ECLI:NL:RBDHA:2026:25199

ECLI:NL:RBDHA:2026:25199

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 26-08-2026
Datum publicatie 02-09-2026
Zaaknummer NL23.17355
Rechtsgebied Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Middelburg

Samenvatting

Chavez-Vilchez, geen daadwerkelijke zorg- en opvoedingstaken, geen frustratie van omgang, belangenafweging en belang van het kind, beroep ongegrond

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser

Samenvatting

Zittingsplaats Middelburg

Bestuursrecht

zaaknummer: NL23.17355

(gemachtigde: mr. M. Woudwijk),

en

de minister van Asiel en Migratie, voorheen de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. J.L.A.F. van Halteren).

1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de aanvraag van eiser voor een verblijfsdocument EU/EER voor verblijf bij zijn Nederlandse dochter. Eiser is het niet eens met de afwijzing van de aanvraag. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de aanvraag.

2. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat verweerder het gevraagde verblijfsdocument op goede gronden heeft geweigerd. Eiser krijgt dus geen gelijk en het beroep is ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt.

Procesverloop

3. Eiser is geboren op [datum 1] 1976 en heeft de Libische nationaliteit. Eiser heeft een dochter in Nederland: [persoon 1] (geboren [datum 2] 2009). [persoon 1] is nu 16 jaar oud en woont bij haar moeder [persoon 2] .

4. Eiser heeft sinds 2002 voor langere periodes in Nederland verbleven en heeft meerdere malen aanvragen voor een verblijfsvergunning ingediend, steeds zonder succes. Na tijdelijk verblijf in onder meer Malta en Frankrijk, heeft eiser in Nederland op 14 september 2016 weer asiel gevraagd. Die aanvraag is niet in behandeling genomen. Eiser is daarna met onbekende bestemming vertrokken.

5. Op 9 oktober 2020 heeft eiser weer een nieuwe asielaanvraag ingediend. Verweerder heeft met het besluit van 4 januari 2022 deze aanvraag afgewezen als ongegrond omdat hij de asielmotieven van eiser grotendeels ongeloofwaardig acht. Verweerder heeft in de beschikking van 4 januari 2022 opgenomen dat dit besluit tevens geldt als terugkeerbesluit en dat eiser dient terug te keren naar Libië. Op 24 januari 2022 heeft verweerder eiser een herstelbeschikking gestuurd. Verweerder heeft aangegeven dat in de beschikking van 4 januari 2022 per abuis een terugkeerbesluit is opgenomen. Verweerder heeft toegelicht dat het arrest Chavez-Vilchez mogelijk gevolgen heeft voor hem, dat verweerder ambtshalve zal beoordelen of eiser op grond van dat arrest in aanmerking komt voor een verblijfsdocument EU/EER en dat eiser legaal in Nederland verblijft zolang die beoordeling loopt.

6. Vervolgens heeft verweerder met het besluit van 15 november 2022 bericht dat eiser niet in aanmerking komt voor een verblijfsdocument EU/EER, omdat hij niet aan de voorwaarden voldoet. Met het bestreden besluit van 19 mei 2023 op het bezwaar van eiser is verweerder bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.

7. Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.

8. De rechtbank heeft het beroep op 22 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan heeft de gemachtigde van verweerder deelgenomen. Eiser en zijn gemachtigde hebben zich afgemeld voor de zitting.

Beoordeling door de rechtbank

Het arrest Chavez-Vilchez

9. Het verblijfsdocument EU/EER zou eiser een afgeleid verblijfsrecht geven op grond van artikel 20 van het VWEU en het arrest Chavez-Vilchez.

10. Uit het arrest Chavez-Vilchez volgt dat een derdelander een afgeleid verblijfsrecht ontleent aan het verblijfsrecht dat een Unieburger van rechtswege heeft op grond van artikel 20 van het VWEU, indien vanwege de afhankelijkheid van de Unieburger de weigering van verblijf aan die derdelander tot gevolg zou hebben dat de Unieburger feitelijk gedwongen wordt het grondgebied van de EU te verlaten, waardoor aan de Unieburger het feitelijk genot van zijn Unierechtelijk verblijfsrecht wordt ontnomen.

