RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de meervoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , V-nummer: [#] , eiser
de minister van Asiel en Migratie, verweerder
Samenvatting
Zittingsplaats Haarlem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL24.50318
(gemachtigde: mr. L.M. Weber),
en
(gemachtigde: mr. Ch.R. Vink).
1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de asielaanvraag van eiser. Hij komt uit Jemen. Volgens verweerder heeft hij geen recht op asiel. Eiser is het hier niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de asielaanvraag.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de afwijzing van de asielaanvraag niet in stand kan blijven. Verweerder gelooft terecht niet de door eiser gestelde problemen met de Houthi’s, de Intekali en de Charaiya. Maar verweerder heeft de veiligheidssituatie in Jemen, in het bijzonder in Aden, onvoldoende onderzocht. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. Eiser heeft op 27 april 2023 een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Verweerder heeft met het bestreden besluit van 10 december 2024 deze aanvraag afgewezen als ongegrond.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
De rechtbank heeft het beroep op 4 juni 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben eiser, de gemachtigde van eiser, [naam] als tolk en de gemachtigde van verweerder deelgenomen.
Beoordeling door de rechtbank
Wat heeft eiser aan zijn asielaanvraag ten grondslag gelegd?
3. Eiser heeft de Jemenitische nationaliteit en is geboren op [geboortedatum] . Hij stelt dat de Houthi’s hebben geprobeerd hem te rekruteren in Sana’a toen hij 3 of 5 jaar oud was. Zijn familie weigerde hem aan de Houthi’s te geven en eiser is met zijn familie naar Aden verhuisd. In Aden werd eiser door buren, mensen of vrienden op straat uitgescholden dat hij een Houthi of een collaborateur zou zijn. In 2015 verhuisde eiser met zijn familie naar Saoedi-Arabië en in 2021 keerde hij met zijn familie weer terug naar Jemen. Eiser hoorde dat de Houthi’s op zoek waren naar verraders. Uit voorzorg dook eiser onder.
Eiser heeft aangegeven dat hij Jemen heeft verlaten vanwege de oorlog, zijn vrees om gerekruteerd te worden, het feit dat hij gediscrimineerd wordt en de afwezigheid van basisvoorzieningen. Bij terugkeer vreest hij voor zowel de Houthi’s als de Intekali en Charaiya (de overgangsregering). Na zijn vertrek uit Jemen is eiser erachter gekomen dat de Intekali en Charaiya hem zoeken en hem betichten van spionage voor de Houthi’s.
Wat is het standpunt van verweerder?
4. Verweerder heeft de volgende asielmotieven uit eisers asielrelaas gehaald:
1. eisers identiteit, nationaliteit en herkomst;
2. de discriminatie;
3. de problemen met de Houthi's;
4. de problemen met de Intekali en Charaiya.
Verweerder gelooft het eerste asielmotief, maar de andere drie asielmotieven niet. Op grond van het eerste, geloofwaardige, asielmotief komt eiser niet in aanmerking voor een asielvergunning. Weliswaar neemt verweerder een hoge mate van willekeurig geweld aan in Jemen, maar dat betekent dat eiser op basis van individuele omstandigheden aannemelijk moet maken waarom specifiek hij een risico loopt om slachtoffer te worden bij terugkeer ten opzichte van andere burgers. Verweerder is van mening dat eiser daarin niet is geslaagd.
Heeft verweerder de geloofwaardigheid van het asielrelaas in strijd met het Unierecht beoordeeld?
5. Verweerder heeft de geloofwaardigheid beoordeeld aan de hand van Werkinstructie (WI) 2024/6. Dit is volgens eiser in strijd met het Unierecht. Verweerder moet actief met eiser samenwerken om alle elementen te verzamelen. In dit geval heeft verweerder ten onrechte geen onderzoek verricht naar het aanhoudingsbevel, heeft verweerder ten onrechte de bewijsstukken niet beoordeeld in samenhang met de landeninformatie over rekrutering door de Houthi's en de werkwijze van de Intekali en de Charaiya en heeft verweerder in zijn beoordeling geen rekening gehouden met eisers bijzondere kwetsbaarheid als voormalig alleenstaande minderjarige vreemdeling.
