RECHTBANK DEN HAAG
[eiseres] ,
de minister van Asiel en Migratie,
Samenvatting
Zittingsplaats Amsterdam
Bestuursrecht
Zaaknummers: NL26.15189 (beroep)
NL26.15190 (voorlopige voorziening)
V-nummer: [v-nummer]
uitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter in de zaken tussen
geboren op [geboortedag 1] 1992, van Marokkaanse nationaliteit, eiseres en verzoekster (hierna: eiseres),
mede namens haar minderjarige kinderen:
[persoon] , geboren op [geboortedag 2] 2014, van onbekende nationaliteit
[persoon] , geboren op [geboortedag 3] 2017, van onbekende nationaliteit[persoon] , geboren op [geboortedag 4] 2019, van onbekende nationaliteit
(gemachtigde: mr. D.W.M. van Erp),
en
(gemachtigde: mr. J.P. Arts).
1. Deze uitspraak gaat over het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag van eiseres als bedoeld in artikel 28 van de Vw 2000. Eiseres is het hier niet mee eens. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank/voorzieningenrechter (hierna: rechtbank) het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag in stand kan blijven. Dat betekent dat eiseres ongelijk krijgt. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. Eiseres heeft een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. De minister heeft de aanvraag met het bestreden besluit van
18 maart 2026 niet in behandeling genomen omdat Spanje verantwoordelijk is voor de behandeling van de aanvraag.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit en een verzoek om een voorlopige voorziening ingediend.
De rechtbank heeft het beroep en het verzoek op 27 augustus 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, mr. E. Uiterwaal als waarnemer van de gemachtigde van eiseres, K. Lazar als tolk in de Marokkaans Arabische taal en de gemachtigde van de minister.
Beoordeling door de rechtbank
Bestreden besluit
3. De Europese Unie heeft gezamenlijke regelgeving over het in behandeling nemen van asielaanvragen. Die staat in de Dublinverordening. Op grond van de Dublinverordening neemt de minister een asielaanvraag niet in behandeling als is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan. In dit geval heeft Nederland bij Spanje een verzoek om overname gedaan. Spanje heeft dit verzoek op 4 maart 2026 aanvaard.
Interstatelijk vertrouwensbeginsel
4. Eiseres voert aan dat dat ten aanzien van Spanje niet langer kan worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Eiseres is zich bewust van de uitspraken van de Afdeling, maar volgens eiseres volgt uit de AIDA-rapporten (waaronder de update 2025) dat sprake is van structurele en aanhoudende tekortkomingen in de opvangvoorzieningen in Spanje. Daarbij verwijst eiseres ook naar de inbreukprocedure die de Europese Commissie in januari 2023 is gestart. Er is geen zicht op verbetering op de korte termijn.
5. De minister stelt zich op het standpunt dat hij mag uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel en verwijst daarbij naar verschillende uitspraken van de Afdeling.
6. De rechtbank overweegt dat op grond van het interstatelijk vertrouwensbeginsel de minister er in het algemeen vanuit mag gaan dat de lidstaten die partij zijn bij de Dublinverordening – waaronder ook Spanje – hun verplichtingen uit hoofde van internationale verdragen naleven. Dit betekent dat de minister mag uitgaan van het vermoeden dat de behandeling van eiseres en haar kinderen na overdracht aan Spanje in overeenstemming is met de bepalingen uit het EVRM, het Handvest en het Vluchtelingenverdrag. Het is aan eiseres om aannemelijk te maken dat in haar geval niet van het interstatelijk vertrouwensbeginsel mag worden uitgegaan, omdat de asielprocedure in Spanje een fundamentele systeemfout bevat die de bijzonder hoge drempel van zwaarwegendheid bereikt als bedoeld in het arrest Jawo van het Hof. De rechtbank is van oordeel dat eiseres hier niet in is geslaagd en overweegt hiertoe als volgt.