11. In het arrest heeft het HvJEU onder meer overwogen (punt 70) dat moet worden bepaald welke ouder de daadwerkelijke zorg over het kind heeft en of er een daadwerkelijke afhankelijkheidsverhouding bestaat tussen het kind en de ouder die onderdaan is van een derde land. In het kader van die beoordeling dienen de bevoegde autoriteiten rekening te houden met het recht op eerbiediging van het gezinsleven zoals dat is neergelegd in artikel 7 van het Handvest, waarbij dat artikel moet worden gelezen in samenhang met de verplichting tot inachtneming van het in artikel 24, tweede lid, van dat Handvest erkende hogere belang van het kind.

12. Verweerder heeft hieraan in zijn beleid nadere invulling gegeven. Paragraaf B10/2.5.1 (tot 1 oktober 2024: B10/2.2) van de Vc vermeldt dat een derdelands ouder rechtmatig verblijf heeft op grond van artikel 8, aanhef en onder e, van de Vw als hij:

De rechtbank acht dit beleid een juiste invulling van het arrest Chavez-Vilchez.

Daadwerkelijke zorg- en opvoedingstaken

13. Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling is het aan eiser om met concrete gegevens aannemelijk te maken dat een daadwerkelijke afhankelijkheidsverhouding als bedoeld in het arrest Chavez-Vilchez bestaat. De Afdeling heeft ook meerdere malen overwogen dat verweerder niet bevoegd is een verblijfsrecht op grond van artikel 20 van het VWEU vast te stellen als dat niet daadwerkelijk bestaat. Verweerder moet geen hypothetische situatie beoordelen. Verweerder heeft in het bestreden besluit dan ook terecht overwogen dat een juridische band of omgangsrecht niet voldoende is, maar dat het moet gaan om feitelijke zorg- en opvoedingstaken.

14. Verweerder heeft in het bestreden besluit voldoende gemotiveerd dat van daadwerkelijke taken bij de zorg voor en opvoeding van [persoon 1] nooit sprake is geweest. Uit de feiten en omstandigheden blijkt namelijk dat eiser tot 2015 slechts een beperkte rol had in het leven van zijn dochter en dat hij sinds 2015 helemaal uit beeld is. Eiser ontkent niet dat hij in het leven van zijn dochter niet of nauwelijks betrokken is geweest bij de zorg en opvoeding. Zolang hij geen verblijfsrecht heeft, kan hij ook geen zorg- en opvoedingstaken op zich nemen. Hij merkt daarbij op dat hij Nederland heeft moeten verlaten omdat zijn asielaanvraag was afgewezen. Het was volgens eiser niet mogelijk om de ouderrol op afstand te vervullen. Hij had geen goed contact met de moeder en moeder werkt niet mee aan omgang. Eiser hoopt met het gevraagde verblijfsrecht het vertrouwen weer te herwinnen, en om de omgang met zijn dochter dan weer op te kunnen bouwen.

15. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat het voor hem niet mogelijk was om de ouderrol (al dan niet op afstand) te vervullen. Van frustratie van de omgang door moeder is de rechtbank niet gebleken. Eiser was de eerste zeven maanden na de geboorte van [persoon 1] op hetzelfde adres ingeschreven als [persoon 1] en haar moeder. Uit de door eiser overgelegde rechterlijke beschikkingen van 2 juli 2021 en 3 november 2021 blijkt dat er bij moeder weliswaar sprake is van weerstand tegen contactherstel, maar eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat sprake is/was van een frustratie zodanig dat hem de mogelijkheid is ontnomen om aan de voorwaarde van daadwerkelijke zorg te voldoen. Verweerder heeft eiser in dat verband ook kunnen tegenwerpen dat eiser niet heeft aangetoond dat hij voor zijn vertrek in 2015 wel een verzorgende ouder is geweest en dat hij na zijn vertrek zich heeft ingespannen om de band met zijn dochter te onderhouden. Eiser heeft ook niet aannemelijk gemaakt dat dat ook helemaal niet mogelijk is geweest.

Belangenafweging

16. Eiser heeft aangevoerd dat het bestreden besluit geen blijk geeft van een zorgvuldige belangenafweging. Hij beroept zich op een uitspraak van de Afdeling van 13 juli 2022 waarin is overwogen dat er altijd een belangenafweging moet plaatsvinden, ook als er geen sprake is van beschermenswaardig familieleven. De rechtbank volgt eiser niet in zijn standpunt.