De rechtbank volgt eiser hierin niet. In de uitspraak van 7 oktober 2025 heeft deze rechtbank en zittingsplaats geoordeeld dat de geloofwaardigheidsbeoordeling zoals neergelegd in WI 2024/6 niet in strijd is met het recht van de Europese Unie. In wat eiser heeft aangevoerd ziet de rechtbank geen aanleiding om in deze zaak tot een ander oordeel te komen. In het bijzonder heeft hij niet uitgelegd waarom de toepassing van WI 2024/6 in deze zaak heeft geleid tot een resultaat in strijd met het recht van de Europese Unie. Ook is niet duidelijk waarom de samenwerkingslicht zou zijn geschonden. Wat betreft de stelling dat hij als voormalig alleenstaande minderjarige vreemdeling bijzonder kwetsbaar is, heeft eiser meer specifiek niet onderbouwd in welk opzicht verweerder daar volgens hem rekening mee had moeten houden in zijn toetsing van het asielrelaas dan wel waarom dit tot een ander besluit had moeten leiden. De beroepsgrond slaagt niet.
Heeft verweerder de problemen die eiser stelt te hebben met de Houthi’s terecht niet geloofd?
6. Eiser voert aan dat de Houthi's hem op 3- of 5-jarige leeftijd hebben geprobeerd te rekruteren. De Houthi's kwamen persoonlijk naar het huis van zijn vader en hebben zijn vader gesommeerd zijn oudste zoon in te leveren. Eisers vader is daarbij met de dood bedreigd. Zijn vader heeft geen gehoor gegeven aan de sommering van de Houthi’s en het gezin is gevlucht. Eiser heeft informatie overgelegd waaruit blijkt dat de Houthi’s kinderen ontvoeren. Maar ook als hij nu op latere leeftijd terugkeert loopt hij nog steeds het risico gerekruteerd te worden, omdat hij zich nooit bij de Houthi's heeft gemeld. Voorts heeft het feit dat hij uit Sana'a is gevlucht tot gevolg dat hij daar als verrader/tegenstander wordt beschouwd omdat hij zich niet bij de Houthi's heeft aangesloten, aldus eiser.
De rechtbank overweegt hierover als volgt. Verweerder gelooft terecht niet dat eiser problemen heeft gehad met de Houthi’s. Niet in geschil is dat de Houthi’s kinderen rekruteren, maar eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat de Houthi’s kinderen rekruteren met de zeer jonge leeftijd van 3 of 5 jaar. Uit de door eiser overgelegde artikelen over de rekrutering door de Houthi’s blijkt dat niet. Voorts heeft verweerder in zijn beoordeling terecht betrokken dat eiser heeft verklaard dat zich sinds de gestelde poging tot rekrutering geen andere incidenten met de Houthi’s hebben voorgedaan. Ook heeft verweerder terecht van belang geacht dat eiser en zijn familie na de gestelde dreiging vanuit de Houthi’s toch weer naar Jemen zijn teruggekeerd. Dat zij zich daar door de ‘Saoedisering’ toe gedwongen voelden, maakt dat niet anders. Dit brengt namelijk nog geen verandering in het feit dat eiser er voor heeft gekozen om terug te keren naar het land waar hij stelt te vrezen voor zijn leven. Dat doet afbreuk aan de gestelde vrees voor de Houthi’s. Dit brengt de rechtbank tot het oordeel dat verweerder eiser terecht niet heeft gevolgd in zijn gestelde vrees voor de Houthi’s.
Heeft verweerder de problemen die eiser stelt te hebben met de Intekali en Charaiya terecht niet geloofd?
7. Eiser voert aan dat hij in Aden, het gebied van de Intekali en Charaiya, als spion voor de Houthi’s wordt gezien vanwege zijn geboorteplaats Sana’a en zijn accent. Voor zijn vertrek heeft hij geen daadwerkelijke problemen ondervonden maar na zijn vertrek uit Jemen blijkt dat er tegen hem door de Intekali en Charaiya een arrestatiebevel is uitgevaardigd wegens spionage ten gunste van de Houthi’s, gedateerd op 25 oktober 2022. Eiser heeft dit arrestatiebevel overgelegd en ook de bijbehorende brief van de Jemenitische officier van justitie.
