RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser], eiser,
de minister van Asiel en Migratie, verweerder.
Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.46194
V-nummer: [V-nummer],
(gemachtigde: mr. J.J.J. Jansen),
en
Procesverloop
In deze uitspraak beslist de rechtbank over het beroep van eiser tegen het bestreden besluit van verweerder van 6 augustus 2026.
Omdat het beroep kennelijk ongegrond is, doet de rechtbank uitspraak zonder zitting. Artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.
Beoordeling door de rechtbank
1. Eiser is geboren op [datum] 1983. Hij heeft op 19 mei 2026 asiel aangevraagd in Nederland.
2. Uit EU-Vis is gebleken dat eiser van de Franse autoriteiten een visum heeft gekregen, dat geldig is in de periode van 5 november 2025 tot en met 4 november 2026. Verweerder heeft daarom de Franse autoriteiten gevraagd om eiser over te nemen op grond van artikel 12, tweede lid, van de Dublinverordening. Op 22 juli 2026 is Frankrijk akkoord gegaan met het verzoek. Daarmee is Frankrijk verantwoordelijk geworden voor de asielaanvraag van eiser. Vervolgens heeft verweerder in het bestreden besluit eisers asielaanvraag niet in behandeling genomen op grond van artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw), zoals die luidt met ingang van 12 juni 2026, omdat Frankrijk daarvoor verantwoordelijk is.
3. Eiser is het niet eens met het bestreden besluit en voert aan dat in Frankrijk een ernstig tekort aan opvang is, waardoor er een groot risico bestaat dat hij op straat moet leven. Eiser heeft dan niet de beschikking over elementaire voorzieningen zoals voeding en sanitaire faciliteiten. Daarnaast wijst eiser op de traagheid van de asielprocedures in
Frankrijk, de taalbarrière en het ontbreken van adequate juridische en/of medische bijstand, waardoor effectieve bescherming onder druk staat.
De rechtbank oordeelt als volgt.
4. Met ingang van 12 juni 2026 zijn de Asielprocedureverordening en de Asiel- en migratiebeheerverordening (Ambv) in werking getreden. Op grond van artikel 30, eerste lid, van de Vw, zoals die bepaling sindsdien luidt, neemt verweerder een asielaanvraag overeenkomstig artikel 39, eerste lid, onderdeel a, van de Procedureverordening niet in behandeling wanneer op grond van de Ambv is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van de aanvraag.
5. In artikel 43, eerste lid, van de Ambv is de draagwijdte van dit beroep bepaald. Een reëel risico op onmenselijke of vernederende behandeling zoals bedoeld in artikel 4 vanhet Handvest van de grondrechten van de Europese Unie is één van de aspecten waarop het beroep betrekking kan hebben.
6. Het Hof van Justitie van de Europese Unie heeft in het arrest van 19 maart 2019 inde zaak Jawo geoordeeld dat van een dergelijk risico sprake is als buiten de wil en verdere keuzes van de betrokken vreemdeling om overdracht een zeer verregaande materiële deprivatie meebrengt waartegenover de autoriteiten onverschillig staan.
7. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat dit bij overdracht aan Frankrijk het geval zal zijn. Daarbij is van belang dat het uitgangspunt is dat ten aanzien van Frankrijk uitgegaan kan worden van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Verweerder mag er daarom van uitgaan dat Frankijk eisers asielaanvraag zorgvuldig en volgens de daarvoor geldende Europese regels zal behandelen. Eiser heeft niet gemotiveerd dat er een groot risico bestaat dat hij in Frankijk op straat moet leven en verstoken zal zijn van elementaire voorzieningen. Dit is dan ook niet aannemelijk gemaakt. Ten aanzien van eisers stelling dat medische bijstand ontbreekt in Frankrijk, wordt overwogen dat eiser niet heeft onderbouwd dat hij medische hulp nodig heeft en dat Frankrijk niet beschikt over de voor hem noodzakelijke medische voorzieningen.
8. Voor zover eiser heeft gewezen op de traagheid van de asielprocedure, de taalbarrière en de juridische bijstand geldt dat dit niet binnen de draagwijdte valt van het rechtsmiddel van beroep zoals in artikel 43, eerste lid, van de Ambv is vastgelegd.
9. Het beroep is kennelijk ongegrond. Dit betekent dat eiser geen gelijk krijgt en dat het bestreden besluit van 6 augustus 2026 in stand blijft.
10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan op 1 september 2026 door mr. A.J. de Danschutter, rechter, in aanwezigheid van mr. M. Gasi, griffier en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Informatie over verzet
Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.