17. De Afdeling heeft in de genoemde uitspraak van 13 juli 2022 overwogen dat verweerder in zaken waarin een vreemdeling een beroep doet op artikel 8 van het EVRM, niet meer mag volstaan met de vaststelling dat er geen sprake is van beschermenswaardig familieleven, maar dat hij altijd een belangenafweging moet maken waarbij hij alle feiten en omstandigheden moet betrekken en deugdelijk moet motiveren waarom de gestelde banden en andere feiten en omstandigheden niet maken dat de afwijzing van een aanvraag in strijd is met artikel 8 van het EVRM. De Afdeling heeft deze uitspraak in haar uitspraak van 27 maart 2024 verduidelijkt. Verweerder mag volstaan met de vaststelling dat er geen sprake is van een beschermenswaardig familieleven, mits hij daarbij alle relevante individuele aspecten heeft betrokken en deugdelijk heeft beoordeeld. In dat geval hoeft verweerder niet meer de belangen van de Nederlandse Staat af te wegen tegen de belangen van de betrokken vreemdeling.

18. De rechtbank is van oordeel dat verweerder in het betreden besluit alle relevante individuele feiten en omstandigheden op zorgvuldige wijze heeft afgewogen. Dat de belangenafweging niet heeft geleid tot een voor eiser gewenste uitkomst, wil niet zeggen dat de belangafweging onzorgvuldig is geweest.

19. Ook de belangen van [persoon 1] zijn in het bestreden besluit voldoende meegewogen. Verweerder heeft in zijn belangenafweging – bijvoorbeeld – rekening gehouden met de door eiser ingebrachte uitspraken van de rechtbank Utrecht inzake de omgang van 2 juli 2021 en 29 maart 2023. Verweerder heeft overwogen dat uit de rechterlijke beschikkingen niet blijkt dat de afwezigheid van eiser in het leven van [persoon 1] slecht is voor haar identiteitsontwikkeling en dat eiser geen medische of psychologische rapporten heeft ingebracht die onderbouwen dat dat wel het geval is. Verweerder heeft ook overwogen dat [persoon 1] inmiddels de leeftijd heeft waarop zij in staat is om zelf haar mening te vormen. Verweerder heeft in het verweerschrift daaraan toegevoegd dat [persoon 1] zelf heeft aangegeven dat zij geen omgang wenst met eiser. Voor zover eiser met zijn beroepsgrond een beroep heeft willen doen op het IVRK, oordeelt de rechtbank dat verweerder met de verrichte belangenafweging artikel 3 van het IVRK niet heeft geschonden.

Hoorplicht

20. Eiser heeft aangevoerd dat verweerder ten onrechte heeft afgezien van het horen in bezwaar.

21. Op 6 juli 2022 heeft de Afdeling een (overzichts)uitspraak gedaan over de hoorplicht in vreemdelingenzaken. Volgens de Afdeling kan alleen van horen worden afgezien als op voorhand redelijkerwijs geen twijfel mogelijk is dat het aangevoerde in bezwaar niet tot een ander standpunt kan leiden dan in het primaire besluit is vervat. Daarbij wijst de Afdeling erop dat volgens de wetgever het horen een essentieel onderdeel is van de bezwaarprocedure en dat de gronden waarop van horen kan worden afgezien terughoudend moeten worden toegepast.

22. Verweerder heeft in het bestreden besluit toegelicht dat er voor hem geen twijfel bestond over de ongegrondheid van het bezwaar. De gronden van bezwaar waren bij verweerder al bekend voordat hij het primaire besluit van 15 november 2022 nam en eiser heeft zijn bezwaargronden niet aangevuld met nieuwe bewijsstukken.

23. De rechtbank is van oordeel dat de minister onder de gegeven omstandigheden heeft kunnen concluderen dat het bezwaar kennelijk ongegrond was en heeft geen reden hoeven zien om eiser te horen. Van een schending van de hoorplicht is dan ook geen sprake.

Conclusie en gevolgen

24. Het beroep is ongegrond. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan op 25 augustus 2026 door mr. W.H. Bel, rechter, in aanwezigheid van N.A. D’Hoore, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.

Uitspraak bekendgemaakt op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand