RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de meervoudige kamer in de zaken tussen
[eiseres 1] , eiseres 1,
[eiseres 2] , eiseres 2,
[eiseres 3] , eiseres 3,
[eiseres 4] , eiseres 4,
de minister van Asiel en Migratie, verweerder
Samenvatting
Zittingsplaats Haarlem
Bestuursrecht
zaaknummers: NL25.39228, NL25.39229, NL25.39230 en NL25.39231
V-nummer: [# 1]
V-nummer: [# 2]
V-nummer: [# 3]
V-nummer: [# 4]
Mede namens de minderjarige kinderen:
[kind 1] en [kind 2] ,
V-nummers: [# 5] en [# 6]
Hierna gezamenlijk te noemen: eisers
(gemachtigde: mr. L.J. Meijering),
en
(gemachtigden: mr. [gemachtigde 1] en mr. [gemachtigde 2] ).
1. Eisers komen uit Turkije. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de asielaanvragen van eisers. Eisers zijn het hier niet mee eens. Zij voeren daartoe een aantal argumenten aan (de beroepsgronden). Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de asielaanvragen.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de afwijzingen van de asielaanvragen in stand kunnen blijven. Eisers krijgen dus geen gelijk. Allereerst komt de rechtbank tot een oordeel over CaseMatcher. Dit is een computerprogramma dat verweerder kan gebruiken bij zijn besluiten over asielaanvragen. Het is mogelijk ook voor de besluiten over eisers gebruikt. CaseMatcher is, zo oordeelt de rechtbank, geen AI, complex algoritme of blackbox. Daarnaast is de rechtbank van oordeel dat de besluitvorming niet (gedeeltelijk) tot stand is gekomen door CaseMatcher of dat de motivering is gestuurd door CaseMatcher. Daarom is verweerder ook niet gehouden om het gebruik van CaseMatcher te vermelden in zijn besluiten. Ten slotte zijn eisers geen vluchtelingen in de zin van het Vluchtelingenverdrag en lopen eisers geen reëel risico op ernstige schade bij terugkeer naar Turkije.
Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. Eisers hebben op 13 november 2022 hun asielaanvragen ingediend. Verweerder heeft met de bestreden besluiten van 13 augustus 2025 de aanvragen afgewezen als ongegrond.
Eisers hebben beroep ingesteld tegen de bestreden besluiten. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
De rechtbank heeft de beroepen op 20 april 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben eisers, de gemachtigde van eisers, mevrouw [tolk 1] en mevrouw [tolk 2] als tolken en de gemachtigden van verweerder deelgenomen. De rechtbank heeft het onderzoek na afloop van de zitting gesloten.
Op 21 april 2026 heeft de rechtbank het onderzoek heropend en schriftelijke vragen gesteld aan verweerder over de werking van CaseMatcher. Op 6 mei 2026 heeft verweerder gereageerd ten aanzien van het verzoek van de rechtbank om aanvullende informatie over CaseMatcher.
Op 19 mei 2026 is namens eisers schriftelijk gereageerd op de reactie van verweerder.
Op 12 juni 2026 heeft verweerder schriftelijk gereageerd op de reactie van eisers.
De rechtbank heeft partijen laten weten dat zij een nadere zitting niet nodig vindt. Omdat partijen niet hebben gereageerd binnen de daarvoor door de rechtbank gegeven termijn, gaat de rechtbank ervan uit dat partijen toestemming hebben gegeven om een nadere behandeling van het beroep op zitting achterwege te laten. De rechtbank heeft het onderzoek gesloten op 8 juli 2026.
Beoordeling door de rechtbank
Het asielrelaas
3. Eiseres 1 is geboren op [geboortedatum 1] . Eiseres 2 is geboren op [geboortedatum 2] . Eiseres 3 en eiseres 4 zijn geboren op [geboortedatum 3] . Eiseressen 2, 3 en 4 zijn de meerderjarige kinderen van eiseres 1. Eiseressen 1, 2, 3 en 4 hebben ieder een eigen asielaanvraag ingediend. De aanvraag van eiseres 1 heeft ook betrekking op haar twee minderjarige kinderen: [kind 1] (geboren op [geboortedatum 4] ) en [kind 2] (geboren op [geboortedatum 5] ). Allemaal hebben zij de Turkse nationaliteit en behoren zij tot de Koerdische bevolkingsgroep.
Eisers leggen aan hun asielaanvragen het volgende ten grondslag. Eisers zijn gevlucht uit Turkije. Ze lopen gevaar omdat familieleden (een oom en een neef van eiseres 1) lid waren van de YPG. Dit heeft geleid tot huiszoekingen bij eisers waarbij eiseres 1 in 2014 is geschopt door een politieagent. Ook is de woning van eisers beklad vanwege de politieke activiteiten van familieleden. Eiseres 1 is zelf actief lid geweest van de HDP van 2013 tot en met 2020 en was tot aan haar vertrek in september 2022 actief voor de HDP. Eiseres 2 was aangesloten bij de HDP van 2019 tot en met 2020 en was ook al voor die periode actief voor de partij. Een andere dochter van eiseres 1, [kind 3] , is in Turkije achtergebleven. Zij is nog steeds betrokken bij de HDP en hierdoor zouden eisers ook gevaar lopen. Daarnaast worden eisers in Turkije gediscrimineerd vanwege hun Koerdische afkomst. Bij de bevalling van haar jongste dochter kreeg eiseres 1 vanwege haar Koerdische afkomst geen goede zorg in het ziekenhuis. Dochter [kind 3] is vroeger aangerand en er is gepoogd haar te ontvoeren, maar de verdachte met de naam [naam 4] is niet veroordeeld. Alle kinderen van eiseres 1 werden gepest en gediscrimineerd op school vanwege hun Koerdische afkomst. Zo is eiseres 4 op school gewond geraakt omdat een klasgenoot een heet strijkijzer op haar been drukte. Eisers vrezen bij terugkeer naar Turkije opnieuw in onderdrukking te leven vanwege de steun aan de HDP door zowel familieleden als door eiseres 1 en 2, en vanwege hun Koerdische afkomst. Zij vrezen ook voor de man [naam 4] .
