[eiser], eiser
V-nummer: [V-nummer],
(gemachtigde: mr. P.R. Klaver),
en
de minister van Asiel en Migratie, verweerder.
Inleiding
1. Eiser heeft op 23 november 2023 een asielaanvraag ingediend. Deze aanvraag is bij besluit van 18 maart 2024 buiten behandeling gesteld omdat een ander land, Luxemburg, verantwoordelijk is voor de inhoudelijke behandeling van deze aanvraag.
2. Op 27 mei 2026 heeft eiser opnieuw een asielaanvraag ingediend. Verweerder heeft deze aanvraag bij besluit van 13 augustus 2026 niet in behandeling genomen omdat Luxemburg op 31 juli 2026 akkoord is gegaan met het verzoek tot terugname van eiser en daarmee verantwoordelijk is voor de behandeling van de asielaanvraag van eiser.
3. In deze uitspraak beslist de rechtbank over het beroep van eiser tegen het bestreden besluit van verweerder van 13 augustus 2026.
4. Omdat het beroep kennelijk ongegrond is, doet de rechtbank uitspraak zonder zitting. Artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.
Beoordeling door de rechtbank
5. Eiser stelt te zijn geboren op [datum] 1980 en de Belarussische nationaliteit te hebben.
6. De Europese Unie heeft gezamenlijke regelgeving over het in behandeling nemen van asielaanvragen. Die staat in de Asiel- en migratiebeheerverordening (Ambv). Op grond van de Ambv neemt verweerder een asielaanvraag niet in behandeling als is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.
7. Uit Eurodac is gebleken dat eiser eerder een asielaanvraag heeft ingediend in Luxemburg. Daarom heeft Nederland aan Luxemburg op 23 juli 2026 een kennisgeving van terugname verstuurd. Luxemburg heeft de kennisgeving op 31 juli 2026 bevestigd. Verweerder heeft daarom besloten de asielaanvraag van eiser niet in behandeling te nemen, en eiser over te dragen aan Luxemburg. Hij is daarbij ingegaan op de door eiser schriftelijk ingediende bezwaren tegen de overdacht en stelt zich op het standpunt dat ten aanzien van Luxemburg kan worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel.
8. Eiser is het niet eens met het bestreden besluit en voert aan dat verweerder onvoldoende onderzoek heeft gedaan naar zijn verblijf in Belarus, na de eerdere asielaanvragen in Luxemburg en Nederland. Eiser vreest voor indirect refoulement omdat hij in Luxemburg al twee keer is geweigerd. Bovendien heeft hij daar in 2025 een traumatische ervaring opgedaan. Zijn vriend is onder onverklaarbare omstandigheden om het leven gekomen en eiser vreest dat dit wellicht op hem was gericht. Terugkeer naar Belarus is niet mogelijk omdat het daar onveilig voor hem is. Verweerder heeft eiser ten onrechte niet gehoord. Om al deze redenen had verweerder de asielaanvraag van eiser zelf inhoudelijk moeten behandelen in plaats van uit te gaan van het interstatelijke vertrouwensbeginsel. Verweerder heeft in dat kader onvoldoende de individuele omstandigheden van eiser betrokken.
De rechtbank oordeelt als volgt.
9. Verweerder mag in beginsel ten opzichte van Luxemburg uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Dit beginsel betekent dat lidstaten erop mogen vertrouwen dat de andere lidstaten de vreemdeling in overeenstemming met het EVRM, het Vluchtelingenverdrag en het Unierecht zullen behandelen. Eiser moet aannemelijk maken dat dit in zijn geval niet kan.
10. Op grond van artikel 43, eerste lid van de Ambv beoordeelt de rechter of er bij overdracht sprake is van een reëel risico op onmenselijke of vernederende behandeling zoals bedoeld in artikel 4 van het Handvest. Het Hof van Justitie van de Europese Unie heeft in de zaak Jawo geoordeeld dat van een dergelijk risico sprake is als buiten de wil en verdere keuzes van de betrokken vreemdeling om, de overdracht een zeer verregaande materiële deprivatie meebrengt waartegenover de autoriteiten onverschillig staan.
11. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat hiervan bij overdracht aan Luxemburg sprake zal zijn. Daarbij is van belang dat het uitgangspunt is dat ten aanzien van Luxemburg uitgegaan kan worden van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Verweerder mag er daarom van uitgaan dat Luxemburg eisers asielaanvraag zorgvuldig en volgens de daarvoor geldende Europese regels opnieuw zal behandelen. Voor de beoordeling van een gesteld risico op indirect refoulement is binnen de kaders van onderhavige procedure geen plaats. Bovendien heeft verweerder terecht overwogen dat eiser zijn verblijf in Belarus, na zijn eerdere asielaanvragen in Luxemburg en Nederland, op geen enkele wijze heeft onderbouwd, zodat hiervan niet kan worden uitgegaan. Het ligt op de weg van eiser om dit te onderbouwen. Dit geldt eveneens voor de door eiser gestelde traumatische ervaring. Gesteld noch gebleken is dat eiser deze ervaring heeft opgedaan, hij zich hiervoor onder medische behandeling heeft gesteld en hij om die reden niet terug kan keren naar Luxemburg. De rechtbank komt derhalve tot de conclusie dat eiser geen onderbouwing heeft geleverd voor zijn stelling dat hij bij overdracht aan Luxemburg het risico loopt op een onmenselijke of vernederende behandeling. Ook kon verweerder op grond van artikel 22, tweede lid, onder c, van de Ambv afzien van een persoonlijk onderhoud.
12. Het beroep is kennelijk ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt en het bestreden besluit in stand blijft.
13. Omdat het beroep ongegrond is krijgt eiser geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan op 26 augustus 2026 door mr. M.L. Weerkamp, rechter, in aanwezigheid van mr. S.D.C.J. Verheezen, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Informatie over verzet
Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.