RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[naam], eiseres,
de minister van Asiel en Migratie, de minister
Samenvatting
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.5646
geboren op [geboortedatum],
van Nigeriaanse nationaliteit,
V-nummer: [nummer]
(gemachtigde: mr. M.H. van der Linden)
en
(gemachtigde: mr. B.J.W. Immink).
1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de asielaanvraag van eiseres als bedoeld in artikel 28 van de Vw 2000. Eiseres is het hier niet mee eens. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Mede aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de asielaanvraag.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de afwijzing van de asielaanvraag in stand kan blijven. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. Eiseres heeft een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. De minister heeft met het bestreden besluit van 8 januari 2026 deze aanvraag in de algemene procedure afgewezen als ongegrond en heeft een terugkeerbesluit opgelegd.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
De rechtbank heeft het beroep op 19 augustus 2026 op zitting behandeld. Hieraan heeft de gemachtigde van de minister deelgenomen. Eiseres en haar gemachtigde hebben zich afgemeld voor de zitting.
Beoordeling door de rechtbank
Het asielrelaas
3. Eiseres legt aan haar asielaanvraag ten grondslag dat zij de Nigeriaanse nationaliteit heeft en behoort tot de Edo bevolkingsgroep. Zij is een alleenstaande moeder en zij vreest dat zij bij terugkeer verkracht of vermoord zal worden. De kans is hierbij aanwezig dat dit zal gebeuren als zij buiten bewustzijn is door een epileptische aanval.
Het bestreden besluit
4. Het asielrelaas van eiseres bevat volgens de minister de volgende asielmotieven:
De minister vindt beide asielmotieven geloofwaardig, maar vindt niet dat deze een gegronde vrees voor vervolging of een reëel risico op ernstige schade opleveren. De minister stelt zich op het standpunt dat uit de informatie in het ambtsbericht niet blijkt dat alleenstaande vrouwen onder een sociale groep vallen die te vrezen heeft voor vluchtelingrechtelijke vervolging dan wel een reëel risico heeft op ernstige schade. Daarbij neemt de minister in aanmerking dat alleenstaande vrouwen in het landenbeleid over Nigeria niet als risicoprofiel worden aangemerkt. Eiseres heeft ook niet aannemelijk gemaakt dat zij persoonlijk voor geweld te vrezen heeft. De minister concludeert dat de asielaanvraag wordt afgewezen.
Gegronde vrees vervolging als alleenstaande vrouw of reëel risico op ernstige schade
5. Eiseres voert aan dat zij behoort tot een sociale groep in de zin van het Vluchtelingenverdrag, die bestaat uit alleenstaande vrouwen in Nigeria die te vrezen hebben voor seksueel geweld. Eiseres is daarom bang dat zij bij terugkeer naar Nigeria verkracht of vermoord wordt. Dat zij hiervoor te vrezen heeft, baseert zij op de inhoud van het ambtsbericht. Hieruit volgt dat seksueel geweld in heel Nigeria voorkomt en dat de situatie van alleenstaande vrouwen in dat land heel moeilijk is. De omstandigheid dat eiseres last heeft van epileptische aanvallen maakt haar bovendien een groter doelwit voor geweld.
De rechtbank is van oordeel dat de minister zich op goede gronden op het standpunt stelt dat eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij behoort tot een groep alleenstaande vrouwen of moeders in Nigeria die een gegronde vrees voor vervolging heeft. De verwijzing naar het ambtsbericht is daarvoor onvoldoende. De minister wijst er terecht op dat uit dit ambtsbericht niet alleen volgt dat de situatie van alleenstaande vrouwen in Nigeria moeilijk is en dat seksueel en gendergerelateerd geweld voorkomt, maar ook dat hun situatie niet overal gelijk is. De positie van alleenstaande vrouwen in de stedelijke en zuidelijke gebieden is namelijk aanzienlijk beter dan die van alleenstaande vrouwen in de landelijke en noordelijke gebieden. De minister neemt terecht in aanmerking dat eiseres afkomstig is uit een stad in het zuiden van Nigeria. De informatie waarnaar eiseres verwijst, is dus niet op haar persoonlijke situatie van toepassing. Dit betekent dat uit deze landeninformatie niet kan worden afgeleid dat alleenstaande vrouwen zoals eiseres als sociale groep voor vervolging te vrezen hebben.
De rechtbank is daarnaast van oordeel dat de minister zich goed gemotiveerd op het standpunt stelt dat eiseres ook niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij persoonlijk voor geweld te vrezen heeft. De minister heeft hierbij niet ten onrechte in aanmerking genomen dat eiseres zich in het verleden vanaf de geboorte van haar dochter in 2003 met behulp van haar sociale netwerk in de samenleving heeft kunnen handhaven. Daarbij wijst hij er terecht op dat uit de verklaringen van eiseres volgt dat zij in Nigeria nog steeds over een sociaal netwerk beschikt. Zij heeft namelijk een moeder en een volwassen dochter, met wie zij nog contact heeft. Bovendien heeft de gemeenschap haar voor en na haar ongeluk in haar levenshoud ondersteund. Ook heeft hij hierbij kunnen betrekken dat eiseres heeft verklaard dat zij in haar directe omgeving het geweld dat zij vreest, niet heeft meegemaakt. Eiseres heeft bovendien niet aannemelijk gemaakt dat zij een groter risico op (seksueel) geweld loopt vanwege haar medische situatie.
De beroepsgrond slaagt niet. De rechtbank is van oordeel dat de minister zich op goede gronden op het standpunt stelt dat eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij in Nigeria een gegronde vrees voor vervolging heeft of een reëel risico op ernstige schade loopt.
Conclusie en gevolgen
6. De minister heeft de aanvraag terecht afgewezen als ongegrond.
Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de afwijzing van de asielaanvraag en het terugkeerbesluit in stand blijven. Eiseres krijgt geen vergoeding van haar proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A. Dijkstra, rechter, in aanwezigheid van
mr. M. Veenstra-van der Veen, griffier en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 4 weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.