De bestreden besluiten
Bestreden besluit eiseres 1 ( [eiseres 1] )
4. Het asielrelaas van eiseres 1 bevat volgens verweerder de volgende relevante motieven:
Identiteit, nationaliteit en herkomst
Problemen doordat familieleden actief waren voor YPG, PKK , HDP of DEM
Discriminatie vanwege Koerdische afkomst
Lidmaatschap van de HDP van 2013 tot 2020 en politieke activiteiten
Problemen met de man die was aangeklaagd voor poging ontvoering/misbruik dochter van eiseres 1
Verweerder vindt de asielmotieven 1, 2, 4 en 5 geloofwaardig en het derde asielmotief voor een deel geloofwaardig. Verweerder vindt het niet geloofwaardig dat de problemen die eiseres 1 heeft ervaren bij haar bevalling in het ziekenhuis kwamen door discriminatie en verweerder vindt het ook niet geloofwaardig dat [naam 4] is vrijgesproken vanwege discriminatie. De verklaringen van eiseres 1 op deze onderdelen vormen geen samenhangend en aannemelijk geheel volgens verweerder.
Eiseres 1 heeft niet aannemelijk gemaakt dat zij een gegronde vrees heeft voor vervolging en daarom is zij geen vluchteling zoals bedoeld in het Vluchtelingenverdrag. Dat eiseres 1 uit Turkije komt is daarvoor niet genoeg. Verweerder stelt zich over het tweede asielmotief op het standpunt dat eiseres 1 na de huiszoekingen in 2012 en 2014 weinig problemen heeft gehad die verband houden met de politieke activiteiten van de familieleden. Daarnaast krijgt eiseres 1 geen grote problemen door haar meisjesnaam [meisjesnaam] bij terugkeer naar Turkije, omdat uit haar verklaringen niet blijkt dat zij hier eerder problemen door kreeg. Verweerder verwacht ook niet dat de foto van de man van eiseres 1 op de YPG-site, die tien jaar geleden is geplaatst, problemen zal opleveren voor haar. Met betrekking tot de discriminatie vanwege de Koerdische afkomst, vindt verweerder dat eiseres 1 bij terugkeer naar Turkije niet in een situatie terecht zal komen waarin eiseres 1 onmogelijk op maatschappelijk en sociaal gebied kan functioneren vanwege discriminatie of buitensluiting. Over het HDP-lidmaatschap van eiseres 1 werpt verweerder tegen dat eiseres 1 geen vooraanstaande rol had binnen HDP. Eiseres 1 heeft volgens verweerder daarnaast geen ernstige persoonlijke problemen gehad door haar politieke activiteiten. Bovendien wordt eiseres 1 niet gezocht door de autoriteiten vanwege haar politieke overtuiging of activiteiten.
Eiseres 1 loopt ook geen reëel risico op ernstige schade. Dat zij uit Turkije komt is daarvoor onvoldoende. Het vijfde asielmotief leidt ook niet tot een reëel risico op ernstige schade. Eiseres 1 is door [naam 4] bedreigd maar na de intrekking van een tegen hem ingediende klacht hebben zich geen daadwerkelijke problemen voorgedaan. Eiseres 1 heeft ook geen aangifte gedaan van bedreiging of van het rondhangen van hem bij de woning van eisers. Niet gevolgd wordt dat de politie daar niet serieus mee zou omgaan.
De asielaanvraag van eiseres 1 is afgewezen als kennelijk ongegrond op basis van artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder h, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw). Eiseres 1 heeft volgens verweerder zonder geldige reden niet zo snel mogelijk een asielaanvraag ingediend. Eiseres 1 heeft na anderhalve maand na aankomst in Nederland een asielaanvraag ingediend.
