Rechtbank den haag
Team handel - voorzieningenrechter
zaak- / rolnummer: C/09/709003 / KG ZA 26-792
Vonnis in kort geding van 2 september 2026
in de zaak van
DE STAAT DER NEDERLANDEN (Ministerie van Financiën, Directoraat-Generaal Belastingdienst) te Den Haag,
eiser in conventie,
verweerder in voorwaardelijke reconventie,
advocaat: mr. W.I. Wisman,
tegen:
[partij B] te [woonplaats],
gedaagde in conventie,
eiser in voorwaardelijke reconventie,
advocaat: mr. A.B. Vissers.
Partijen worden hierna respectievelijk aangeduid als ‘de Belastingdienst’ en ‘[partij B]’.
1. De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 17 juli 2026 met producties 1 tot en met 64;
- de conclusie van antwoord in conventie tevens houdende eis in reconventie met producties 1 tot en met 16;
- de akte overlegging producties 65 tot en met 67 van de Belastingdienst;
- de akte overlegging producties 17 tot en met 19 van [partij B];
- de door beide partijen overgelegde pleitnotities.
Op 11 augustus 2026 heeft de mondelinge behandeling van de zaak plaatsgevonden. De aanvankelijk medegedeelde vonnisdatum van 27 augustus 2026 is nadien verplaatst naar vandaag. Partijen zijn daarvan op de hoogte gesteld.
2. De feiten in conventie en in reconventie
Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting wordt in dit geding van het volgende uitgegaan.
De Belastingdienst is verantwoordelijk voor belastingheffing in Nederland.
Bij brief van 16 oktober 2023 aan [partij B] heeft de Belastingdienst een onderzoek naar de woonplaats van [partij B] aangekondigd. Daartoe is het volgende geschreven:
“De Belastingdienst beschikt over gegevens die aanleiding geven om nadere vragen te stellen betreffende uw belastingplicht in Nederland. Mocht u niet in Nederland wonen en dan bent u mogelijk wel belastingplichtig over Nederlands inkomen. Mocht u in Nederland wonen, dan is dat van belang voor onder andere de heffing van inkomstenbelasting, premies volksverzekeringen en erf- en schenkbelasting. In deze brief schets ik de bevindingen tot nu toe.
Uit informatie die ons ter beschikking staat, komt naar voren dat u de beschikking heeft dat over onroerende zaken in Nederland. Tevens beschikt u over Nederlandse bankrekeningen. Verder vervult u verschillende bestuursfuncties bij een Nederlandse rechtspersonen. Verder wonen er familieleden van u in Nederland en heeft u de Nederlandse nationaliteit.
Om conclusies te kunnen trekken en fiscale standpunten in te nemen, is inzicht in alle relevante feiten en omstandigheden nodig. Op dit moment ontbreekt dit inzicht. Binnenkort stuur ik u daarom een brief waarin ik u vragen zal stellen over uw woonplaats. Ook heeft u dan de gelegenheid om zelf gegevens toe te voegen. In deze brief zal ik ook de wettelijke kaders schetsen. Een afschrift van deze brief zal ik tevens verzenden aan het bij ons laatst bekend adres uit de Basisregistratie Personen (BRP) van u, zijnde (…) [plaats]. (…) Ook indien u nu al uw zienswijze over uw woonplaats wilt toelichten, nodig ik u daar graag toe uit.”
Op 31 oktober 2023 heeft [partij B] van de Belastingdienst een vragenbrief ontvangen. In die brief staat, voor zover hier van belang, het volgende:
“(…) 4. Vragen
Om een beeld te kunnen vormen over uw duurzame band van persoonlijke aard met Nederland, verzoek ik u mij informatie te verschaffen. Voor nu volsta ik met het opvragen van de hierna genoemde informatie. Mogelijk dat ik naar aanleiding van de ontvangst van deze gegevens nog nadere informatie opvraag.
Betaalinformatie en telefoonverkeer schetsen een beeld van uw verblijf alsmede geven zij mogelijk ook nader inzicht in de banden van persoonlijke aard en inzicht in de inkomsten en uitgaven e.d. Ik verzoek u voor de jaren 2018 tot en met 2022, om een overzicht van al uw:
1. Telefoonabonnementen, inclusief kopieën van alle gespecificeerde telefoonrekeningen;
2. Nederlandse en buitenlandse bankrekeningen, inclusief kopieën van alle rekeningafschriften;
3. Debet- en creditcards waarover u kunt beschikken, inclusief kopieën van alle afschriften;
4. Schulden die u heeft aan en/of vorderingen die u heeft op personen, vennootschappen en/of doelvermogens, inclusief mutatie-overzichten;
5. In (mede-)eigendom zijnde onroerende zaken in Nederland waaruit blijkt welke bewoners en/of gebruikers deze onroerende zaken hadden in de desbetreffende jaren. Graag ontvang ik de eventuele huurcontracten die aan dit gebruik ten grondslag liggen.
5. Tot slot
Zoals ik al schreef in mijn brief van 16 oktober 2023, kan ik mij voorstellen dat het onderzoek de nodige indruk op u maakt. Daarom bied ik u opnieuw de gelegenheid om te reageren en uw zienswijze over uw woonplaats schriftelijk toe te lichten. Stelt u een persoonlijk onderhoud op prijs, dan verneem ik dat graag.
Graag ontvang ik uw reactie zo spoedig mogelijk doch binnen een termijn van twee weken na dagtekening van deze brief. Mocht u meer tijd nodig hebben om (een deel van) de vragen te beantwoorden en de gevraagde gegevens te verstrekken, dan kunt u mij een e-mailbericht of brief daarover sturen.”
De advocaat van [partij B] heeft bij brief van 6 november 2023 gereageerd op de brieven van 16 en 31 oktober 2023 van de Belastingdienst. In de brief van [partij B] staat, voor zover hier van belang, het volgende:
“(…) Belanghebbende kan niet als fiscaal inwoner van Nederland worden aangemerkt. (…) Belanghebbende is reeds in 1992 uit Nederland gemigreerd en heeft met verbazing kennisgenomen van het aangekondigde woonplaatsonderzoek. Belanghebbende zijn leven speelt zich immers geheel buiten Nederland, en vooral in [plaats], af. Enkele punten (niet-limitatief) verdienen in deze brief vast opmerking:
- De gezinswoning van belanghebbende is gelegen in [plaats], en niet in Nederland;
- De gezinsleden van belanghebbende zijn woonachtig in [plaats], en niet in Nederland. De activiteiten van het gezin vinden in het buitenland plaats;
- Het middelpunt van het sociaal leven van belanghebbende is buiten Nederland;
- Belanghebbende zijn economische activiteiten vinden buiten Nederland plaats. Het kantoor (inclusief inventaris, personeel e.d.) van de onderneming van belanghebbende is gevestigd in [plaats];
- Belanghebbende zijn huisarts is gevestigd in het buitenland;
- Belanghebbende doet zijn (reguliere) bestedingen in het buitenland;
- Belanghebbende verblijft doorgaans in [plaats] c.q. in het buitenland;
- Belanghebbende houdt telefoonabonnementen aan in het buitenland en niet in Nederland;
- Belanghebbende houdt geen verzekeringen aan in Nederland;
- Belanghebbende doet in het buitenland aangifte
(…)
De vraag rijst wat de exacte achtergrond is van de brieven van 16 oktober 2023 en van 31 oktober 2023. Voor belanghebbende (om al dan niet een zienswijze naar voren te brengen) is inzicht in de concrete feiten en omstandigheden die aanleiding zijn geweest tot het (op dit moment) aanvangen van het woonplaatsonderzoek vereist.