De rechtbank is van oordeel dat verweerder eiser terecht niet volgt in zijn gestelde problemen met de Intekali en Charaiya. Eiser heeft het arrestatiebevel met de brief overgelegd en heeft de originelen daarvan in beroep ingebracht. Deze documenten waren ten tijde de behandeling van het beroep op zitting door verweerder nog niet op echtheid onderzocht. Maar daargelaten of de stukken echt zijn, brengen ze de rechtbank niet tot een ander oordeel. Overeind blijft namelijk dat eiser, ondanks het feit dat het bevel enkele dagen voor zijn vertrek zou zijn uitgevaardigd, legaal Jemen heeft kunnen verlaten. Eiser voert aan dat dit mogelijk was omdat zijn oom met medewerkers van de luchthaven heeft gepraat en hen heeft omgekocht. Eiser heeft hier echter niet eerder over verklaard, terwijl hij daar wel de ruimte voor heeft gehad. Ook heeft eiser niet onderbouwd dat corruptie veel voorkomt in Jemen en ertoe kan leiden dat iemand kan uitreizen ondanks een officieel arrestatiebevel. Voorts heeft verweerder er terecht op gewezen dat op het arrestatiebevel alleen als woonplaats is vermeld waar eiser is geboren. Uit dit bevel blijkt niet dat eiser ook in Aden wordt gezocht, dan wel dat de Intekali en Charaiya weten waar hij verblijft. Verder heeft eiser tegenstrijdig verklaard over het moment dat hij wist dat hij door de Intekali en Charaiya als spion wordt gezien. Eiser heeft tijdens het nader gehoor verklaard dat zijn vader dat aan hem heeft verteld toen zij onderweg waren bij hun terugkeer naar Jemen. Dit stemt niet overeen met eisers verklaring dat hij ten tijde van zijn vertrek niet op de hoogte was van het arrestatiebevel en niet wist dat hij als spion werd gezien. Dit alles brengt de rechtbank tot het oordeel dat de beroepsgrond niet slaagt.
Vindt verweerder terecht niet aannemelijk dat eiser dusdanig is gediscrimineerd dat er sprake is van vervolging?
8. Eiser voert aan dat hij in het noorden van Jemen als verrader van de Houthi's wordt beschouwd en in het zuiden juist als spion voor de Houthi's. Dit moet als discriminatie in de zin van het Vluchtelingenverdrag worden opgevat. Bovendien verschilt eisers geloof (soennitisch) van dat van de Houthi's (zaidditisch-sjiitisch) wat hem kwetsbaar maakt voor discriminatie. Eiser wijst op een UNHCR-document, Position on Returns to Yemen, 2023 waaruit blijkt dat soennitische moslims in Houthi-gebieden ernstig gevaar lopen.
De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat de discriminatie die eiser stelt te hebben ondervonden niet dusdanig is dat er sprake is van vervolging als bedoeld in het Vluchtelingenverdrag. Eiser heeft verklaard dat de gestelde discriminatie niet verder ging dan woorden en dat dit niet de reden was waarom hij uit Jemen is vertrokken. Verweerder heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat uit eisers verklaringen niet kan worden afgeleid dat hij belemmeringen heeft ondervonden in zijn bestaansmogelijkheden dan wel dat hem de toegang tot medische zorg is onthouden. Eisers verwijzing naar de landeninformatie brengt de rechtbank niet tot een ander oordeel, omdat daaruit niet blijkt dat eiser persoonlijk in zijn bestaan is beperkt op een wijze die kan worden beschouwd als vervolging. De beroepsgrond slaagt niet.
Is in Jemen sprake van een relatief hoger niveau van willekeurig geweld?