Bestreden besluit eiseres 2 ( [eiseres 2] )
5. Het asielrelaas van eiseres 2 bevat volgens verweerder de volgende relevante motieven:
Identiteit, nationaliteit en herkomst
HDP, lidmaatschap, activiteiten en problemen
Discriminatie vanwege Koerdische afkomst
Problemen omdat familieleden actief waren voor YPG en HDP
Problemen met de man die was aangeklaagd voor poging ontvoering/misbruik van de zus
Verweerder vindt alle asielmotieven geloofwaardig. Volgens verweerder leiden deze motieven echter niet tot de conclusie dat aan eiseres 2 een verblijfsvergunning asiel moet worden verleend. Verweerder stelt zich op het standpunt dat eiseres 2 geen gegronde vrees voor vervolging heeft in de zin van het Vluchtelingenverdrag en bij terugkeer naar Turkije geen reëel risico op ernstige schade zal lopen, omdat haar problemen onvoldoende zwaarwegend zijn. Met betrekking tot de politieke overtuiging van eiseres (asielmotief 2), weegt verweerder mee dat eiseres 2 bereid is gebleken een terughoudende houding aan te nemen om problemen te voorkomen, dat zij is gestopt met haar lidmaatschap en haar problemen toen sterk verminderden en dat zij niet persoonlijk onder de aandacht van de autoriteiten is gekomen. Niet te verwachten is dat zij te maken krijgt met vervolging door haar politieke activiteiten. Volgens verweerder wordt het leven van eiseres 2 niet onmogelijk gemaakt door discriminatie vanwege haar Koerdische afkomst. Het zal niet onmogelijk zijn om te functioneren op maatschappelijk en sociaal gebied. Met betrekking tot het vierde asielmotief weegt verweerder mee dat de problemen dateren van circa acht jaar geleden, eiseres 2 geen concrete problemen heeft ervaren van dien aard dat er sprake is van vervolging en de problemen die eiseres 2 ervaart op de arbeidsmarkt niet van dien aard zijn dat er sprake is van vervolging zoals bedoeld in het Vluchtelingenverdrag. Verweerder verwijst met betrekking tot het vijfde asielmotief naar het bestreden besluit van eiseres 1. De problemen die hier in dit kader zijn ontstaan zijn maken niet dat er sprake is van een schending van artikel 3 van het EVRM.
De asielaanvraag van eiseres 2 is afgewezen als kennelijk ongegrond op basis van artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder h, van de Vw. Verweerder geeft hiervoor dezelfde motivering als in het bestreden besluit van eiseres 1.
Bestreden besluiten van eiseres 3 ( [eiseres 3] ) en eiseres 4 ( [eiseres 4] )
6. De asielrelazen van eiseres 3 en eiseres 4 bevatten volgens verweerder de volgende relevante motieven:
Identiteit, nationaliteit en herkomst
Discriminatie vanwege Koerdische afkomst
Beledigingen, huiszoekingen en bekladding woning doordat familieleden politiek actief waren
Verweerder acht alle asielmotieven geloofwaardig. Volgens verweerder leiden deze motieven echter niet tot de conclusie dat aan eiseres 3 of eiseres 4 een verblijfsvergunning asiel moet worden verleend. Verweerder stelt namelijk dat eiseres 3 en eiseres 4 geen gegronde vrees voor vervolging hebben in de zin van het Vluchtelingenverdrag en bij terugkeer naar Turkije geen reëel risico op ernstige schade zal lopen, omdat hun problemen onvoldoende zwaarwegend zijn. Volgens verweerder worden de levens van eiseres 3 en 4 niet onmogelijk gemaakt door discriminatie vanwege hun Koerdische afkomst. Met betrekking tot het derde asielmotief weegt verweerder mee dat eiseres 3 en eiseres 4 geen concrete problemen hebben ervaren van dien aard dat er sprake is van vervolging. Verweerder verwijst met betrekking tot dit asielmotief naar het bestreden besluit van eiseres 1.
De asielaanvragen van eiseres 3 en eiseres 4 zijn afgewezen als kennelijk ongegrond op basis van artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder h, van de Vw. Verweerder geeft hiervoor dezelfde motivering als in het bestreden besluit van eiseres 1.
CaseMatcher
7. De beroepsgronden van eisers richten zich allereerst tegen het gebruik van het computerprogramma ‘CaseMatcher’ door verweerder. CaseMatcher is volgens eisers een geavanceerd AI-systeem dat invloed heeft op de besluitvorming en verweerder is over het gebruik ervan niet transparant geweest in de bestreden besluiten.
Verweerder heeft ter zitting aangegeven dat de beslismedewerker zich niet meer kan herinneren of hij het programma CaseMatcher heeft gebruikt tijdens de besluitvorming. Verweerder kan dus niet uitsluiten dat gebruik is gemaakt van CaseMatcher. De rechtbank ziet daarom aanleiding om in de onderhavige zaak er van uit te gaan dat CaseMatcher is gebruikt bij de beoordeling van de asielaanvragen en dus bij de totstandkoming van de bestreden besluiten. Dat betekent dat de rechtbank zal beoordelen of verweerder bij zijn besluitvorming gebruik mocht maken van CaseMatcher en zo ja, of verweerder daarover voldoende transparant is geweest.
De rechtbank zal als eerste de vraag beantwoorden of CaseMatcher een AI-toepassing is dan wel een complex algoritme en/of black box. Daarna zal de rechtbank de vraag beantwoorden of de besluitvorming (gedeeltelijk) tot stand is gekomen door CaseMatcher dan wel of de besluitvorming is gestuurd door CaseMatcher en welke gevolgen dit heeft voor de transparantie bij het gebruik ervan door verweerder. Hierbij betrekt de rechtbank de overige beroepsgronden van eisers die zien op het gebruik van CaseMatcher.
Is Casematcher een AI-systeem dan wel een complex algoritme en/of black box?
