ECLI:NL:RBDHA:2026:25224

ECLI:NL:RBDHA:2026:25224

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 02-09-2026
Datum publicatie 02-09-2026
Zaaknummer NL26.47854
Rechtsgebied Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Groningen

Samenvatting

59-1-a, gehoor voldoende zorgvuldig, bewaring ultimum remedium, geen aanleiding voor een lichter middel, medische omstandigheden voldoende meegewogen, ongegrond.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam], eiser,

de minister van Asiel en Migratie, de minister,

Samenvatting

Zittingsplaats Groningen

Bestuursrecht

zaaknummer: NL26.47854

V-nummer: [nummer],

(gemachtigde: mr. M. Taheri),

en

(gemachtigde: mr. P.A.L.A. van Ittersum).

1. Deze uitspraak gaat over de maatregel van vreemdelingenbewaring die aan eiser is opgelegd. Deze maatregel is opgelegd op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw. Eiser is het niet eens met die maatregel. Hij voert daartegen een aantal beroepsgronden aan. Onder meer aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de rechtmatigheid van die maatregel en de vraag of aan eiser een schadevergoeding moet worden toegekend.

De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep ongegrond is. Het opleggen van de maatregel van bewaring is niet onrechtmatig. De maatregel van bewaring voldoet aan de voorwaarden. De minister hoefde niet te kiezen voor een lichter middel. Er is dus geen reden voor het toekennen van een schadevergoeding. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit heeft.

Procesverloop

2. Met het bestreden besluit van 19 augustus 2026 heeft de minister aan eiser de maatregel van bewaring opgelegd en de rechtbank daarvan in kennis gesteld.

Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Het beroep wordt ook aangemerkt als een verzoek om schadevergoeding. Voorafgaand aan de zitting heeft de gemachtigde van eiser gronden ingediend.

De rechtbank heeft het beroep op 28 augustus 2026, met behulp van telehoren, op zitting behandeld. Eiser is samen met zijn gemachtigde verschenen op het detentiecentrum in Rotterdam. Er is een tolk op de rechtbank in Groningen verschenen. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. De rechtbank heeft het onderzoek op de zitting gesloten.

Beoordeling door de rechtbank

Toetsingskader

3. De minister kan, als het belang van de openbare orde of de nationale veiligheid dat vordert, de vreemdeling die geen rechtmatig verblijf heeft in bewaring stellen. De minister stelt een vreemdeling slechts in bewaring voor zover geen minder dwingende maatregelen doeltreffend kunnen worden toegepast. De bewaring blijft achterwege of wordt beëindigd indien deze niet langer noodzakelijk is met het oog op het doel van de bewaring. De vreemdeling kan in bewaring worden gesteld omdat het belang van de openbare orde of nationale veiligheid dat vordert, indien a) een onderduikrisico bestaat, of b) de vreemdeling de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert. De maatregel kan alleen worden opgelegd wegens het bestaan van een onderduikrisico, indien ten minste twee van de gronden, genoemd in artikel 5.6, tweede lid, van het Vb zich voordoen.

De aan eiser opgelegde maatregel van bewaring

4. De minister heeft aan eiser de maatregel van bewaring opgelegd. In deze maatregel staat dat de openbare orde de maatregel vordert, omdat het risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken en eiser de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert.

In de maatregel heeft de minister als gronden vermeld dat eiser:

a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen of een poging daartoe heeft gedaan, waarbij de vreemdeling zich gedurende enige tijd aan het toezicht heeft onttrokken of zich zonder toestemming tussen de lidstaten van de Europese Unie beweegt;

b. eerder een besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht de Europese Unie dan wel Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;

c. niet dan wel niet voldoende meewerkt aan het vaststellen van zijn identiteit en nationaliteit; o. niet langer beschikbaar is door te verzuimen melding te doen van afwezigheid in een bepaald opvangcentrum of aangewezen gebied van verblijf;

p. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 heeft gehouden;

q. meerdere aanvragen tot het verlenen van een verblijfsvergunning heeft ingediend die niet tot verlening van een verblijfsvergunning hebben geleid;

r. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;

s. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan;

u. arbeid heeft verricht in strijd met de Wet arbeid vreemdelingen.

Gehoor voorafgaand aan inbewaringstelling onvoldoende zorgvuldig

5. Eiser stelt dat het gehoor voorafgaand aan de inbewaringstelling onzorgvuldig is geweest, omdat het eiser onvoldoende duidelijk was welke feiten en omstandigheden hij naar voren kon brengen ten aanzien van zijn persoonlijke belangen en de zienswijze. Eiser stelt dat hij de gehele strekking van deze vraag niet heeft begrepen.