De Afdeling heeft in haar uitspraak van 12 januari 2026 geoordeeld dat ten aanzien van Spanje kan worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. De Afdeling heeft in die uitspraak de overwegingen van de rechtbank, zittingsplaats Haarlem van 12 december 2025 overgenomen. Daarbij is ingegaan op de opvangomstandigheden in Spanje en is onder andere geoordeeld dat het AIDA-rapport update 2024 (april 2025) geen wezenlijk ander beeld schetst van de situatie in Spanje voor Dublinclaimanten dan de informatie waar de Afdeling eerder al over heeft geoordeeld. Hoewel het lastig kan zijn voor Dublinclaimanten om toegang te verkrijgen tot opvangvoorzieningen en de asielprocedure, blijkt niet dat die problemen dermate structureel en ernstig zijn, dat bij overdracht aan Spanje op voorhand sprake is van een reëel risico op een met artikel 3 van het EVRM en artikel 4 van het EU Handvest strijdige behandeling. De gestarte inbreukprocedure tegen Spanje doet niet af aan de conclusie dat ten aanzien van Spanje uitgegaan mag worden van het interstatelijk vertrouwensbeginsel.
Het door eiseres aangehaalde AIDA-rapport update 2025 (april 2026) dat in april 2026 is verschenen geeft naar het oordeel van de rechtbank ook geen wezenlijk ander of slechter beeld van de asiel- en opvangsituatie voor Dublinclaimanten ten opzichte van de eerdere rapporten, waardoor niet langer van het interstatelijk vertrouwensbeginsel uitgegaan kan worden. Daar komt bij dat de Spaanse autoriteiten met het claimakkoord hebben gegarandeerd het asielverzoek van eiseres en haar kinderen in behandeling te nemen in overeenstemming met de Europese asiel- en opvangrichtlijnen. De minister mocht er daarom van uitgaan dat Spanje zijn internationale verplichtingen naleeft.
Artikel 17 van de Dublinverordening
7. Eiseres voert daarnaast aan dat de minister onvoldoende heeft gemotiveerd waarom hij geen gebruik maakt van zijn bevoegdheid op grond van artikel 17 van de Dublinverordening. Eiseres vreest voor haar leven in Spanje. Eiseres wordt bedreigd door haar Marokkaanse broer en Spanje ligt geografisch dicht bij Marokko. Daarnaast heeft eiseres veel volgers op sociale media, waardoor zij snel kan worden herkend. Bovendien heeft haar broer ook vrienden in Spanje, waardoor eiseres snel kan worden gelokaliseerd en het voor haar niet veilig is in Spanje. De Spaanse politie heeft ook de ex-vrouw van haar broer niet kunnen beschermen. De angst van eiseres heeft ook effect op haar minderjarige kinderen. Met de belangen van de kinderen om in een stabiele en veilige omgeving op te groeien is onvoldoende rekening gehouden. Stabiliteit ziet niet alleen op de toekomst, maar ook op de huidige opgebouwde situatie. De kinderen hebben in Nederland een zekere mate van rust en structuur bereikt.
8. De minister betoogt dat alle aangevoerde omstandigheden niet voldoende bijzonder zijn om van overdracht af te zien. De geloofwaardigheid van de bedreigingen (het asielmotief) wordt in het midden gelaten, maar indien van de bedreigingen uitgegaan dient te worden dan onderkent de minister dat eiseres in een vervelende situatie zit en dat zij zich hierdoor onveilig voelt. Hiermee heeft eiseres echter niet laten zien dat de overheid van Spanje haar niet wil of kan helpen. Daarnaast begrijpt de minister dat het een stressvolle periode is geweest, maar dit vormt geen aanleiding om te concluderen dat het in het belang van de kinderen is om de asielaanvraag in Nederland te behandelen. Rust en stabiliteit zijn ook in Spanje op te bouwen. Dat de kinderen inmiddels naar school gaan, maakt dit niet anders. De kinderen kunnen immers ook naar school in Spanje. Tot slot heeft eiseres geen (medische) documenten overgelegd, waaruit blijkt dat er sprake zal zijn van onevenredige hardheid als eiseres en haar kinderen worden overgedragen aan Spanje.
