RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , V-nummer: [V-nummer], eiser
de minister van Asiel en Migratie, verweerder.
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.46647
(gemachtigde: mr. J.W.F. Noot),
en
Procesverloop
1. Met het besluit van 7 juli 2026 heeft verweerder aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd. Bij uitspraak van 20 juli 2026 heeft de rechtbank het beroep van eiser tegen dat besluit ongegrond verklaard.
Eiser heeft tegen het voortduren van de maatregel beroep ingesteld. Eiser heeft ook verzocht om schadevergoeding.
De rechtbank heeft het vooronderzoek op 21 augustus 2026 gesloten en bepaald dat de zaak niet op zitting wordt behandeld.
Beoordeling door de rechtbank
2. Indien de rechtbank van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel van vreemdelingenbewaring in strijd is met de Vw dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is, verklaart zij het beroep gegrond en beveelt zij de opheffing van de maatregel of een wijziging van de wijze van tenuitvoerlegging daarvan.
3. Uit de uitspraak van 20 juli 2026 (met zaaknummer NL26.37871) volgt dat de maatregel van vreemdelingenbewaring tot het moment van sluiten van dat onderzoek, rechtmatig was. Daarom beoordeelt de rechtbank nu alleen of de maatregel van vreemdelingenbewaring sinds het moment van sluiten van dat onderzoek, op 14 juli 2026 rechtmatig is.
4. De gemachtigde van eiser voert aan dat nu er geen voortgangsrapportage door verweerder is overlegd de maatregel onrechtmatig dient te worden geacht.
5. De rechtbank overweegt het volgende.
6. De rechtbank heeft op 17 augustus 2026 verweerder verzocht op binnen drie werkdagen inlichtingen te geven over de voortgang van de voorbereiding van de uitzetting
van de vreemdeling. Ondanks de stukken die door verweerder zijn toegevoegd aan het dossier ontbreekt een voortgangsrapportage. Daardoor zijn eisers gemachtigde en de rechtbank onvoldoende in de gelegenheid geweest om te beoordelen of verweerder in onderhavige procedure voortvarend handelt, nog sprake is van zicht op uitzetting of dat er andere feiten en omstandigheden zijn die maken dat de bewaring rechtmatig voortduurt. Nu door de rechtbank geen onderzoek kan worden gedaan naar de voortgang van de maatregel, is eiser in zijn belangen geschaad. Naar het oordeel van de rechtbank dient de omstandigheid dat er geen voortganggegevens zijn ingestuurd, geheel voor rekening en risico van verweerder te komen.
7. De rechtbank is op grond van het voorgaande van oordeel dat voortzetting van de maatregel van bewaring vanaf de datum van de uitspraak op eisers vorige beroep in strijd was met de Vw en bij afweging van alle betrokken belangen, in redelijkheid niet gerechtvaardigd was.8. De rechtbank kent eiser daarom een schadevergoeding toe vanaf 20 juli 2026 tot aan de dag van de opheffing van de maatregel op 28 augustus 2026. Het bedrag aan schadevergoeding komt dus neer op 45 dagen onrechtmatige (tenuitvoerlegging van de) vrijheidsontnemende maatregel van 45 x € 120,- (verblijf detentiecentrum) = € 5.400,-.
9. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.868,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het (in plaats van een fysieke zitting) voeren van een schriftelijke procedure, met een waarde per punt van € 934,- en een
wegingsfactor 1). Omdat aan eiser een toevoeging is verleend, moet verweerder de proceskostenvergoeding betalen aan de rechtsbijstandverlener.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- beveelt de opheffing van de maatregel van vreemdelingenbewaring met ingang van 28 augustus 2026;
- veroordeelt de Staat der Nederlanden tot het betalen van een schadevergoeding aan eiser tot een bedrag van € 5.400,-, te betalen door de griffier en beveelt de tenuitvoerlegging van deze schadevergoeding;
- veroordeelt verweerder tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan eiser.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J. Holleman, rechter, in aanwezigheid van N. Mekenkamp, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.