(…)
Kort en goed, gelet op de opvallende gang van zaken zoals omschreven onder punt (ii) de aanvang van het woonplaatsonderzoek, ziet belanghebbende graag in de eerste plaats hierop (en specifiek op de gestelde vragen) een reactie tegemoet. Belanghebbende verneemt graag welke concrete feiten en omstandigheden ten grondslag hebben gelegen aan de vragenbrieven en aan het feit dat juist op dit moment is besloten aan belanghebbende vragen te stellen over zijn fiscale woonplaats.
Bovendien hecht belanghebbende eraan (reeds) aandacht te vragen voor zijn zeer beperkte band met Nederland en gaat hij er graag van uit dat dit bij de voortgang van het woonplaatsonderzoek in ogenschouw wordt gehouden. De vragen opgenomen in de brief d.d. 31 oktober 2023 komen voort uit de bevindingen opgenomen in paragraaf 2 van de brief, ten aanzien waarvan de nodige kanttekeningen gemaakt kunnen worden. Voor zover u het woonplaatsonderzoek desondanks wenst voort te zetten, zou het mede in het licht van de algemene beginselen voor de hand liggen eerst stil te staan bij de bevindingen zoals opgenomen in paragraaf 2 van de brief d.d. 31 oktober 2023.”
Bij brief van 20 november 2023 heeft de Belastingdienst gereageerd op voornoemde brief van de advocaat van [partij B]. In die brief heeft de Belastingdienst onder meer de aanleiding voor en de reikwijdte van het onderzoek toegelicht. De Belastingdienst heeft [partij B] opnieuw uitgenodigd om de reeds op 31 oktober 2023 gevraagde gegevens te verstrekken. In aanvulling daarop heeft de Belastingdienst nog het volgende verzocht:
“6. Een overzicht te verstrekken bij welke samenwerkingsverbanden, rechtspersonen en/of doelvermogen(s) belanghebbende betrokken is en wat de omvang/inhoud van de betrokkenheid is in de jaren 2018 t/m 2022.
7. Ook als belanghebbende enkel buitenlands belastingplichtig is, hetgeen vooralsnog niet vaststaat en nog onderwerp van onderzoek is, zou er mogelijk gezien de werkzaamheden van belanghebbende in relatie tot de (Nederlandse) entiteiten sprake kunnen zijn van een belastbaar object. In artikel 7.2, lid 2, onderdeel b en c, Wet IB 2001 is o.a. vermeld dat als inkomen uit werk en woning wordt aangemerkt het belastbaar loon ter zake van het in Nederland verrichten of hebben verricht van arbeid en het belastbaar resultaat uit overige werkzaamheden. Tevens kunnen op basis van het zevende lid ook in het buitenland verrichte werkzaamheden mogelijk in Nederland als loon belast worden en worden tevens bestuurs- en commissariswerkzaamheden in Nederland geheel belast.
a. Graag nodig ik belanghebbende uit om een overzicht van alle uit Nederland gegeneerde inkomsten over 2018 tot met 2022. Alsmede verzoek ik belanghebbende ten aanzien hiervan eventuele onderliggende contracten of documenten in te zenden die aan deze inkomsten ten grondslag liggen.
b. Graag nodig ik belanghebbende tevens uit toe te lichten in welke mate hij betrokken is bij de bovengenoemde entiteiten (werknemer en/of bestuurder en/of aandeelhouder en/of anderszins). Graag zie ik de toelichting graag met onderliggende stukken tegemoet.
c. Ten slotte nodig ik belanghebbende graag uit om inzicht te verschaffen in de werkzaamheden die belanghebbende in Nederland verricht en in welke mate?”
Bij brief van 30 november 2023 heeft de advocaat van [partij B] aan de Belastingdienst medegedeeld dat [partij B] graag een zienswijze wenst in te dienen. Daartoe is onder meer het volgende geschreven:
“Belanghebbende gaat graag in op uw aanbod, geformuleerd in de brief d. d. 16 oktober 2023, een zienswijze met de inspecteur te delen. Ten behoeve hiervan zullen de relevante feiten en omstandigheden nader worden beschouwd en worden voorzien van een toelichting c. q. een onderbouwing. Uw brief van 20 november 2023 en de daarin opgenomen vragen zullen hiertoe als uitgangspunt dienen. Wij delen uw streven om de voortgang in het dossier te houden. Daarbij dient evenwel ook in het oog te worden gehouden dat dit niet ten koste gaat van de zorgvuldigheid en de volledigheid. Gelet op de omvang van het onderzoek, de inhoud van uw brief, het opvragen en in kaart brengen van nadere gegevens zal belanghebbende – naar verwachting - begin februari 2024 een zienswijze met u kunnen delen. (…)”
De Belastingdienst heeft [partij B] op 8 december 2023 verzocht om de gevraagde informatie en de zienswijze uiterlijk 12 januari 2024 aan te leveren. Na contact met de advocaat van [partij B], heeft de Belastingdienst de termijn voor beantwoording van de gestelde vragen en indienen van de zienswijze gesteld op 2 februari 2024.
Op 1 februari 2024 heeft [partij B] aan de Belastingdienst een brief gestuurd, waarin onder meer het volgende staat:
“Hierbij verstrekken wij u namens de heer [partij B] (hierna: belanghebbende) zijn zienswijze met betrekking tot het onderhavige woonplaatsonderzoek. De zienswijze van belanghebbende bestaat uit twee onderdelen: de onderhavige brief en de bijgevoegde woonplaatsrapportage.
De woonplaatsrapportage gaat in op ‘het leven’ van belanghebbende. Bij de woonplaatsrapportage is een grote hoeveelheid relevante informatie gevoegd. Het leven van belanghebbende speelt zich – en heeft zich in de aangewezen onderzoeksperiode 2018 t/m 2022 – nadrukkelijk in [plaats] afgespeeld. De bescheiden die voorhanden zijn voor het bepalen van de woonplaats van belanghebbende, welke met de woonplaatsrapportage worden verstrekt, kunnen om die reden dan ook nagenoeg alleen betrekking hebben op [plaats].
Andersom, het is voor belanghebbende ondoenlijk in te gaan op relevante feiten en omstandigheden met betrekking tot Nederland. Die zijn er namelijk nagenoeg niet. Van bijvoorbeeld arbeid die niet is verricht, kan vanzelfsprekend geen bescheiden aan de Belastingdienst worden verstrekt. Voor zover mogelijk is in deze brief beknopt ingegaan op de door de inspecteur vermeende banden met Nederland.
Artikel 47 AWR wordt begrensd door de algemene beginselen van behoorlijk bestuur. Telkens dient het belang van de gestelde vragen te worden afgewogen tegen de inbreuk op de rechten van het individu. In deze fase is een heroverweging van het woonplaatsonderzoek door de Belastingdienst op zijn plaats. Dit lichten wij nader toe.
(…)
Tussenconclusie: de inspecteur heeft enkele vermeende banden van belanghebbende met Nederland aangewezen en op basis daarvan op de voet van artikel 47 AWR aan belanghebbende vragen gesteld. Belanghebbende heeft op de vermeende banden gereageerd en gemotiveerd dat en waarom hieraan in het kader van 4 AWR geen c.q. niet voldoende belang kan worden gehecht. Het vereiste potentiële heffingsbelang voor de toepassing van artikel 47 AWR weegt derhalve niet zonder meer op tegen een verdere inbreuk op de privacy van belanghebbende. Ook uit de woonplaatsrapportage waaruit het leven van belanghebbende in [plaats] blijkt alsook het beroep op het vertrouwensbeginsel leggen in het kader van de belangenafweging (in het licht van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur) ‘gewicht in de weegschaal’.
Voor zover op basis van de thans overgelegde informatie – onverhoopt – niet zou worden besloten tot het stopzetten van het woonplaatsonderzoek, dient de Belastingdienst gelet op het voorgaande te motiveren waarom nader onderzoek naar de fiscale woonplaats van belanghebbende, oftewel een verdere inbreuk op de rechten van belanghebbende, gerechtvaardigd is.
(…)
Belanghebbende heeft de Belastingdienst van nadere toelichtingen en informatie in het kader van het woonplaatsonderzoek voorzien. Hieruit volgt dat het woonplaatsonderzoek zonder nadere onderbouwing niet kan worden hervat. Indien de Belastingdienst zonder meer persisteert bij de (resterende) vragen vormt dit voor belanghebbende een ernstige inbreuk op zijn privacy waar rechtens onvoldoende rechtvaardiging voor bestaat.”
Bij brief van 6 maart 2024 heeft de Belastingdienst de eerder aan [partij B] gestelde vragen herhaald en [partij B] verzocht om de gevraagde informatie uiterlijk 22 maart 2024 aan te leveren. De Belastingdienst heeft in de brief toegelicht dat en waarom hij het standpunt van [partij B] dat [partij B] geen of nagenoeg geen banden met Nederland heeft, niet deelt. Voornoemde termijn is op verzoek van [partij B] verlengd tot 22 april 2024.
In een brief van 19 april 2024 heeft [partij B] aan de Belastingdienst toegelicht waarom volgens hem de door de Belastingdienst aangewezen indicaties niet kunnen leiden tot een duurzame band met Nederland. Daarbij zijn aan de Belastingdienst diverse stukken verstrekt, waaronder bankafschriften van de bankrekening van [partij B] bij Revolut over de jaren 2021 en 2022. Ook heeft [partij B] een schriftelijke toelichting van 18 april 2024 verstrekt van [adviseur], de juridisch adviseur van [partij B] (hierna: [adviseur]). In die toelichting is, voor zover hier van belang, het volgende vermeld:
“(…) Allereerst: de heer [partij B] is in de jaren 2018 e. v. geen bestuurder geweest van [vennootschap 1] B. V. De heer [partij B] is in de jaren 2018 t/m 2022 formeel bestuurder geweest van [vennootschap 2] B.V., [vennootschap 3] B.V., [vennootschap 4] B.V. en [vennootschap 5] B.V.
1. (…). In Nederland is [vennootschap 1] B. V. verantwoordelijk voor het beheer en de verhuur van het kantoorgebouw, alsook voor de administratieve werkzaamheden. Ten behoeve van de (verhuur)activiteiten zijn standaardcontracten met derden afgesloten. Doorgaans op basis van de modelovereenkomsten van de Raad voor Vastgoed. [vennootschap 1] B. V. verricht voorts beheerwerkzaamheden (zoals het operationeel en technisch management) voor buitenlandse (diepzee)schepen. De heer [partij B] is niet betrokken (geweest) - ook niet in de jaren 2018 t/m 2022 - bij de dagelijkse werkzaamheden van [vennootschap 1] B.V.
[vennootschap 4] B.V. bezit de vennootschap 50 parkeerplaatsen. De vennootschap verhuurt een deel van de parkeerplaatsen aan het personeel van [vennootschap 1] B.V. en een deel aan derden. Hiertoe maakt de vennootschap gebruik van standaard huurcontracten. De feitelijke louter administratieve werkzaamheden verricht het personeel van [vennootschap 1] B.V. De heer [partij B] verrichtte - ook in de jaren 2018 t/m 2022 - geen werkzaamheden voor deze B.V.
2. (…) [vennootschap 5] B.V. In deze vennootschap heeft tot zijn vereffening nooit enige activiteit plaatsgevonden. Alleen de economische eigendom van het voornoemde kantoorgebouw is, op het advies van een accountant, een tijd ondergebracht in deze B.V. Ondergetekende heeft daar nooit het nut van ingezien. De heer [partij B] heeft ook met betrekking tot deze B.V. nimmer activiteiten uitgevoerd, afgezien van het zetten van handtekeningen voor jaarcijfers en de formaliteiten voor de opheffing. (…)”
Bij brief van 2 mei 2024 heeft de Belastingdienst [partij B] bericht dat hij op basis van de door [partij B] verstrekte informatie geen standpunt kan innemen over de fiscale woonplaats van [partij B] in de jaren 2018 tot en met 2022. De Belastingdienst heeft de eerder aan [partij B] gestelde vragen herhaald en aan [partij B] een termijn gesteld tot 17 mei 2024.
[partij B] heeft bij brief van 6 mei 2024, voor zover hier van belang, als volgt gereageerd:
“(…) Kort en goed, belanghebbende benadrukt nogmaals dat hij de gevraagde bankafschriften niet weigert aan de inspecteur te verstrekken. Belanghebbende beoogt slechts opheldering over zijn rechtspositie te verkrijgen vóórdat zeer privacygevoelige informatie wordt gedeeld (op geen enkele wijze zou dus sprake kunnen zijn van "traineren"). Juist deze rechten worden met het afgeven van een informatiebeschikking beschermd.
Belanghebbende verzoekt de inspecteur nogmaals een informatiebeschikking op te leggen en zich tot een rechterlijk oordeel te weerhouden van het opvragen van informatie bij derden. Voor zover u die informatie toch bij derden opvraagt wordt daarmee onnodig schade berokkent aan cliënt. In de procedure zullen wij het standpunt innemen dat de informatie die via deze route is opgevraagd onrechtmatig is verkregen.”
Op 28 augustus 2024 heeft de Belastingdienst aan [partij B] een informatiebeschikking (in de zin van artikel 52a lid 1 Algemene Wet Rijksbelastingen (hierna: AWR)) opgelegd voor de navorderingsaanslagen over 2018 t/m 2020 en de definitieve aanslagen voor de jaren 2021 en 2022 (hierna: de informatiebeschikking).
[partij B] heeft bezwaar gemaakt tegen de informatiebeschikking.
