RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , eiser
de minister van Asiel en Migratie, verweerder
Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.28688
V-nummer: [V-nummer]
(gemachtigde: mr. N. Vollebergh),
en
(gemachtigde: mr. E. Konstapel).
Procesverloop
Bij besluit van 21 mei 2026 (het bestreden besluit) heeft verweerder de asielaanvraag van eiser niet in behandeling genomen, omdat Kroatië verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
De rechtbank heeft het beroep op 13 augustus 2026 in Breda op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, [persoon] als tolk en de gemachtigde van verweerder.
Op 14 augustus 2026 heeft verweerder gereageerd op de stukken die eiser op 11 augustus 2026 heeft overgelegd. Vervolgens heeft de rechtbank het onderzoek op 19 augustus 2026 gesloten.
Overwegingen
1. Eiser is geboren op [datum] 1994 en heeft de Syrische nationaliteit. Op 9 februari 2026 heeft hij een asielaanvraag ingediend in Nederland.
2. Verweerder heeft de asielaanvraag van eiser niet in behandeling genomen op grond van artikel 30, eerste lid, van de Vw. Uit Eurodac is gebleken dat eiser op 4 augustus 2024 in Kroatië een verzoek om internationale bescherming heeft ingediend. Nederland heeft daarom op 26 februari 2026 de autoriteiten van Kroatië verzocht om eiser terug te nemen op grond van artikel 18, eerste lid, aanhef en onder b, van de Dublinverordening. De Kroatische autoriteiten hebben dit in eerste instantie geweigerd, waarna verweerder heeft verzocht om een herbeoordeling. Op 7 april 2026 zijn de Kroatische autoriteiten alsnog akkoord gegaan met de terugname van eiser op grond van artikel 20, vijfde lid, van de Dublinverordening.
3. Eiser heeft tegen het bestreden besluit aangevoerd dat Kroatië niet verantwoordelijk is voor zijn asielaanvraag, omdat hij na zijn verblijf in Kroatië langer dan drie maanden het grondgebied van de lidstaten heeft verlaten. Hij heeft stukken aangeleverd om deze stelling te onderbouwen. Subsidiair stelt hij dat er ten aanzien van Kroatië niet kan worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel vanwege systeemfouten in de opvangvoorzieningen, waarbij hij wijst op het meest recente AIDA-rapport van augustus 2025. Tot slot stelt eiser dat verweerder ten onrechte geen aanleiding heeft gezien om toepassing te geven aan artikel 17 van de Dublinverordening. Hij stelt in Kroatië slachtoffer te zijn geworden van mishandeling, waardoor hij niet wenst terug te keren naar dat land.
De rechtbank oordeelt als volgt.
De verantwoordelijkheid van Kroatië
4. Uit artikel 19, tweede lid, van de Dublinverordening volgt dat de verplichting van de verantwoordelijke lidstaat tot terugname van een vreemdeling voor de behandeling van zijn asielaanvraag vervalt, indien aangetoond wordt dat de vreemdeling het grondgebied van de lidstaten ten minste drie maanden heeft verlaten.
5. De rechtbank is van oordeel dat eiser niet heeft aangetoond dat hij het grondgebied van de lidstaten voor een aaneengesloten periode van drie maanden heeft verlaten. Eiser heeft geen samenhangend relaas over zijn verblijf na het vertrek uit Kroatië. Daarbij is van belang dat hij in het aanmeldgehoor niet heeft vermeld dat hij buiten het grondgebied van de lidstaten is geweest. Pas in de aanvullende zienswijze heeft hij dit naar voren gebracht. Daarnaast ontbreekt een coherente tijdlijn waaruit kan worden opgemaakt waar eiser precies is geweest en wanneer. Eiser heeft alleen gesteld dat hij in januari 2025 is teruggekeerd naar Syrië, maar hij heeft stukken overgelegd waaruit zou kunnen worden opgemaakt dat hij in oktober 2025 in Turkije was (voor zover al moet worden aangenomen dat eiser zelf een reisvergunning in Turkije heeft aangevraagd en verkregen). De overige stukken die hij heeft overgelegd zijn op zichzelf eveneens onvoldoende om te onderbouwen dat hij na zijn vertrek uit Kroatië langer dan drie maanden achtereen buiten het grondgebied van de lidstaten is geweest. Dit betekent dat Kroatië in beginsel verantwoordelijk is voor de behandeling van de asielaanvraag van eiser.
