zaaknummer: NL25.25352
V-nummer: [v-nummer]
geboren op [geboortedag] 1978, van Azerbeidzjaanse nationaliteit, eiseres
(gemachtigde: mr. F. Kiliç-Arslan),
en
(gemachtigde: mr. E.M. den Hollander).
Procesverloop
Bij besluit van 17 maart 2025 (het primaire besluit) heeft de minister de aanvraag van eiseres tot verlening van een EU-verblijfsvergunning voor langdurig ingezetenen dan wel een verblijfsvergunning regulier voor onbepaalde tijd afgewezen. Aan eiseres is wel ambtshalve een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd verleend.
Bij besluit van 13 mei 2025 (het bestreden besluit I) heeft de minister het bezwaar van eiseres tegen het primaire besluit ongegrond verklaard.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit I.
Bij besluit van 27 juli 2026 (het intrekkingsbesluit) heeft de minister het bestreden besluit I ingetrokken.
Bij besluit van 29 juli 2026 (het bestreden besluit II) heeft de minister het bezwaar van eiseres gegrond verklaard en aan eiseres een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd verleend met ingang van 31 oktober 2024.
De rechtbank heeft het beroep op 26 augustus 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, de gemachtigde van eiseres en de gemachtigde van de minister.
Overwegingen
Wat is aan deze zaak voorafgegaan?
1. Eiseres heeft op 31 oktober 2024 een aanvraag ingediend voor een EU-verblijfsvergunning voor langdurig ingezetenen, dan wel een verblijfsvergunning regulier voor onbepaalde tijd.
Met het primaire besluit heeft de minister besloten dat eiseres niet in aanmerking komt voor een EU-verblijfsvergunning voor langdurig ingezetenen of een verblijfsvergunning regulier voor onbepaalde tijd. Wel heeft de minister aan eiseres ambtshalve een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd verleend met als doel ‘verblijf als familie- of gezinslid bij [persoon] ’, met als ingangsdatum 31 oktober 2024 en geldig tot 31 oktober 2029.
Met het bestreden besluit I heeft de minister het bezwaar van eiseres tegen het primaire besluit ongegrond verklaard, omdat eiseres niet voldeed aan het inburgeringsvereiste.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit I. Eiseres heeft in de beroepsfase een brief van 20 mei 2025 van DUO overgelegd, waarin staat dat zij heeft laten zien dat zij voldoende ingeburgerd is.
De minister heeft naar aanleiding van deze brief met het intrekkingsbesluit van 27 juli 2026 het bestreden besluit I ingetrokken. Eiseres heeft in reactie op de intrekking van het bestreden besluit I te kennen gegeven dat zij het beroep wenst te handhaven en heeft verzocht om vergoeding van de proceskosten en het griffierecht.
Met het bestreden besluit II van 29 juli 2026 heeft de minister het bezwaar van eiseres tegen het primaire besluit gegrond verklaard en aan eiseres een verblijfsvergunning regulier voor onbepaalde tijd verleend met 31 oktober 2024 als ingangsdatum.
Eiseres heeft bij berichten van 12 en 17 augustus 2026 meegedeeld dat zij belang heeft bij het voortzetten van de beroepsprocedure, omdat de minister haar geen EU-verblijfsvergunning voor langdurig ingezetenen heeft verleend.
Bij bericht van 14 augustus 2026 heeft de minister aangegeven dat er geen aanleiding bestaat voor een proceskostenveroordeling en een vergoeding van het griffierecht. Volgens de minister is het bestreden besluit I genomen op basis van de informatie die op dat moment beschikbaar was. Aan dat besluit lag geen aan de minister toe te rekenen gebrek ten grondslag. De in beroep overgelegde verklaring van DUO van 20 juni 2025 is voor de minister aanleiding geweest het bestreden besluit I in te trekken en opnieuw te beslissen op het bezwaar. Dat het beroep om andere gegronde redenen is ingediend volgt de minister evenmin. De minister verwijst in dit verband naar de ambtshalve inwilliging op grond van 8 EVRM in het primaire besluit en het bezwaarschrift van 26 maart 2025, waarin enkel de inburgering aan de orde is gesteld. Onder deze omstandigheden bestaat geen aanleiding de door eiseres gemaakte proceskosten te vergoeden.
Op 17 augustus 2026 heeft de minister een verweerschrift ingediend.
Beoordeling door de rechtbank
Het beroep tegen het bestreden besluit I en het intrekkingsbesluit.
Heeft eiseres nog belang bij een inhoudelijke beoordeling van het beroep tegen het bestreden besluit I en het intrekkingsbesluit?
2. De rechtbank stelt vast dat het beroep van eiseres tegen het bestreden besluit I op grond van artikel 6:19 van de Awb van rechtswege ook betrekking heeft op het intrekkingsbesluit en het bestreden besluit II.