8. Eisers voeren, kort samengevat, aan dat CaseMatcher een vorm van AI is dan wel een complex algoritme. CaseMatcher valt daarmee onder artikel 3 van de AI-verordening. CaseMatcher is een verboden AI-systeem op grond van artikel 5 van de AI-verordening. Eisers stellen dat CaseMatcher gebruik maakt van tekst mining en artificiële intelligentie, het verschillende niveaus van autonomie kent en natuurlijke personen op basis van bijzondere persoonskenmerken sorteert. CaseMatcher bepaalt zelf de relevante input en het genereert nieuwe output in de vorm van een ‘ranking’ en score die niet vooraf door mensen is vastgelegd, maar door algoritmische berekening wordt afgeleid. Het algoritme dat ten grondslag ligt aan de werking van CaseMatcher is dus anders dan een klassiek ‘rule-based algoritme’, aldus eisers. Eisers voeren, kort samengevat, subsidiair aan dat als CaseMatcher geen AI is, het dan wel een complex algoritme betreft waarbij er onvoldoende informatie over de werking ervan is vrijgegeven door verweerder. CaseMatcher is in dat geval een zogenoemde ‘black box’, aldus eisers. Eisers verwijzen in dit kader naar uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) inzake AERIUS en een uitspraak van deze rechtbank over het Systeem Risico Indicatie-systeem (SyRi). Eisers verwijzen in dit kader ook naar verklaringen van deskundigen. Dit betreft een verklaring van 22 juli 2025 en één van 17 mei 2026 van prof. dr. [deskundige 1] , hoogleraar en voorzitter van de groep Intelligent Systems van de afdeling Informatie- en Computerwetenschappen van de Universiteit Utrecht, en een verklaring van 21 juli 2025 van mr. [deskundige 2] van de vakgroep Staatsrecht, Bestuursrecht, Bestuurskunde van de Universiteit Groningen. Ook zijn stukken ingebracht die eerder bij zittingsplaats Groningen zijn ingebracht.
9. Verweerder heeft het standpunt ingenomen dat CaseMatcher geen geavanceerd AI-systeem of complex algoritme is, maar een simpele ‘rule-based’ zoek- en vindtool. Volgens verweerder staat ten eerste de AI-verordening niet in de weg aan het gebruik van CaseMatcher, omdat de verboden uit artikel 5 van de verordening pas na het bestreden besluit van kracht zijn geworden. Ten tweede zijn de aannames van eisers over de werking van CaseMatcher onjuist. CaseMatcher kan niet als een AI-systeem worden gekwalificeerd zoals bedoeld in artikel 3 van de AI-verordening. CaseMatcher is als zoek- en vindtool niet in staat om te leren, redeneren of modelleren, om zelfstandig acties uit te voeren of om zelf capaciteiten aan te leren. Verweerder verwijst ter ondersteuning van dit standpunt naar verklaringen van medewerkers van de IND, Knowledge Plaza en OpenText. Ten slotte stelt verweerder zich op het standpunt dat CaseMatcher geen black box is. Een black box is namelijk een algoritmische toepassing dat bepaalde input tot bepaalde output verwerkt, waarbij het proces van input naar output binnen de toepassing ondoorzichtig en oncontroleerbaar is. Er zitten in de werking van CaseMatcher echter géén aannames, keuzes of gegevens ‘verstopt’. CaseMatcher is immers een simpele (functionaliteit van de) zoek- en vindtool die op basis van vaste regels en statistiek weergeeft in welke zaken een bepaalde zoekterm voorkomt. CaseMatcher moet dan ook worden onderscheiden van de door eisers genoemde zaken over AERIUS en Syri, aldus verweerder.
10. De rechtbank komt tot het oordeel dat CaseMatcher geen AI-systeem. Ook is het geen complex algoritme of black box. Er is geen reden om aan te nemen dat CaseMatcher meer dan een simpele zoekfunctionaliteit betreft. De rechtbank volgt de stelling van eisers dus niet. De rechtbank is als volgt tot dit oordeel gekomen.
De rechtbank volgt ten eerste de uitleg van verweerder dat CaseMatcher het voor een geautoriseerde beslismedewerker van de IND mogelijk maakt om te zoeken naar eerder behandelde zaken en in die zaken opgeslagen documenten waarin een bepaalde zoekterm voorkomt. De rechtbank begrijpt het doel van CaseMatcher dus zo dat via deze zoek- en vindtool een beslismedewerker, bij het nemen van besluiten, kennis kan vergaren door het raadplegen van oude zaken en kan nagaan hoe in andere gevallen met bepaalde materie is omgegaan in de besluitvorming.
De rechtbank volgt verder de uitleg van verweerder dat CaseMatcher hierbij gebruikt maakt van een simpel rule based algoritme. CaseMatcher geeft alleen weer welke zaken een zoekterm bevatten en rangschikt deze resultaten op basis van de datum of op relevantie. Bij de rangschikking wordt gebruik gemaakt van een statistische methode die achterhaalt hoe veelvuldig een woord in een bepaald document voorkomt. De rangschikking van de zoekresultaten wordt ook bepaald door het gewicht dat aan bepaalde type documenten wordt toegekend. De rechtbank acht de motivering van verweerder dat aan een beschikking een hoger gewicht wordt toegekend dan een aanmeldformulier, omdat een beschikking meer relevante informatie bevat, inzichtelijk en begrijpelijk. Dat uit het evaluatierapport over CaseMatcher volgens eiser zou blijken dat CaseMatcher een AI-systeem is volgt de rechtbank niet. Verweerder heeft uitgelegd dat uit het rapport slechts blijkt dat het oorspronkelijke idee was om een geavanceerd model te ontwerpen waarmee vergelijkbare zaken konden worden onderzocht, maar dat uiteindelijk is gekozen voor een simpele zoekfunctie omdat beslismedewerkers hadden aangegeven dat hier meer behoefte aan was. De rechtbank ziet geen aanleiding om de motivering van verweerder op dit punt in twijfel te trekken. De rechtbank kan daarnaast de motivering van verweerder volgen dat CaseMatcher niet leert, redeneert of modelleert, en dat de zoekresultaten volledig deterministisch en rule-based worden gegenereerd en gesorteerd. Daarmee valt CaseMatcher ook buiten de werking van de AI-verordening omdat CaseMatcher niet als een AI-systeem kan worden gekwalificeerd volgens de rechtbank. In het hetgeen eisers hebben aangevoerd, ziet de rechtbank dus geen aanleiding om te twijfelen aan de uitleg van verweerder over de werking van CaseMatcher als eenvoudig algoritme. De deskundigen van eisers hebben met name gesteld dat niet uitgesloten kan worden dat sprake is van meer dan een simple rule based algoritme. De deskundigen van verweerder hebben echter kennis van het ontwerp en de technische werking van CaseMatcher. Er is geen reden om aan te nemen dat de deskundigen van verweerder niet onafhankelijk zouden zijn.
Over de aanvullende informatie die partijen op verzoek van de rechtbank na de zitting hebben ingebracht, overweegt de rechtbank het volgende. Deskundige [deskundige 3] heeft uitleg gegeven over de invloed van de ‘KnowledgePlaza Business Logic Layer’ op CaseMatcher. Volgens hem zorgt de Layer voor communicatie tussen de webapplicatie (waarin de medewerker zijn zoekvraag invoert) en de zoekmachine waarmee wordt gezocht, heeft geen effect op zoekvragen en zoekresultaten. De Layer kan gezien worden als ‘onderdeel’ van CaseMatcher, omdat het doorlopend voor communicatie zorgt. Er zijn daarnaast twee zoekoptimalisaties ingesteld. Dit houdt in dat bij het zoeken op een ECLI-nummer de Layer dit patroon van cijfers, letters en leestekens herkent als een ECLI-nummer en er dubbele quotes omheen zet, en ten tweede, dat bij het zoeken met meer dan één term, alleen documenten worden gevonden waarin alle gebruikte termen voorkomen. De Layer vormt echter geen onderdeel van de werking van CaseMatcher in de zin dat het invloed heeft op de wijze waarop CaseMatcher de zoekopdracht uitvoert. De zoekopdracht wordt uitsluitend uitgevoerd door de door OpenText ontwikkelde IDOL-software. Ten slotte bestaat de techniek die ten grondslag ligt aan de Layer uitsluitend uit harde beslisregels en is dit geen AI, aldus [deskundige 3] . Naar aanleiding hiervan heeft een deskundige van eiser, [deskundige 1] , kortgezegd verklaard dat hij de toelichting van [deskundige 3] niet overtuigend vindt. De rechtbank leidt hieruit geen duidelijke conclusie af. De rechtbank ziet daarom geen aanleiding om af te wijken van de uitleg van [deskundige 3] over de Knowledge Business Logic Layer.
De rechtbank is ten slotte ook van oordeel dat CaseMatcher geen complex algoritme en/of black box is. Daarbij overweegt de rechtbank dat in het geval van CaseMatcher uit de hiervoor besproken overwegingen is gebleken dat het resultaat van de zoekopdracht logisch herleidbaar is, hetgeen niet het geval zou zijn bij een complex algoritme. Bovendien is de rechtbank in die eerdere overwegingen tot de conclusie gekomen dat CaseMatcher een eenvoudig rule based algoritme betreft. Eisers kunnen daarom ook geen geslaagd beroep doen op de aangehaalde uitspraken over AERIUS en SyRi, omdat het in die uitspraken anders dan in deze zaak, wel ging om complexe algoritmen.
De beroepsgrond slaagt dus niet.
Is de besluitvorming (gedeeltelijk) tot stand gekomen door CaseMatcher en zo ja, vereist dat een bepaalde transparantie van verweerder?
11. Eisers voeren, kort samengevat, aan dat de bestreden besluiten onzorgvuldig tot stand zijn gekomen omdat verweerder niet transparant is geweest over het gebruik van CaseMatcher. Eisers voeren in dit kader aan dat het gebruik van CaseMatcher leidt tot een groot risico op ‘automation bias’ omdat de beslismedewerker door CaseMatcher structureel eenzijdige input krijgt. Verweerder heeft in dit kader volgens eisers onvoldoende gedaan aan risicobeheersing van het systeem. Dit brengt volgens eisers met zich dat er een risico op bias ontstaat en dat niet kan worden uitgesloten dat het recht op privacy van eisers is geschonden. Daarnaast stellen eisers dat de stukken die zijn gebruikt als referentiemateriaal door CaseMatcher op grond van artikel 8:42 van de Awb als op de zaak betrekking hebbende stukken moeten worden ingediend en dit dus ook transparantie van verweerder vereist.
12. De rechtbank volgt de stelling(en) van eisers niet. De rechtbank is van oordeel dat de besluitvorming niet (gedeeltelijk) tot stand komt door CaseMatcher en ook niet dat de motivering wordt gestuurd door CaseMatcher. Daarom is verweerder ook niet gehouden om het gebruik van CaseMatcher te vermelden in zijn besluiten. De rechtbank is als volgt tot deze conclusie gekomen.