9. De rechtbank overweegt dat de minister een discretionaire bevoegdheid heeft om te besluiten of zij een asielaanvraag onverplicht aan zich trekt. Gelet daarop toetst de rechtbank de beslissing terughoudend. Op grond van het beleid van de minister trekt zij een asielaanvraag aan zich, in ieder geval als bijzondere, individuele omstandigheden de overdracht onevenredig hard maken. Zoals de Afdeling heeft overwogen in haar uitspraak van 13 juni 2022, kan in dat kader het belang van een betrokken kind relevant zijn en moet de rechter toetsen of de minister zich bij haar belangenafweging voldoende rekenschap heeft gegeven van de belangen van het kind, voor zover aangevoerd. Op grond van artikel 3 van het IVRK en artikel 6, eerste lid, van de Dublinverordening moeten de belangen van de kinderen een eerste overweging vormen. Zoals volgt uit het arrest M.A. van het Hof verplicht artikel 6, eerste lid, van de Dublinverordening de minister niet om een verzoek om internationale bescherming zelf te behandelen op grond van artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening.
De rechtbank is van oordeel dat de minister in redelijkheid heeft kunnen beslissen geen gebruik te maken van zijn discretionaire bevoegdheid om de asielaanvraag van eiseres in behandeling te nemen. De minister heeft de door eiseres aangevoerde omstandigheden betrokken in zijn belangenafweging. De rechtbank begrijpt dat eiseres zich onveilig voelt en vreest voor haar broer gelet op zijn bedreigingen. Eiseres heeft alleen niet met stukken onderbouwd dat de Spaanse autoriteiten haar niet kunnen of willen helpen in geval van problemen met haar broer (en dat dit in Nederland anders zou zijn). De rechtbank merkt op dat Spanje met het claimakkoord heeft gegarandeerd om de aanvraag van eiseres in behandeling te nemen met inachtneming van de internationale verplichtingen. De bedreigingen door haar broer zijn een asielgrond die eiseres in Spanje naar voren kan brengen. Als eiseres vindt dat Spanje zijn verplichtingen niet nakomt, ligt het op haar weg om daarover in Spanje te klagen bij de (hogere) autoriteiten of de daartoe geëigende instanties. Eiseres heeft niet aannemelijk gemaakt dat dit voor haar niet mogelijk, uiterst moeilijk of bij voorbaat zinloos is. Gelet op het interstatelijk vertrouwensbeginsel mag de minister er vanuit gaan dat eiseres zich in Spanje tot de (hogere) autoriteiten kan wenden.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister eveneens deugdelijk gemotiveerd dat de belangen van de kinderen niet zwaarwegend genoeg zijn om tot de conclusie te komen dat overdracht naar Spanje onevenredig hard zou zijn. Het is begrijpelijk en invoelbaar dat de kinderen van eiseres niet weer willen verhuizen. Zij gaan naar school, leren de Nederlandse taal en voelen eindelijk stabiliteit na een enorm stressvolle periode. Daar staat tegenover dat de kinderen nog niet heel lang in Nederland zijn en niet is onderbouwd en ook niet is gebleken van bijzondere omstandigheden waardoor het welzijn en de sociale ontwikkeling van de kinderen zal verslechteren door een overdracht aan Spanje.
Conclusie en gevolgen
10. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiseres ongelijk krijgt en het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag in stand blijft.
11. Nu op het beroep is beslist bestaat er geen aanleiding tot het treffen van een voorlopige voorziening. Het verzoek wordt afgewezen.
12. Eiseres krijgt geen vergoeding van haar proceskosten.
Beslissing
De rechtbank, in de zaak geregistreerd onder zaaknummer NL26.15189:
- verklaart het beroep ongegrond;
De voorzieningenrechter, in de zaak geregistreerd onder zaaknummer NL26.15190:
- wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.E. van Bruggen, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van mr. K.C. van der Vegt, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Tegen de uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen rechtsmiddel open.