De Belastingdienst heeft de termijn voor het beslissen op het bezwaar van [partij B] eerst verlengd en vervolgens opgeschort in afwachting van informatie van buitenlandse inlichtingenautoriteiten.
[partij B] is opgekomen tegen de opschorting van de beslistermijn op zijn bezwaar.
Bij brief van 27 mei 2025 heeft de Belastingdienst dezelfde vragen die eerder aan [partij B] zijn gesteld voor de periode 2018-2022 (zie 2.3 en 2.5), ook gesteld voor de periode 2023-2024. Aanvullend heeft de Belastingdienst in de brief van 4 juli 2025 aan [partij B] nog gevraagd een overzicht te verstrekken van de adressen waar [partij B] bij verblijf in Nederland gebruik van heeft gemaakt.
[partij B] heeft bij brief van 24 juni 2025 gereageerd dat hij geen nadere informatie zal verstrekken over de jaren 2023 en 2024, omdat volgens hem eerst het onderzoek over 2018-2022 zal moeten worden afgerond en op het bezwaar tegen de informatiebeschikking moet worden beslist.
In de periode daarna hebben partijen nog veelvuldig gecorrespondeerd. De Belastingdienst heeft in die correspondentie steeds de door hem aan [partij B] gestelde vragen herhaald.
De belastingrechter van de rechtbank Zeeland-West-Brabant heeft bij uitspraak van 21 november 2025 het beroep van [partij B] tegen de opschorting van de beslistermijn op het bezwaar van [partij B] gegrond verklaard en beslist dat de inspecteur van de Belastingdienst (hierna: de inspecteur) binnen twee weken na het verzenden van de uitspraak alsnog een uitspraak op bezwaar moet nemen. Ook is beslist dat de inspecteur een dwangsom van € 100 krijgt opgelegd voor elke dag waarmee de beslistermijn wordt overschreden, met een maximum van € 15.000. Daartoe is onder meer het volgende overwogen:
“4.3. Uit het voorgaande volgt volgens de rechtbank dat geen sprake is van voor het doen van uitspraak op bezwaar redelijkerwijs noodzakelijke informatie die bij een buitenlandse instantie is opgevraagd. De beslistermijn voor het doen van uitspraak op bezwaar kan daarom niet om die reden door de inspecteur worden opgeschort.
De rechtbank overweegt voorts dat een gegeven informatiebeschikking aan een belanghebbende een rechtsingang biedt als hij betwist dat de door de inspecteur opgevraagde informatie overgelegd dient te worden. Het standpunt van de inspecteur dat hij met het doen van uitspraak op bezwaar zou kunnen wachten totdat alle informatie van de buitenlandse autoriteiten is verkregen, is naar het oordeel van de rechtbank in strijd met dit uitgangspunt en doet afbreuk aan de rechtsbescherming van belanghebbende.
De rechtbank is van oordeel dat de inspecteur voor de beoordeling van het bezwaar tegen de informatiebeschikking niet mag wachten op (mogelijk) nieuwe informatie van een buitenlandse instantie, omdat het toetsingsmoment de datum van afgifte van de informatiebeschikking is. (…) Het beroep wegens niet tijdig beslissen is daarom gegrond.”
Tegen voornoemde uitspraak heeft de Belastingdienst hoger beroep ingesteld. Op dat hoger beroep is nog niet beslist.
De inspecteur heeft – ondanks sommaties van [partij B] daartoe – tot op heden niet beslist op het bezwaar van [partij B] tegen de informatiebeschikking.
Op 3 juni 2026 heeft [partij B] voor de tweede keer beroep ingesteld bij de rechtbank Zeeland-West-Brabant tegen het niet tijdig nemen van een beslissing op het bezwaar tegen de informatiebeschikking. [partij B] verzoekt daarin de Belastingdienst op te dragen om alsnog een beslissing op het bezwaar te nemen en daaraan een hogere dwangsom te verbinden.
Voorafgaand aan dit kort geding heeft tussen partijen op 11 juni 2026 nog een bespreking plaatsgevonden. Dat heeft niet geleid tot een oplossing van het geschil.
3. Het geschil
in conventie
De Belastingdienst vordert om bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, [partij B] te bevelen:
om binnen twee weken, althans een in goede justitie te bepalen termijn, volledig en onvoorwaardelijk mee te werken aan de verstrekking van de door de Belastingdienst op grond van art. 47 AWR verzochte informatie voor de jaren 2018 tot en met 2024 die is vermeld in paragraaf 3.1.1 van de dagvaarding;
om binnen twee weken, althans een in goede justitie te bepalen termijn, volledig en onvoorwaardelijk mee te werken aan de verstrekking van de door de Belastingdienst op grond van art. 47 AWR verzochte informatie voor de jaren 2023 en 2024 die is vermeld in paragraaf 3.1.2 van de dagvaarding;
om binnen een door de inspecteur te stellen redelijke termijn tot mondelinge en/of schriftelijke beantwoording – zulks ter keuze van de inspecteur – van (vervolg)vragen over te gaan die nog kunnen rijzen naar aanleiding van de verstrekking van de in (i) en (ii) genoemde informatie en die relevant kunnen zijn voor de belastingheffing in de jaren 2018 t/m 2024;
om de onder (i) tot en met (iii) beschreven gegevens en inlichtingen en/of verklaringen - op grond van art. 49 AWR - duidelijk, stellig, zonder voorbehoud en op een door de Belastingdienst te bepalen wijze te verstrekken;
om aan de onder (i) tot en met (iv) omschreven bevelen te voldoen, zulks op straffe van verbeurte van een op te leggen dwangsom ter hoogte van € 50.000, althans ter hoogte van een door de voorzieningenrechter in goede justitie te bepalen bedrag, per dag of gedeelte van een dag dat [partij B] met de nakoming van deze verplichting in gebreke blijft, tot een maximum van € 7.500.000 is bereikt;
met veroordeling van [partij B] in de proceskosten, vermeerderd met de wettelijke rente.
Daartoe voert de Belastingdienst – samengevat – het volgende aan. [partij B] is op grond van artikel 47 AWR verplicht om de gevraagde informatie te verstrekken. Die informatie is nodig om te kunnen beoordelen of [partij B] binnenlands of buitenlands belastingplichtig is en over welk deel van zijn inkomen belasting moet worden afgedragen. [partij B] weigert tot op heden de gevraagde informatie aan te leveren. Dat staat aan belastingheffing in de weg. De Belastingdienst heeft er daarom (spoedeisend) belang bij dat [partij B] wordt bevolen om volledig en onvoorwaardelijk mee te werken aan het verstrekken van de door de Belastingdienst gevraagde gegevens.