De rechtbank overweegt dat uit artikel 3:46 van de Awb volgt dat de motivering van een besluit deugdelijk moet zijn en dit houdt in dat overheidsbesluiten gebaseerd dienen te zijn op een draagkrachtige en kenbare motivering. Dit heeft als gevolg dat als de motivering van een besluit niet tot stand had kunnen komen zonder een bepaald algoritme, maar waarbij in het besluit dat algoritme niet is vermeld, het besluit een motiverings- en zorgvuldigheidsgebrek bevat. Andersom betekent dit volgens de rechtbank dat als een algoritme is gebruikt en de instructies van het algoritme een deel van de beslissing omvatten, er een verplichting bestaat voor verweerder om het algoritmegebruik te vermelden. Een toegevoegde waarde van transparantie zal zich in dit kader dus vooral voordoen wanneer algoritmen een wezenlijke invloed hebben gehad op of bepalend zijn geweest voor de inhoud van het besluit.
De rechtbank volgt het standpunt van verweerder dat CaseMatcher een simpel algoritme betreft dat op geen enkele manier, dus ook niet al dan niet gedeeltelijk geautomatiseerd, heeft geleid tot de inhoud van de bestreden besluiten. Ook heeft het in dat kader geen instructies gegeven. De rechtbank volgt de uitleg van verweerder dat CaseMatcher slechts weergeeft welke zaken een zoekterm bevatten en dus niet welke zoekresultaten daadwerkelijk relevant zijn voor de besluitvorming. Naar het oordeel van de rechtbank zal inzicht in CaseMatcher dus niet leiden tot een betere controleerbaarheid van de bestreden besluiten. Daarom is verweerder ook niet gehouden om transparant te zijn over het gebruik.
In dat kader oordeelt de rechtbank ook dat verweerder niet gehouden is om volgens artikel 8:42 van de Awb de stukken in te dienen die het resultaat zijn geweest van de zoekopdracht in CaseMatcher. Dit zijn geen stukken die relevant kunnen zijn voor de bestuursrechter om tot een uitspraak te komen. De rechtbank concludeert in dat kader dat voor de beslechting van het onderhavige geschil enkel relevant is of zij zich kan vinden in de motivering van de bestreden besluiten. CaseMatcher is een systematische gegevensverzameling, een database. Naar vaste rechtspraak zijn gegevens in een database alleen op de zaak betrekking hebbende stukken als zij ‘van belang en raadpleegbaar zijn met het oog op’ die zaak. Het enkele feit dat gegevens in CaseMatcher zijn geraadpleegd in het kader van de totstandkoming van de besluiten over eisers betekent niet dat het dit soort gegevens zijn of zijn geworden door het raadplegen. Het is ook niet zo dat voor eisers een ongelijkwaardige procespositie ontstaat als zij geen inzicht krijgen in en controle kunnen uitoefenen over de gegevens uit CaseMatcher die een rol hebben gespeeld bij de totstandkoming van de bestreden besluiten.
Daarnaast volgt de rechtbank ook niet de stelling van eisers dat CaseMatcher leidt tot een risico op (automation) bias. De rechtbank ziet geen aanleiding voor het oordeel dat beslissingen van beslismedewerkers in belangrijke mate leunen op de output van CaseMatcher. De rechtbank volgt de motvering van verweerder dat CaseMatcher een beslismedewerker niet stuurt met de manier waarop de zoekresultaten worden gepresenteerd. Er is al helemaal geen reden om aan te nemen dat Casematcher een instructie of een (gedeeltelijke) uitkomst genereert die de beslismedewerker kan volgen. De inhoudelijke beslissing van verweerder kan zijn beïnvloed door de uitkomsten van het zoeken in CaseMatcher, maar het programma op zich heeft geen sturende invloed gehad op die inhoudelijke beslissing. De rechtbank overweegt in dat kader dat het mogelijk is dat asielaanvragen uit bepaalde landen vaker worden afgewezen dan ingewilligd en dat een beslismedewerker in dergelijke gevallen meer negatieve beslissingen kan krijgen bij een bepaalde zoekopdracht in CaseMatcher, maar dat het aan de IND en zijn medewerkers zelf is om hier alert op te zijn. De rechtbank acht van belang dat verweerder in dat kader zelf ook heeft gewezen op een interne online cursus die beslismedewerkers moeten volgen voordat zij gebruik mogen maken van CaseMatcher. In hetgeen door eisers is aangevoerd ziet de rechtbank dus geen aanleiding voor het oordeel dat CaseMatcher zo is ingesteld dat beslismedewerkers bewust een bepaalde kant op worden gestuurd tijdens de besluitvorming.
De rechtbank volgt ook niet de stelling van eisers dat verweerder onvoldoende heeft gedaan aan risicobeheersing. Verweerder heeft voldoende gemotiveerd dat er een beperkt aantal filters gebruikt kunnen worden binnen CaseMatcher. Ook wordt een beleid over het gebruik van zoektermen gehanteerd, medewerkers mogen pas gebruik maken van CaseMatcher na het volgen van een onlinecursus, er vindt logging plaats van activiteiten van een beslismedewerker in een individuele zaak en er is een DPIA verricht naar Indigo (waar CaseMatcher onderdeel van is).
De beroepsgrond slaagt niet.
Heeft verweerder ten onrechte de besluiten niet ondertekend?
13. Eisers voeren, kortgezegd, aan dat de bestreden besluiten niet zijn ondertekend en daarom niet kunnen worden gecontroleerd op (onder meer) het gebruik van CaseMatcher.