9. De rechtbank stelt vast dat tussen partijen niet in geschil is dat in Jemen sprake is van willekeurig geweld als gevolg van een gewapend conflict. Wel in geschil is de gradatie. Verweerder stelt zich op het standpunt dat de tweede gradatie aan de orde is; een relatief hoger niveau van willekeurig geweld. Eiser betwist dat.
De rechtbank overweegt hierover als volgt. Naar aanleiding van het arrest X en Y en de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 17 juli 2024 over dit arrest, heeft verweerder in zijn beleid verschillende gradaties van willekeurig geweld neergelegd:
1) uitzonderlijk niveau van willekeurig geweld. Dit betreft de uitzonderlijke situatie waarin de mate van willekeurig geweld als gevolg van een internationaal of binnenlands gewapend conflict zodanig is dat wordt aangenomen dat een vreemdeling enkel en alleen al door zijn aanwezigheid op dat grondgebied een reëel risico loopt op een ernstige en individuele bedreiging van zijn leven of persoon;
2) relatief hoger niveau van willekeurig geweld;
3) relatief lager niveau van willekeurig geweld.
De veiligheidssituatie in Jemen heeft de Afdeling eerder beoordeeld in haar uitspraak van 16 juli 2025. In die uitspraak heeft de Afdeling overwogen dat verweerder onvoldoende heeft gemotiveerd waarom in Jemen geen sprake is van de eerste gradatie. Uit deze uitspraak volgt dat verweerder ten onrechte de volgende aspecten niet heeft betrokken:
- verweerder heeft ten onrechte de slachtoffers als gevolg van landmijnen en explosieve oorlogsresten, de recente confrontaties en het verhoogde percentage ontheemden niet kenbaar betrokken;
- verweerder is niet expliciet ingegaan op het gebied van terugkeer;
- verweerder heeft ten onrechte niet de humanitaire omstandigheden betrokken die het directe of indirecte gevolg zijn van het handelen en/of nalaten van een actor van ernstige schade in het kader van willekeurig geweld in het binnenlandse gewapende conflict.
In april 2025 is een nieuw ambtsbericht inzake Jemen uitgebracht. Naar aanleiding van dit ambtsbericht en de uitspraak van de Afdeling van 16 juli 2025 heeft verweerder de Tweede Kamer bij brief van 8 oktober 2025 geïnformeerd dat het landenbeleid inzake Jemen zal worden gewijzigd. Dit is vervolgens gebeurd bij WBV 2025/20.
De rechtbank is van oordeel dat het bestreden besluit niet voldoet aan de uitspraak van de Afdeling van 16 juli 2025; verweerder heeft de drie aspecten zoals weergegeven onder 9.2. niet of onjuist betrokken in zijn beoordeling van de veiligheidssituatie. De rechtbank legt dat hieronder uit.
Allereerst wijst de rechtbank erop dat verweerder in het bestreden besluit niet expliciet is ingegaan op het gebied van terugkeer. Uit het verweerschriften van 3 april 2025 en 21 mei 2026 blijkt dat verweerder Sana’a als uitgangspunt heeft genomen. Daar komt verweerder op terug in zijn verweerschrift van 1 juni 2026; verweerder stelt zich dan op het standpunt dat Aden de plaats is waar eiser naar zou moeten terugkeren. Eiser is het daarmee eens. Dit brengt de rechtbank tot het oordeel dat verweerder in het bestreden besluit ten onrechte niet expliciet is ingegaan op het gebied van terugkeer en verweerder in zijn verweerschriften van 3 april 2025 en 21 mei 2026 ten onrechte de veiligheidssituatie in Sana’a heeft beoordeeld. Dat maakt dat het bestreden besluit al hierom onzorgvuldig tot stand is gekomen, niet deugdelijk is gemotiveerd en moet worden vernietigd. In zijn verweerschrift van 2 juni 2026 heeft verweerder de veiligheidssituatie in Aden beoordeeld. De rechtbank ziet daarin aanleiding om hierna te beoordelen of de rechtsgevolgen van het te vernietigen besluit in stand kunnen worden gelaten.