[partij B] voert verweer, dat hierna, voor zover nodig, zal worden besproken.
in voorwaardelijke reconventie
[partij B] vordert, indien de voorzieningenrechter zich in conventie bevoegd acht, om bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, - verkort weergegeven - de Belastingdienst te veroordelen om uiterlijk op de vijftiende dag na het vonnis alsnog te voldoen aan de uitspraak van 21 november 2025 (zie 2.20), en wel door alsnog de in dat vonnis bedoelde beslissing op het bezwaar van [partij B] te nemen en (bij een afwijzende beslissing op bezwaar) vervolgens te gehengen en gedogen dat de belastingrechter eerst uitspraak doet op het door [partij B] in te stellen beroep tegen deze afwijzing, mits dit administratieve beroep uiterlijk binnen zes weken na dagtekening van die afwijzing door of namens [partij B] wordt ingesteld, op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 10.000 per dag of gedeelte van een dag dat de Belastingdienst hiermee in gebreke blijft, met een maximum van € 3.000.000. [partij B] vordert verder de Belastingdienst te veroordelen in de proceskosten, vermeerderd met de wettelijke rente.
Daartoe voert [partij B] – samengevat – het volgende aan. De Belastingdienst heeft het bevel van de belastingrechter om alsnog op het bezwaar van [partij B] tegen de informatiebeschikking te beslissen naast zich neergelegd. De Belastingdienst frustreert daarmee de rechtsbescherming die de wet aan particulieren, zoals [partij B], toekent. [partij B] heeft er belang bij dat de Belastingdienst wordt veroordeeld om het rechterlijk bevel na te komen en dus te beslissen op het bezwaar van [partij B].
De Belastingdienst voert verweer, dat hierna, voor zover nodig, zal worden besproken.
4. De beoordeling van het geschil
in conventie
bevoegdheid en toepasselijk recht
[partij B] woont buiten Nederland, zodat sprake is van een internationaal geschil. De voorzieningenrechter moet onderzoeken of hij internationaal bevoegd is en, zo ja, welk recht van toepassing is.
De vraag of de voorzieningenrechter internationaal bevoegd is om kennis te nemen van de vorderingen van de Belastingdienst tegen [partij B], moet worden beantwoord aan de hand van de regels van het Nederlands commuun internationaal bevoegdheidsrecht, die zijn neergelegd in het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna: Rv). Op grond van artikel 6 onder e Rv heeft de Nederlandse rechter rechtsmacht in zaken betreffende verbintenissen uit onrechtmatige daad, indien het schadebrengende feit zich in Nederland heeft voorgedaan of zich kan voordoen. De vorderingen van de Belastingdienst zijn gebaseerd op een gestelde onrechtmatige daad van [partij B] door niet-naleving van de wettelijke informatieplicht van artikelen 47 en 49 AWR. De Staat beroept zich dus op het nalaten te voldoen aan een wettelijke verplichting in Nederland ten behoeve van het Nederlandse belastingstelsel; het schadebrengende feit doet zich daarom in Nederland voor. Op die grond heeft de voorzieningenrechter rechtsmacht en kan hij kennisnemen van de vorderingen van de Belastingdienst.
Op het geschil tussen de Belastingdienst en [partij B] is op grond van artikel 4 lid 1 van de Rome II-Verordening Nederlands recht van toepassing, omdat de vorderingen zijn gebaseerd op een gestelde onrechtmatige daad en de schade zich voordoet in Nederland.
spoedeisend belang
Het spoedeisend belang van de Belastingdienst om in de vorderingen in kort geding te kunnen worden ontvangen is voldoende gebleken. Het eerste informatieverzoek van de Belastingdienst dateert van oktober 2023. Sindsdien is tussen partijen veelvuldig gecorrespondeerd. Ook is inmiddels een informatiebeschikking aan [partij B] opgelegd. De Belastingdienst heeft het verzoek aan [partij B] om de in dit kort geding gevorderde informatie te ontvangen steeds herhaald. Bij de afhandeling van belastingheffing door de Belastingdienst is voortvarendheid geboden. Volgens de Belastingdienst heeft [partij B] tot op heden, ten onrechte, niet aan de informatieverzoeken voldaan, terwijl die informatie wel van belang is voor de beoordeling van de fiscale woonplaats van [partij B] en de vraag of hij belastingplichtig is. De voortvarendheid die van de Belastingdienst wordt verlangd brengt, onder de gegeven omstandigheden, een (voldoende) spoedeisend belang met zich.
Dat de vraag over de rechtmatigheid van het informatieverzoek nog niet aan de belastingrechter is voorgelegd, ontneemt – anders dan [partij B] aanvoert – de Belastingdienst niet het spoedeisend belang bij de vordering. De Belastingdienst wijst er terecht op dat met dit kort geding kan worden bewerkstelligd dat de informatie daadwerkelijk ter beschikking komt, terwijl een onherroepelijk geworden informatiebeschikking naar de kern slechts een omkering van de bewijslast tot gevolg heeft. De route van een informatiebeschikking die voert langs de belastingrechter is dan ook geen adequaat alternatief voor dit kort geding.
de vorderingen
In deze zaak staat centraal of [partij B] op grond van artikel 47 AWR is gehouden om aan de informatieverzoeken van de Belastingdienst te voldoen en dus moet worden veroordeeld om mee te werken aan verstrekking van de door de Belastingdienst gevraagde gegevens en inlichtingen zoals onder meer in paragraaf 3.1.1 en 3.1.2 van de dagvaarding omschreven.
Artikel 47 AWR bepaalt dat een ieder verplicht is, op verzoek, aan de inspecteur de gegevens en inlichtingen te verstrekken die van belang kunnen zijn voor de belastingheffing en (de inhoud van) boeken, bescheiden en andere gegevensdragers waarvan de raadpleging van belang kan zijn voor de vaststelling van de feiten die relevant kunnen zijn voor de belastingheffing voor dit doel beschikbaar te stellen. Voor het antwoord op de vraag of voor belanghebbende die verplichting concreet bestaat, is voldoende dat de inspecteur zich, gelet op de hem ter beschikking staande gegevens, in redelijkheid op het standpunt kan stellen dat de door hem gevraagde gegevens en inlichtingen van belang kunnen zijn om opheldering te krijgen over de vraag of belanghebbende in Nederland belastingplichtig is. Het is dus aan de inspecteur om bekend te maken welke stukken hij (daartoe) nodig acht en de inspecteur heeft daarbij een ruime beoordelingsvrijheid.
Op grond van artikel 52a lid 1 AWR kan de inspecteur een informatiebeschikking opleggen indien niet of niet volledig wordt voldaan aan (onder meer) de verplichting ingevolge artikel 47 AWR. Artikel 52a lid 4 AWR bepaalt met zoveel woorden dat deze regeling niet afdoet aan de mogelijkheid voor de inspecteur bij de burgerlijke rechter de veroordeling te vorderen tot nakoming van verplichtingen uit de AWR, op straffe van een dwangsom. Dat de weg naar de burgerlijke rechter (in kort geding) ook openstaat in gevallen waarin reeds een bestuursrechtelijke procedure over een informatiebeschikking loopt, is in de rechtspraak bevestigd.
Gelet op het voorgaande staat het de Belastingdienst vrij om een kort geding te starten om te bewerkstelligen dat de gevraagde gegevens (op straffe van verbeurte van een dwangsom) alsnog worden verstrekt. [partij B] verwijt de Belastingdienst dat hij de beslissing op zijn bezwaar tegen de informatiebeschikking maar blijft opschorten. Daarvan is het gevolg, stelt [partij B], dat hij ten onrechte geen oordeel krijgt van de belastingrechter over de rechtmatigheid van het informatieverzoek. [partij B] acht het niet acceptabel dat de Belastingdienst in plaats daarvan dit kort geding start. Van een ongeoorloofde doorkruising met het fiscale systeem, zoals [partij B] die ziet, is naar het oordeel van de voorzieningenrechter geen sprake. Evenmin kan worden aangenomen dat het handelen van de Belastingdienst in strijd is met het beginsel van fair play.
Uit de stukken kan worden afgeleid dat de informatieverzoeken van de Belastingdienst verband houden met aanknopingspunten die volgens de Belastingdienst aanleiding geven om te onderzoeken of [partij B] kwalificeert als binnenlands belastingplichtige voor inkomstenbelasting of als buitenlands belastingplichtige. Die aanknopingspunten bestaan er volgens de Belastingdienst onder meer uit dat [partij B] in Nederland onroerend goed bezit, beschikt over Nederlandse bankrekeningen, betrokkenheid heeft bij Nederlandse rechtspersonen (al dan niet als aandeelhouder), familie in Nederland heeft en de Nederlandse nationaliteit heeft. De Belastingdienst voert verder aan dat er concrete aanwijzingen zijn dat [partij B] in Nederland werkzaamheden (heeft) verricht, dat hij regelmatig in Nederland verblijft en in Nederland lidmaatschappen/abonnementen heeft lopen. Voor een overzicht van de omstandigheden die volgens de Belastingdienst wijzen op een – mogelijk duurzame – band met Nederland, verwijst de Belastingdienst naar productie 3 bij dagvaarding.
Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is voldoende aannemelijk dat de inspecteur zich, gelet op de hiervoor in 4.10 genoemde aanwijzingen, in redelijkheid op het standpunt kan stellen dat de door hem gevraagde gegevens en inlichtingen van belang kunnen zijn om opheldering te krijgen over de vraag of [partij B] in Nederland belastingplichtig is. Het verweer van [partij B] komt er in de kern op neer dat hij al veel informatie aan de Belastingdienst heeft verstrekt en dat een verdergaand informatieverzoek onrechtmatig is. [partij B] voert aan dat hij gedurende het gehele traject van het woonplaatsonderzoek inhoudelijk heeft gereageerd op verzoeken van de Belastingdienst en uitvoerige woonplaatsrapportages, juridische analyses en documenten (‘honderden pagina’s aan stukken’) heeft overgelegd. [partij B] heeft naar het oordeel van de voorzieningenrechter onvoldoende aannemelijk gemaakt dat de Belastingdienst met de reeds verstrekte informatie in staat is om conclusies te nemen ten aanzien van de fiscale woonplaats van [partij B] en ten aanzien van de vraag of [partij B] in Nederland belastingplichtig is. Daartoe geldt het volgende.
De Belastingdienst heeft in de dagvaarding in 3.1.1 en 3.1.2 concreet toegelicht welke informatie van [partij B] wordt verlangd. [partij B] heeft daarentegen niet concreet aangevoerd en onderbouwd over welke van de in de dagvaarding opgesomde gegevens de Belastingdienst reeds beschikt. Het verstrekken van een woonplaatsrapportage (op basis van eigen onderzoek) kan vanzelfsprekend niet worden gelijkgesteld met de verstrekking van gegevens op basis waarvan de Belastingdienst dat onderzoek zelf kan verrichten. De Belastingdienst kan niet zonder meer uitgaan van het standpunt van [partij B] dat hij geen band met Nederland heeft. De Belastingdienst heeft verder gemotiveerd toegelicht waarom de verklaring van [adviseur] over (enige) betrokkenheid van [partij B] bij Nederlandse vennootschappen niet volstaat en volgens hem ook onjuistheden bevat. In dit verband heeft de Belastingdienst aangevoerd dat is gebleken dat [vennootschap 1] B.V. (hierna: [vennootschap 1]) - waarbij [partij B] volgens [adviseur] geen betrokkenheid zou hebben gehad - in de jaren 2018-2024 betalingen heeft verricht aan een van de buitenlandse vennootschappen van [partij B]. De Belastingdienst heeft er verder op gewezen dat uit het als productie 66 bij dagvaarding overgelegde overzicht blijkt dat [vennootschap 1] diverse kosten van [partij B] voor haar rekening heeft genomen. [partij B] heeft voor een en ander geen afdoende verklaring gegeven. Dat het gedrag van [partij B] van dag tot dag uit de door de Belastingdienst gemaakte overzichten kan worden afgeleid, zoals [partij B] aanvoert, is door de Belastingdienst betwist en niet nader door [partij B] onderbouwd. Daarbij lijkt het erop dat de door [partij B] aan de Belastingdienst verstrekte (beperkte/versnipperde) informatie eerder (meer) vragen oproept bij de Belastingdienst dan dat onduidelijkheid wordt weggenomen. Gelet op het voorgaande is voldoende aannemelijk dat [partij B] de door de Belastingdienst gestelde vragen tot op heden niet althans onvolledig heeft beantwoord.
[partij B] voert nog aan dat de Belastingdienst in strijd handelt met de eigen werkinstructie en met de beginselen van behoorlijk bestuur door zonder een beoordeling van de door [partij B] verstrekte informatie (nieuwe) vragen te blijven stellen. De Belastingdienst voert terecht aan dat de bevoegdheid van de Belastingdienst die voortvloeit uit artikel 47 AWR een legitiem doel dient en dat uitvoering van die bevoegdheid eenmaal inmenging in de privésfeer tot gevolg heeft. De Belastingdienst heeft gemotiveerd toegelicht waarom de gevraagde gegevens – ook na ontvangst en beoordeling van informatie van [partij B] – nog steeds van belang kunnen zijn voor de belastingheffing. Van een ontoelaatbare inbreuk op de privacy van [partij B] is vooralsnog niet gebleken.
Ook is voldoende aannemelijk dat het belang van de Belastingdienst bij het verkrijgen van de gevraagde informatie een voorziening in kort geding rechtvaardigt. De Belastingdienst vreest dat niet binnen de aanslagtermijn belasting kan worden geheven indien hij niet tijdig over de informatie beschikt. [partij B] voert aan dat de informatiebeschikking de aanslagtermijnen heeft opgeschort en dat de vrees van de Belastingdienst in zoverre onterecht is. [partij B] miskent dat de informatiebeschikking geen betrekking heeft op de jaren 2023 en 2024, waarvoor de termijnen doorlopen. De Belastingdienst heeft ter zitting aangevoerd dat de inspecteur tijd nodig heeft om onderzoek te doen en dat de kans groot is dat (na ontvangst van de informatie) vervolgonderzoek noodzakelijk is. Dat is naar het oordeel van de voorzieningenrechter voldoende om aan te nemen dat de Belastingdienst, ook voor de jaren waarvoor een informatiebeschikking is afgegeven, geen bodemprocedure kan afwachten. Anders dan [partij B] meent, bestaat voor het jaar 2022 nog steeds een heffingsbelang. Het bestaan van een definitieve aanslag maakt dit niet anders omdat de Belastingdienst de mogelijkheid heeft om na te vorderen. Of een eventuele navordering terecht zal zijn – wat [partij B] bestrijdt – ligt in dit kort geding niet ter beoordeling voor.
De Belastingdienst vordert onder i dat [partij B] wordt veroordeeld om de in paragraaf 3.1.1. van de dagvaarding vermelde informatie voor de jaren 2018 tot en met 2024, en onder ii de in paragraaf 3.1.2 van de dagvaarding vermelde informatie voor de jaren 2023-2024 aan de Belastingdienst te verstrekken. Dat gaat om de volgende informatie:
2018 tot en met 2024
Een overzicht van alle telefoonabonnementen, inclusief kopieën van alle gespecificeerde telefoonrekeningen;
Een overzicht van alle Nederlandse en buitenlandse bankrekeningen, inclusief kopieën van alle rekeningafschriften;
Een overzicht van alle debet- en creditcards waarover hij kan beschikken, inclusief kopieën van alle afschriften;
Een overzicht van alle schulden die hij heeft aan en/of vorderingen die hij heeft op personen, vennootschappen en/of doelvermogens, inclusief mutatie-overzichten;
Een overzicht van alle in (mede-)eigendom zijnde onroerende zaken in Nederland waaruit blijkt welke bewoners en/of gebruikers deze onroerende zaken hadden in de desbetreffende jaren, tezamen met eventuele (huur)contracten die aan dit gebruik ten grondslag liggen;
Een overzicht van alle samenwerkingsverbanden, rechtspersonen en/of doelvermogen(s) waar hij bij betrokken is en wat de omvang/inhoud van de betrokkenheid is in de jaren 2018 t/m 2024;
Een overzicht van alle uit Nederland gegenereerde inkomsten, tezamen met eventuele onderliggende contracten of documenten die aan de inkomsten ten grondslag liggen;
Een toelichting op de mate waarin [partij B] betrokken is bij de genoemde entiteiten (als werknemer en/of bestuurder en/of aandeelhouder en/of anderszins), tezamen de verstrekking van de onderliggende stukken;
Het verschaffen van inzicht in de werkzaamheden die [partij B] in Nederland heeft verricht en in welke mate.
2023 en 2024
Een overzicht van de adressen waar [partij B] bij verblijf in Nederland gebruik van heeft gemaakt, en indien [partij B] voor dit gebruik betaald heeft of er verrekeningen hebben plaatsgehad, de onderlinge bescheiden.
Gelet op wat hiervoor is overwogen is [partij B] gehouden om de hiervoor onder a tot en met j beschreven informatie aan de Belastingdienst te verstrekken, met inachtneming van het volgende. Uitgangspunt is dat die informatie beschikbaar is bij [partij B]. Van [partij B] kan immers niet worden verlangd dat hij gegevens of inlichtingen verstrekt of stukken overlegt die hij niet heeft of kent en waarover hij niet kan beschikken. Indien en voor zover bepaalde informatie niet (meer) bij [partij B] beschikbaar is, dient [partij B] dit gemotiveerd en zo nodig onderbouwd met stukken aan de Belastingdienst kenbaar te maken. Hierbij gaat het niet om gegevens waarover [partij B] (nog) niet beschikt, maar met redelijkerwijs van hem te verlangen inspanning wel kan beschikken.
Ten aanzien van de informatie onder h) begrijpt de voorzieningenrechter dat met ‘de onderliggende stukken’ wordt bedoeld de stukken waaruit blijkt van (enige) betrokkenheid van [partij B]. Met betrekking tot het gevorderde onder i) is ter zitting duidelijk geworden dat met ‘werkzaamheden’ wordt gedoeld op bezoldigde werkzaamheden. Daarom zal worden bepaald dat [partij B] opgave moet doen van bezoldigde werkzaamheden die [partij B] in Nederland heeft verricht en in welke mate.
Vorderingen i en ii worden toegewezen zoals in de beslissing vermeld. De termijn waarbinnen [partij B] voornoemde informatie aan de Belastingdienst dient te verstrekken zal gelet op de omvang van de informatie worden bepaald op vier weken. Aan het bevel zal de restrictie worden verbonden dat voor zover het bevel betrekking heeft op materiaal waarvan het bestaan van de wil van [partij B] afhankelijk is, dit materiaal zal worden verstrekt met de restrictie dat het slechts zal worden gebruikt ten behoeve van de belastingheffing.
De Belastingdienst vordert onder iii dat [partij B] wordt bevolen om binnen een door de inspecteur/de Belastingdienst te stellen redelijke termijn tot mondelinge en/of schriftelijke beantwoording (ter keuze van de inspecteur) over te gaan van (vervolg)vragen die nog kunnen rijzen naar aanleiding van de verstrekking van de in i en ii gevorderde informatie en die relevant kunnen zijn voor de belastingheffing in de jaren 2018 tot en met 2024. De voorzieningenrechter zal deze vordering afwijzen, nu deze vordering te ruim en bovendien verstrekkend is. Evident is dat [partij B] op grond van artikel 47 AWR verplicht is om vragen van de Belastingdienst die naar aanleiding van de aan te leveren informatie zullen rijzen en die van belang kunnen zijn voor de belastingheffing, te beantwoorden. Het voert echter te ver om [partij B] nu voor alsdan op straffe van verbeurte van een (niet geringe) dwangsom te veroordelen tot beantwoording van vragen die in dit stadium nog niet aan de orde zijn en dus niet enigszins concreet zijn. De voorzieningenrechter gaat er evenwel van uit dat [partij B] in voorkomend geval vragen van de Belastingdienst voortvarend zal beantwoorden.
De Belastingdienst vordert onder iv [partij B] te bevelen om de onder i tot en met iii gevorderde gegevens en inlichtingen en/of verklaringen duidelijk, stellig, zonder voorbehoud en op een door de Belastingdienst te bepalen wijze te verstrekken. Ook deze vordering wordt afgewezen. Dat de door [partij B] te verstrekken gegevens en inlichtingen duidelijk, stellig en zonder voorbehoud moeten worden verstrekt volgt al uit artikel 49 lid 1 AWR. De voorzieningenrechter gaat ervan uit dat [partij B] zich aan deze wettelijke verplichting zal houden, ook ten aanzien van nog te rijzen vragen naar aanleiding van de door [partij B] aan te leveren informatie. Voor de in dit kort geding gevorderde informatie gaat de voorzieningenrechter ervan uit dat [partij B] de informatie schriftelijk verstrekt binnen de hiervoor genoemde termijn van vier weken. Voor beantwoording van nog te rijzen vragen in de toekomst geldt dat het aan de inspecteur is om te bepalen op welke wijze de informatie moet worden aangeleverd en binnen welke termijn, zoals artikel 49 lid 1 AWR verder bepaalt.