14. De rechtbank volgt de stelling van eisers niet. Uit een uitspraak van de Afdeling van 2 maart 2026 volgt dat verweerder niet verplicht is om meeromvattende asielbeschikkingen die ook terugkeerbesluiten bevatten te voorzien van een ondertekening. Het ontbreken van de ondertekening leidt daarnaast niet tot een gebrek in de besluitvorming, omdat voldoende controleerbaar is dat de beschikkingen door bevoegde personen zijn genomen. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat met deze beroepsgrond onvoldoende aannemelijk is gemaakt dat de besluiten onzorgvuldig tot stand zijn gekomen of niet door een bevoegde ambtenaar zijn genomen.
Inhoudelijke gronden gericht tegen de afwijzing van de asielaanvraag
15. De rechtbank komt nu toe aan de bespreking van de inhoudelijke gronden van eisers die zien op de afwijzing van de asielaanvraag.
Is de geloofwaardigheidsbeoordeling volgens Werkinstructie (WI) 2024/6 in strijd met het Unierecht?
16. Eisers voeren aan dat verweerder een onjuist toetsingskader heeft gebruikt bij de geloofwaardigheidsbeoordeling ten aanzien van de door eisers overgelegde documenten. Verweerder heeft het asielmotief discriminatie vanwege Koerdische afkomst van eiseres 1 namelijk (deels) ongeloofwaardig geacht met toepassing van de cumulatieve voorwaarden van artikel 31, zesde lid van de Vw. Verweerder heeft hiermee in strijd gehandeld met het Unierecht. Eisers beroepen zich hierbij op uitspraken van deze rechtbank, zittingsplaats Roermond van 7 januari 2025, waarbij prejudiciële vragen zijn gesteld aan het Europees Hof van Justitie van de Europese Unie (het Hof) en op uitspraken van deze rechtbank, zittingsplaats Groningen, van 8 augustus 2025.
De rechtbank is van oordeel dat eisers niet concreet hebben gemaakt dat de geloofwaardigheidsbeoordeling in deze zaken vanwege de toepassing van WI 2024/6 in strijd is met het Unierecht. In de enkele omstandigheid dat hierover prejudiciële vragen zijn gesteld door aan het Hof, ziet de rechtbank geen reden voor een ander oordeel. De rechtbank verwijst hierbij ook naar de uitspraak van de meervoudige kamer van deze rechtbank en zittingsplaats van 7 oktober 2025.
Heeft verweerder ten onrechte in het voornemen verwezen naar het risicogroepenbeleid?
17. Eisers voeren aan dat verweerder ten aanzien van eiseres 1 ten onrechte heeft verwezen naar het risicogroepenbeleid. Verweerder heeft eerst het risicogroepenbeleid toegepast in het voornemen van eiseres 1, maar verweerder stelt in de beschikking dat per ongeluk risicogroep stond vermeld in plaats van risicoprofiel. Eiseres heeft geen mogelijkheid gekregen om middels een aanvullende zienswijze te reageren op dit nieuwe standpunt van verweerder en hierdoor is het bestreden besluit onzorgvuldig tot stand gekomen.
De rechtbank is van oordeel dat het bestreden besluit niet onzorgvuldig tot stand is gekomen doordat verweerder in het voornemen de term ‘risicogroep’ heeft genoemd in plaats van ‘risicoprofiel’. Zowel in het bestreden besluit als in het verweerschrift heeft verweerder uitgelegd dat er per ongeluk risicogroep stond vermeld in het voornemen. Daarbij heeft verweerder ook gemotiveerd dat in het voornemen van eiseres 1 wel is verwezen naar het juiste beleid uit de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc), namelijk paragrafen C7/34.3.2. en C2/2.4, waarin duidelijk ‘risicoprofiel’ wordt genoemd. De rechtbank volgt dan ook het standpunt van verweerder dat het gaat om een kennelijke schrijffout en niet om toepassing van oud beleid. Volgens de rechtbank heeft verweerder in het bestreden besluit dan ook niet een nieuw standpunt ingenomen. De beroepsgrond slaagt niet.
Heeft verweerder een onjuiste risicobeoordeling gemaakt bij terugkeer?
18. Eisers voeren aan dat verweerder onvoldoende de rol van de familieleden heeft betrokken bij de risico-inschatting bij terugkeer. Daarnaast voeren eisers ook aan dat zij bij terugkeer een risico lopen vanwege gender gerelateerd geweld. Eisers verwijzen in dit kader naar de zienswijze. Ten aanzien van het standpunt van verweerder dat de verwijzingen in de zienswijze naar door eisers genoemde jurisprudentie niet opgaan omdat geen sprake is van ‘huiselijk’ geweld wijst eiseres 1 op het feit dat verweerder hiermee miskent dat het gaat om geweld tegen vrouwen en dat verweerder de jurisprudentie in dit kader te beperkt interpreteert. Ook hebben eisers aanvullende documenten overgelegd zoals verklaringen van de vicevoorzitter van de DEM-Partij over eiseres 1, eiseres 2 en [kind 3] , actuele informatie over DEM-leden en -aanhangers van Vluchtelingenwerk Nederland (VWN), sociale media berichten van eiseres 2 en vergelijkbare uitspraken van deze rechtbank, zittingsplaats Groningen en zittingsplaats Arnhem, over DEM/HDP-leden en de rol van familieleden.