In het verweerschrift van 2 juni 2026 heeft verweerder zich voor de beoordeling van de mate van willekeurig geweld gebaseerd op het Algemeen ambtsbericht Jemen van april 2025 en op cijfers van ACLED over geweldsincidenten en van CIMP over burgerslachtoffers. Op grond van deze informatie concludeert verweerder dat de veiligheidssituatie in de provincie Aden niet verslechterd is ten opzichte van de situatie tussen september 2023 en maart 2025.
Op zitting heeft verweerder hieraan toegevoegd dat naast het aantal slachtoffers ook andere elementen zijn betrokken in de beoordeling van de veiligheidssituatie, namelijk onder meer welke methodes zijn gebruikt en de humanitaire omstandigheden. Verweerder stelt zich daarbij op het standpunt dat volgens hem uit de uitspraak van de Afdeling van 16 juli 2025 volgt dat de humanitaire omstandigheden slechts een kleine rol spelen in de beoordeling. Slechte humanitaire omstandigheden die een gevolg zijn van een conflict dat 11 jaar geleden is begonnen worden niet ongelimiteerd meegenomen. Verder volgt volgens verweerder uit de uitspraak van de Afdeling dat de humanitaire omstandigheden slechts globaal moeten worden betrokken. En dat is volgens verweerder ook gebeurd. Verweerder stelt dat dit blijkt uit de brief aan de Tweede Kamer van 8 oktober 2025 en de bij deze brief horende Beslisnota bij Kamerbrief over het landenbeleid Jemen van 18 april 2025. In zijn verweerschrift wijst verweerder in dit verband ook op een artikel van OCHA, ‘Yemen, Humatarian Situation in Eastern and Southern Governorates’, update 8 januari 2026. Verweerder stelt zich op het standpunt dat hieruit volgt dat de veiligheidssituatie voldoende is onderzocht en dat de humanitaire omstandigheden daar voldoende bij zijn betrokken. Verweerder vindt steun voor dit standpunt in de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats ’s-Hertogenbosch, van 17 maart 2026.
De rechtbank volgt verweerder hierin niet. Uit het verweerschrift blijkt namelijk dat verweerder in zijn beoordeling van de veiligheidssituatie er nog van uitgaat dat de troepen van de STC in Aden aan de macht zijn. Uit informatie die eiser heeft overgelegd, blijkt echter dat begin januari 2026 Aden definitief veroverd is door Saoedische troepen. Verweerder is dus van verouderde informatie uitgegaan en heeft ten onrechte niet onderzocht wat deze verandering voor gevolgen heeft voor de mate van willekeurig geweld.
Ook wat betreft de wijze waarop verweerder de humanitaire omstandigheden in de beoordeling van de veiligheidssituatie heeft betrokken, volgt de rechtbank verweerder niet. In haar uitspraak van 16 juli 2025 heeft de Afdeling in 4.2 het volgende overwogen:
‘Naar het oordeel van de Afdeling stelt de minister daarom terecht dat humanitaire omstandigheden niet doorslaggevend of bepalend zijn in de globale beoordeling van een uitzonderlijke situatie die valt onder artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn. Maar dat betekent niet dat humanitaire omstandigheden alleen in deze beoordeling relevant kunnen zijn als strijdende partijen in een gewapend conflict bewust catastrofale humanitaire omstandigheden creëren als oorlogsmethodiek. Humanitaire omstandigheden die het directe of het indirecte gevolg zijn van het handelen en/of het nalaten van een actor van ernstige schade die partij is bij een gewapend conflict in de zin van artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn, moeten als relevante omstandigheid in deze globale beoordeling worden betrokken. (…)’
De rechtbank begrijpt deze overweging zo dat de humanitaire omstandigheden in een land op zichzelf geen doorslaggevend of bepalend aspect zijn. Maar in de globale beoordeling van de 15c-situatie spelen meerdere aspecten een rol. Eén van die aspecten bestaat uit de humanitaire omstandigheden. Uit het standpunt dat verweerder op zitting heeft ingenomen volgt echter dat verweerder de humanitaire omstandigheden ten opzichte van de andere aspecten slechts in beperkte mate heeft betrokken bij zijn beoordeling. Verweerder heeft niet gekeken naar de feitelijke humanitaire situatie in Jemen en de oorzaken daarvan. Verweerder vindt dat de humanitaire situatie per definitie nauwelijks invloed kan hebben op de uiteindelijk in aanmerking te nemen gradatie van willekeurig geweld. Dit leidt verweerder af uit de eerste zin van het voornoemde citaat uit de uitspraak van de Afdeling. Naar het oordeel van de rechtbank kent verweerder daarmee aan dit aspect te weinig betekenis toe.