Het interstatelijk vertrouwensbeginsel
6. De Afdeling heeft op 9 oktober 2024 geoordeeld dat verweerder ten aanzien van Kroatië nog altijd kan uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Dit is daarna in een aantal uitspraken van de Afdeling bevestigd. Het is aan eiser om aan de hand van objectieve informatie aannemelijk te maken dat in het geval van Kroatië aanleiding bestaat om niet langer van het interstatelijk vertrouwensbeginsel uit te gaan. Eiser is daarin niet geslaagd.
7. De rechtbank is van oordeel dat het door eiser aangehaalde AIDA-rapport van augustus 2025 geen wezenlijk andere beeld schetst over de situatie van Dublinterugkeerders en de opvangvoorzieningen in Kroatië dan uit het eerdere AIDA-rapport daarover al bekend was. De Afdeling heeft het eerdere AIDA-rapport in voornoemde uitspraken bij de beoordeling betrokken. De Afdeling heeft bovendien in uitspraken van na het door eiser aangehaalde AIDA-rapport bevestigd dat ten aanzien van Kroatië nog steeds mag worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel.
8. De rechtbank is verder van oordeel dat eiser met de verklaringen over wat hij zelf in Kroatië heeft meegemaakt niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij bij overdracht aan Kroatië een reëel risico loopt op een met artikel 3 van het EVRM en artikel 4 van het Handvest strijdige behandeling. Eiser heeft verklaard dat hij daar is geslagen, maar hij weet niet door wie en hij heeft geen aangifte gedaan. Daarmee is dan ook niet aannemelijk gemaakt dat eiser na overdracht een reëel risico loopt om in een situatie te belanden zoals bedoeld in het arrest Jawo. Bovendien zal eiser in tegenstelling tot zijn eerdere inreis terugkeren als Dublinclaimant. Eiser heeft niet met landeninformatie onderbouwd dat Dublinclaimanten, die gereguleerd worden overgedragen aan de Kroatische autoriteiten, na overdracht aan Kroatië een reëel risico lopen op een met artikel 3 van het EVRM en artikel 4 van het Handvest strijdige behandeling.
9. Kroatië garandeert met het claimakkoord van eisers asielaanvraag in behandeling te nemen met inachtneming van de Europese asielrichtlijnen. Indien eiser vindt dat Kroatië zijn verplichtingen niet nakomt, ligt het op zijn weg om daarover in Kroatië te klagen bij de (hogere) autoriteiten of de daartoe geëigende instanties. Dat dit voor hem niet mogelijk, uiterst moeilijk of bij voorbaat zinloos is, is niet gebleken. Ook is niet gebleken dat de autoriteiten van Kroatië hem niet zouden kunnen of willen helpen.
Artikel 17 van de Dublinverordening
10. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat sprake is van bijzondere individuele omstandigheden waardoor de overdracht van eiser aan Kroatië van onevenredige hardheid getuigt. De algemene omstandigheden in Kroatië en eisers gestelde persoonlijke ervaringen zien op de onderwerpen die van betekenis zijn voor de beoordeling van het interstatelijk vertrouwensbeginsel en zijn niet van betekenis zijn voor de afweging om al dan niet toepassing te geven aan artikel 17 van de Dublinverordening. De rechtbank ziet geen aanleiding om de jurisprudentie van de Afdeling op dit punt niet te volgen.
Conclusie en gevolgen
11. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt. Het bestreden besluit blijft in stand. Er is geen reden voor een proceskostenveroordeling.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan op 26 augustus 2026 door mr. B.F.Th. de Roos, rechter, in aanwezigheid van mr. A.J.J. Sterks, griffier en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.