De rechtbank is van oordeel dat verweerder een juiste risico-inschatting heeft gemaakt van de situatie bij terugkeer van eisers naar Turkije. De rechtbank volgt ten eerste niet de stelling van eisers dat verweerder onvoldoende de rol van de familieleden heeft betrokken bij de risico-inschatting. De rechtbank is van oordeel dat verweerder hier in het bestreden besluit voldoende op is ingegaan. Hetgeen in het meest recente ambtsbericht over Turkije over HDP en DEM staat vermeld, leidt niet tot een ander oordeel. Familieleden van HDP-leden konden volgens deze informatie de negatieve aandacht van de Turkse autoriteiten trekken en familieleden van DEM-leden kunnen worden vervolgd, opgepakt en/of verhoord, of onder druk worden gezet om te getuigen. Onduidelijk is op welke schaal deze praktijken voorkwamen en welke familieleden onder welke omstandigheden een doelwit werden. Verweerder heeft dit betrokken en overwogen dat sinds de huiszoekingen in 2012 en 2014 niet weer iets dergelijks is gebeurd. De rechtbank volgt verweerder dat hieruit volgt dat niet te verwachten is dat eisers na terugkeer te maken krijgen met vervolging of problemen waarop artikel 3 van het EVRM ziet. De rechtbank is verder met verweerder van oordeel dat eisers hier, ook met de aanvullende documenten en wat ter zitting is gesteld, niets nieuws over hebben aangevoerd.
Ter zitting heeft verweerder ook gereageerd op de informatie van VWN, de foto’s van de sociale media berichten van eiseres 2 en de rechtbankuitspraken die eisers een dag voor zitting nog hebben overgelegd. De rechtbank is met verweerder eens dat deze documenten niet aannemelijk maken dat er in het geval van eisers sprake is van negatieve aandacht of dat zij een risico lopen op vervolging bij terugkeer naar Turkije. Eisers hebben onvoldoende concreet gemaakt dat zij specifiek in de negatieve aandacht staan van de Turkse autoriteiten. Het plaatsen, delen en liken van DEM-gezinde berichten op sociale media is volgens het ambtsbericht één van de omstandigheden die maken dat sprake kan zijn van verhoogde overheidsaandacht, maar het betekent niet dat de activiteiten van eiseres 2 hiertoe zullen leiden. Dat de Turkse autoriteiten met die activiteiten bekend zijn, is niet onderbouwd. Ook heeft eiseres 2 verklaard niet veel en niet weinig te delen op social media. Ook de omstandigheid dat dochter en zus [kind 3] inmiddels is gevlucht uit Turkije, maakt dit oordeel niet anders. Ter zitting is immers gebleken dat [kind 3] nog geen asielstatus heeft gekregen. Uit het dossier blijkt dat zij actief is voor de Koerdische zaak en daarom lijkt te zijn gevlucht vanwege problemen daardoor, maar dat dit ook effect heeft op de posities van eisers bij terugkeer is niet onderbouwd. Het is op dit moment slechts gebaseerd op vermoedens.
Ten tweede volgt de rechtbank de stelling van eisers niet dat zij bij terugkeer risico lopen op gender gerelateerd geweld. De rechtbank overweegt daarbij dat een algemene verwijzing naar de zienswijze onvoldoende is om te kunnen dienen als een beroepsgrond. Het is immers aan eisers om concreet te maken waarom zij het niet eens zijn met het standpunt van verweerder in het bestreden besluit. Dit is niet gedaan. De rechtbank ziet dan ook geen aanleiding om af te wijken van de motivering van verweerder in de bestreden besluiten. Hierin is namelijk al door verweerder toegelicht waarom de door eisers aangehaalde jurisprudentie niet opgaat, namelijk omdat het in die zaken ging over het risico op huiselijk geweld door een (voormalig) echtnoot, en daar is in het geval van eisers geen sprake van.
Werpt verweerder ten onrechte tegen dat eisers zich niet tijdig hebben gemeld?
19. Eisers voeren aan dat verweerder ten onrechte het niet tijdig melden tegenwerpt gelet op de uitleg van eiseres 1 en de enorme problemen met de opvang in Ter Apel. Eiseres 1 heeft vanaf het begin af aan gewezen op het feit dat ze niet meteen naar Ter Apel is gegaan vanwege het kunnen bieden van rust aan de kinderen hetgeen, gelet op de situatie in daar, terecht was. Eiseres 1 heeft de medische problematiek van zoon [kind 2] daarbij aangetoond.
20. De beroepsgrond kan volgens de rechtbank niet slagen. Het is de rechtbank gebleken dat eisers deze beroepsgrond hebben aangevoerd in het kader van de geloofwaardigheidsbeoordeling. Ter zitting heeft verweerder nader toegelicht dat het niet-tijdig melden niet is tegengeworpen in het kader van de geloofwaardigheidsbeoordeling van artikel 31, zesde lid, van de Vw. Het niet tijdig melden ziet dus alleen nog op de kennelijk ongegrondheid, aldus verweerder. Nu de beroepsgronden niet zijn gericht tegen het terugkeerbesluit en het inreisverbod en ook ter zitting de gemachtigde van eisers hier niet tegen op is gekomen, ziet de rechtbank geen aanleiding om zich hier verder over uit te laten.
Conclusie en gevolgen
21. Verweerder heeft de aanvragen terecht afgewezen als ongegrond. Eisers krijgen dus geen gelijk. De beroepen zijn ongegrond. Eisers krijgen geen vergoeding van hun proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart de beroepen ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. H. Battjes, voorzitter, en mr. W.B. Klaus en
mr. T.N. van Rijn, leden, in aanwezigheid van mr. S.J. Nederpel, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 4 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.