De voorzieningenrechter ziet aanleiding om aan de veroordeling van [partij B] een dwangsom te verbinden van € 50.000 per dag of gedeelte van een dag dat [partij B] niet aan de veroordeling voldoet. Het maximum zal de voorzieningenrechter matigen tot € 5.000.000. Anders dan [partij B] meent is de hoogte van de gevorderde dwangsom niet disproportioneel. De Belastingdienst probeert al sinds 2023 antwoorden te krijgen op de gestelde vragen en de dwangsom is bedoeld om [partij B] ertoe te bewegen de gevraagde gegevens nu eindelijk eens aan de Belastingdienst te verstrekken, zodat de Belastingdienst zich een oordeel kan vormen over de fiscale positie van [partij B]. Vordering v wordt dan ook toegewezen zoals in de beslissing vermeld.
[partij B] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van de Belastingdienst worden begroot op:
- dagvaarding € 151,94
- griffierecht € 735,00
- salaris advocaat € 1.177,00
- nakosten € 148,00 (plus de verhoging zoals vermeld in de
beslissing)
Totaal € 2.211,94
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
in voorwaardelijke reconventie
De voorzieningenrechter acht zich in conventie bevoegd. De voorwaarde waaronder de reconventionele vorderingen zijn ingesteld is daarmee vervuld. Voor de internationale bevoegdheid en het toepasselijk recht wordt verwezen naar de overwegingen in conventie (4.2 en 4.3), die hier ook gelden. De vorderingen in reconventie strekken er in het kort toe dat de Belastingdienst wordt bevolen om (i) alsnog te beslissen op het bezwaar van [partij B] tegen de informatiebeschikking en (ii) in voorkomend geval ook de daarna te volgen beroepsprocedure af te wachten, beide op straffe van een dwangsom. [partij B] voert aan dat de Belastingdienst ondanks rechterlijk bevel weigert de beslissing op bezwaar te nemen. Volgens [partij B] heeft de lage dwangsom die de rechtbank Zeeland-West-Brabant aan dat bevel heeft verbonden niet het gewenste effect gehad. [partij B] vordert in dit kort geding daarom een hogere dwangsom op te leggen.
[partij B] is niet-ontvankelijk in zijn vordering zoals hiervoor weergegeven onder (i). De Belastingdienst betoogt terecht dat voor het hier gevorderde voor [partij B] een met voldoende waarborgen omgeven rechtsgang bij een andere rechter, in dit geval de belastingrechter, openstaat waarin [partij B] een vergelijkbaar resultaat kan bereiken. [partij B] heeft die rechtsgang zelfs al een keer benut en dat heeft geleid tot de uitspraak van 21 november 2025 (zie 2.20). Recentelijk heeft [partij B] opnieuw via diezelfde weg beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een beslissing op bezwaar en verzocht om een hogere dwangsom op te leggen. [partij B] kan daarmee een vergelijkbaar resultaat bereiken als met de vordering onder (i) en moet daarom voor die vordering niet-ontvankelijk worden verklaard.
Dan resteert de vordering zoals hiervoor weergegeven onder (ii) om de Belastingdienst te bevelen bij een afwijzende beslissing op het bezwaar eerst de uitspraak van de belastingrechter op het door [partij B] in te stellen beroep tegen deze afwijzing af te wachten. Deze vordering is naar het oordeel van de voorzieningenrechter onduidelijk en onvoldoende concreet en daarom al niet toewijsbaar. Ten overvloede wordt overwogen dat ook indien de vordering zo moet worden begrepen dat [partij B] wenst dat eerst de beroepsprocedure wordt afgerond voordat de Belastingdienst in een civielrechtelijke procedure naleving van artikel 47 AWR kan vorderen, de vordering niet kan worden toegewezen. Daarvoor is geen enkele grond, omdat de weg naar de burgerlijke rechter voor de Belastingdienst openstaat (zie 4.8).
[partij B] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van de Belastingdienst worden begroot op:
- salaris advocaat € 588,50 (0,5 × tarief € 1.177)
- nakosten € 148,00 (plus de verhoging zoals vermeld in de
beslissing)
Totaal € 736,50
5. De beslissing
De voorzieningenrechter:
in conventie
beveelt [partij B] om binnen vier weken na dit vonnis volledig en onvoorwaardelijk mee te werken aan de verstrekking aan de Belastingdienst van de volgende gegevens en inlichtingen:
over de jaren 2018 tot en met 2024
Een overzicht van alle telefoonabonnementen, inclusief kopieën van alle gespecificeerde telefoonrekeningen;
Een overzicht van alle Nederlandse en buitenlandse bankrekeningen, inclusief kopieën van alle rekeningafschriften;
Een overzicht van alle debet- en creditcards waarover hij kan beschikken, inclusief kopieën van alle afschriften;
Een overzicht van alle schulden die hij heeft aan en/of vorderingen die hij heeft op personen, vennootschappen en/of doelvermogens, inclusief mutatie-overzichten;
Een overzicht van alle in (mede-)eigendom zijnde onroerende zaken in Nederland waaruit blijkt welke bewoners en/of gebruikers deze onroerende zaken hadden in de desbetreffende jaren, tezamen met eventuele (huur)contracten die aan dit gebruik ten grondslag liggen;
Een overzicht van alle samenwerkingsverbanden, rechtspersonen en/of doelvermogen(s) waar hij bij betrokken is en wat de omvang/inhoud van de betrokkenheid is in de jaren 2018 t/m 2024;
Een overzicht van alle uit Nederland gegenereerde inkomsten, tezamen met eventuele onderliggende contracten of documenten die aan de inkomsten ten grondslag liggen;
Een toelichting op de mate waarin [partij B] betrokken is bij de genoemde entiteiten (als werknemer en/of bestuurder en/of aandeelhouder en/of anderszins), tezamen de verstrekking van de onderliggende stukken waaruit blijkt van die betrokkenheid;
Een opgave van bezoldigde werkzaamheden die [partij B] in Nederland heeft verricht en in welke mate;
over de jaren 2023 en 2024
Een overzicht van de adressen waar [partij B] bij verblijf in Nederland gebruik van heeft gemaakt, en indien [partij B] voor dit gebruik betaald heeft of er verrekeningen hebben plaatsgehad, de onderlinge bescheiden;
en bepaalt dat voor zover dit bevel betrekking heeft op materiaal waarvan het bestaan van de wil van [partij B] afhankelijk is, dit materiaal zal worden verstrekt met de restrictie dat het slechts zal worden gebruikt ten behoeve van de belastingheffing;
bepaalt dat [partij B] een dwangsom verbeurt van € 50.000 voor iedere dag of een gedeelte daarvan dat [partij B] niet aan het in 5.1 uitgesproken bevel voldoet, met een maximum van € 5.000.000;
veroordeelt [partij B] in de proceskosten van € 2.211,94, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe. Als [partij B] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend, dan moet [partij B] € 49 extra betalen, plus de kosten van betekening;
veroordeelt [partij B] in de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 Burgerlijk Wetboek over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn voldaan;
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
wijst af het meer of anders gevorderde;
in voorwaardelijke reconventie
verklaart [partij B] deels niet-ontvankelijk;
wijst het gevorderde voor het overige af;
veroordeelt [partij B] in de proceskosten van € 736,50, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe. Als [partij B] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend, dan moet [partij B] € 49 extra betalen, plus de kosten van betekening.
Dit vonnis is gewezen door mr. H.J. Vetter en in het openbaar uitgesproken op 2 september 2026.
yd