Voorts volgt volgens de rechtbank ook niet uit de rechtspraak van het Hof of de Afdeling dat de humanitaire omstandigheden in een land slechts voor een beperkte periode van betekenis zijn. Door zich op het standpunt te stellen dat de slechte humanitaire omstandigheden een gevolg zijn van een conflict dat elf jaar geleden is begonnen lijkt verweerder dat wel te doen. Relevant is of de bestaande, slechte humanitaire omstandigheden direct of indirect het gevolg zijn van het handelen en/of het nalaten van een actor. Dat die langere tijd geleden zijn veroorzaakt door die actor betekent niet dat de humanitaire omstandigheden niet of nauwelijks moeten worden meegenomen. Indien die humanitaire omstandigheden zich nog steeds voordoen, moeten ze worden meegenomen bij de beoordeling. Dat het vaststellen van de invloed van dat eerdere handelen en/of nalaten van een actor op de huidige humanitaire situatie niet eenvoudig is, kan geen reden zijn om die humanitaire omstandigheden buiten beschouwing te laten.
Verder overweegt de rechtbank dat verweerder in een bijlage van 18 juni 2025 bij de brief aan de Tweede Kamer van 8 oktober 2025 een beschrijving heeft gegeven van de humanitaire situatie in Jemen. Beschreven is dat de humanitaire situatie slecht is, mede vanwege het feit dat Jemen een kwetsbaar land is, maar ook vanwege het feit dat in sommige situaties de humanitaire situatie direct is beïnvloed door de gehanteerde oorlogsmethoden van de strijden partijen. Verweerder heeft echter niet gemotiveerd op welke wijze hij dit heeft betrokken bij de beoordeling van de gradatie van willekeurig geweld.
Dit brengt de rechtbank tot de conclusie dat er geen aanleiding is om de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand te laten. Omdat het beroep al gegrond is om de redenen zoals die in 9.7 en 9.7.1. tot en met 9.7.3. zijn besproken, is er geen aanleiding om de overige gronden van beroep nog te bespreken.
Conclusie en gevolgen
10. Verweerder heeft de aanvraag ten onrechte afgewezen als ongegrond. Het beroep is gegrond omdat het bestreden besluit in strijd is met de artikelen 3:2 en 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Dit betekent dat eiser gelijk krijgt. Het is aan verweerder om een nieuwe beslissing te nemen over de asielaanvraag van eiser. Hij dient hierbij ten eerste de omstandigheden van eiser opnieuw te beoordelen en ten tweede de veiligheidssituatie in Jemen, aan de hand van alle relevante en actuele omstandigheden in dat land.
De rechtbank bepaalt met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb dat verweerder een nieuw besluit moet nemen en daarbij deze uitspraak als uitgangspunt neemt. De rechtbank geeft verweerder daarvoor acht weken.
Omdat het beroep gegrond is krijgt eiser een vergoeding van zijn proceskosten.
Verweerder moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.868,- omdat de gemachtigde van eiser een beroepschrift heeft ingediend en aan de zitting heeft deelgenomen. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit van 10 december 2024;
- draagt verweerder op binnen acht weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op de aanvraag, waarbij rekening wordt gehouden met deze uitspraak;
- veroordeelt verweerder tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan eiser.
Deze uitspraak is gedaan door mr. T.N. van Rijn, voorzitter, en mr. M. Kraefft en
mr. H. Battjes, leden, in aanwezigheid van mr. S.L.L. Rovers, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 4 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.