De rechtbank is niet gebleken dat eiseres nog belang heeft bij een inhoudelijke beoordeling van haar beroep tegen het bestreden besluit I (en evenmin tegen het intrekkingsbesluit), omdat dit besluit is vervangen door het bestreden besluit II. Het beroep tegen het bestreden besluit I en het intrekkingsbesluit is daarom niet-ontvankelijk.
Moet de minister de door eiseres gemaakte proceskosten en het griffierecht vergoeden?
De rechtbank ziet aanleiding om de minister te veroordelen in de proceskosten. De rechtbank stelt vast dat eiseres al in het bezwaarschrift van 27 maart 2026 aan de minister heeft meegedeeld dat zij bezig is een actuele verklaring van DUO te krijgen en dat zij niet hoeft in te burgeren. Zij heeft daarom om uitstel verzocht. De minister heeft zonder op dit uitstelverzoek te reageren en/of eiseres in de bezwaarfase te horen het bestreden besluit I genomen. Dat eiseres pas in de beroepsfase de verklaring van DUO heeft overgelegd die tot intrekking van het bestreden besluit I heeft geleid, kan haar in de gegeven omstandigheden dan ook niet worden aangerekend.
De hoogte van deze proceskostenvergoeding zal de rechtbank aan het eind van deze uitspraak bepalen. Ook moet de minister het griffierecht vergoeden.
Het beroep tegen het bestreden besluit II
3. Eiseres meent dat de minister haar in het bestreden besluit II ten onrechte geen EU-verblijfsvergunning voor langdurig ingezetenen heeft verleend (in plaats van de wel verleende verblijfsvergunning regulier voor onbepaalde tijd). Zij heeft op de zitting naar voren gebracht dat de minister bij het tegenwerpen van het middelenvereiste een evenredigheidsbeoordeling had moeten maken. Volgens eiseres is het in haar geval onevenredig om het middelenvereiste tegen te werpen, omdat zij gelet op haar medische situatie nooit in staat zal zijn aan het middelenvereiste te voldoen en daardoor ook nooit in aanmerking zal komen voor een EU-verblijfsvergunning voor langdurig ingezetenen. Eiseres stelt dat zij belang heeft bij het verkrijgen van deze verblijfsvergunning, omdat zij zich daarmee in een andere EU-lidstaat met een warmer klimaat kan vestigen waar zij minder lichamelijke klachten zal ondervinden.
Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank is van oordeel dat de minister zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat er geen ruimte bestaat voor een evenredigheidsbeoordeling. Artikel 5, eerste lid, aanhef en onder a, van de Richtlijn langdurig ingezetenen is namelijk dwingend geformuleerd. Uit artikel 13 van deze richtlijn volgt weliswaar dat lidstaten een verblijfstitel onder gunstigere voorwaarden mogen afgeven dan die welke in de richtlijn zijn vastgesteld, maar de wetgever heeft van die mogelijkheid geen gebruik gemaakt. In de wetsgeschiedenis bij de totstandkoming van artikel 45b van de Vw, waarin het middelenvereiste uit de Richtlijn langdurig ingezetenen is geïmplementeerd, staat immers dat op de voorwaarde dat sprake is van voldoende bestaansmiddelen geen uitzondering kan worden gemaakt. Gelet hierop is afwijking of een evenredigheidsbeoordeling ten aanzien van het middelenvereiste niet mogelijk. De minister heeft de aanvraag voor EU-verblijfsvergunning voor langdurig ingezetenen dan ook op goede gronden afgewezen. De beroepsgrond slaagt niet.
4. De rechtbank merkt ten overvloede en ter voorlichting van eiseres nog op dat de status van langdurig ingezetene eiseres niet zonder meer de vrijheid zou geven om zich te vestigen in een andere land. Een dergelijke status geeft immers geen onvoorwaardelijk recht om in een andere EU-lidstaten te verblijven, maar maakt het enkel mogelijk om onder bepaalde voorwaarden een verblijfsvergunning in een andere EU-lidstaat te verkrijgen.
Conclusie en gevolgen
5. Het beroep tegen het bestreden besluit I en het intrekkingsbesluit is niet-ontvankelijk. Het beroep tegen het bestreden besluit II is ongegrond. Dat betekent dat de afwijzing van de aanvraag voor een EU-verblijfsvergunning voor langdurig ingezetenen in stand blijft.
6. De minister moet wel het griffierecht aan eiseres vergoeden. Eiseres krijgt ook een vergoeding van haar proceskosten. Deze vergoeding bedraagt € 1.868, - omdat de gemachtigde van eiseres een beroepschrift heeft ingediend en aan de zitting heeft deelgenomen. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep tegen het bestreden besluit I en het intrekkingsbesluit niet-ontvankelijk;
- verklaart het beroep tegen het bestreden besluit II ongegrond;
- bepaalt dat de minister het griffierecht van € 194,- aan eiseres moet vergoeden;
- veroordeelt de minister tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan eiseres.
Deze uitspraak is gedaan door mr. C.A.R. Bleijendaal, rechter, in aanwezigheid van mr. F.W. Victoor, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.