6. De rechtbank is van oordeel dat er aan eiser voldoende vragen zijn gesteld over het eventueel opleggen van een lichter middel. Zo blijkt uit het gehoor dat aan eiser is uitgelegd wat het doel van het gesprek was, waarom de maatregel werd omgezet en of eiser in detentie gehouden zal worden. Aan eiser is ook uitgelegd dat dit een belangrijke beslissing is en dat de zienswijze van eiser, met betrekking tot zijn persoonlijke individuele omstandigheden, wordt meegewogen. Vervolgens is aan eiser gevraag of deze aan hem verstrekte informatie duidelijk is en of eiser hier eventueel nog iets over wil zeggen. Hierop heeft eiser geantwoord: “Ja, het is duidelijk.”. Vervolgens is aan eiser verteld dat hij op 31 juli 2026 een verklaring heeft afgegeven en de vraag gesteld of hij bij deze verklaring blijft, of dat er nieuwe omstandigheden zijn, die anders zijn dan hetgeen eiser destijds heeft verklaard. Eiser heeft hierop geantwoord: “Nee, er is niets veranderd. Wat ik op 31 juli 2026 heb verklaard is hetzelfde gebleven.”.Vervolgens is aan eiser gevraagd of hij een reden kan geven waarom hij niet in vreemdelingenbewaring zou moeten worden gesteld en of aan hem een lichter middel opgelegd zou moeten worden. Eiser heeft hierop geantwoord: ”Ja, ik werk mee aan terugkeer, mits ik behandeld word aan cysten.”.Hierna is aan eiser uitgelegd dat eiser in bewaring zal blijven, op welke gronden dit is gebaseerd en wat hij vindt van de aan hem opgelegde gronden, of deze duidelijk zijn en of hij hierop nog iets wil zeggen. Eiser heeft hierop geantwoord: “Ik weet het. Enige wat ik wil, is dat ik beter word.”. Vervolgens is aan eiser gevraagd: ”is de aan u verstrekte informatie met betrekking tot de maatregel van bewaring duidelijk en wilt u hier eventueel nog iets aan toevoegen voordat ik dit gesprek beëindig?”. Eiser heeft hierop geantwoord: “Ja, het is duidelijk.”. Eiser wordt dan ook niet gevolgd in zijn stelling dat er onvoldoende zorgvuldig is gehandeld tijdens het gehoor voorafgaand aan de inbewaringstelling en dat hij de strekking van de vragen niet heeft begrepen. Daarbij heeft de minister op de zitting terecht opgemerkt dat het voor eiser niet de eerste keer is geweest dat hij in bewaring is gesteld en hierdoor al op de hoogte was van hetgeen hij kon aandragen tijdens het gehoor. Daarnaast heeft eiser voorafgaand aan zijn gehoor met de aan hem toegewezen piketadvocaat gesproken. Deze beroepsgrond slaagt niet.

Grondslag

7. De rechtbank stelt vast dat eiser geen rechtmatig verblijf heeft. De minister heeft op 13 augustus 2026 de asielaanvraag van eiser als kennelijk ongegrond afgedaan. In dat besluit is verwezen naar het eerder opgelegde terugkeerbesluit met als terugkeerland Algerije en het inreisverbod van 19 november 2025. Eiser valt daarom onder de in artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw genoemde categorie vreemdelingen. De maatregel is op de juiste grondslag opgelegd.

Gronden

8. De rechtbank stelt vast dat eiser alleen de gronden a, b, c, p en r betwist. De rechtbank is van oordeel dat de overige aan de maatregel ten grondslag gelegde gronden al voldoende zijn om de maatregel te kunnen dragen. De rechtbank ziet ook ambtshalve toetsend geen aanleiding voor het oordeel dat deze gronden ten onrechte aan eiser zijn tegengeworpen. Nu deze gronden de maatregel van bewaring kunnen dragen, is hiermee het risico op onttrekking gegeven. De rechtbank laat de door eiser betwiste gronden daarom verder onbesproken.

Lichter middel

9. Eiser is van mening dat een inbewaringstelling een ultimum remedium is en dat hij juist daarom een kans had moeten krijgen om te werken aan vrijwillige terugkeer. Ook stelt eiser dat hij nooit een gesprek heeft gehad over de consequenties bij het niet vrijwillig terugkeren.

10. De rechtbank is met de minister van oordeel dat er geen aanleiding is voor het toepassen van een lichter middel. Eiser is meermaals met onbekende bestemming vertrokken en heeft geen medewerking verleend aan zijn vertrek via het IOM. De minister is er dan ook terecht vanuit gegaan dat eiser niet uit eigen beweging gevolg zal geven aan de op hem rustende vertrekverplichting die al sinds 19 november 2025 bestaat. Daar komt bij dat hiervoor is geoordeeld dat de gronden de maatregel kunnen dragen en het risico op onderduiking is daarmee gegeven. Deze beroepsgrond slaagt niet.

10. De rechtbank is verder van oordeel dat de minister de medische omstandigheden van eiser, dat hij last van een cyste zou hebben, voldoende heeft betrokken bij de oplegging van de maatregel. De minister heeft eiser gewezen op de beschikbare medische faciliteiten en voorzieningen binnen het detentie- en uitzetcentrum. In dit verband heeft de minister terecht gesteld dat de medische zorgverlening binnen deze centra gelijkwaardig is aan de gezondheidszorg in de vrije maatschappij.

12. Verder is de rechtbank niet gebleken van persoonlijke belangen van eiser die de bewaring voor hem onevenredig bezwarend maken en waarin de minister aanleiding had moeten zien eiser een lichter middel dan bewaring op te leggen.

Voortvarend handelen

13. De rechtbank is van oordeel dat de minister voldoende voortvarend werkt aan de uitzetting van eiser. Op 24 augustus 2026, vijf dagen na het opleggen van de maatregel, heeft er namelijk een vertrekgesprek met eiser plaatsgevonden.

Zicht op uitzetting

14. Eiser stelt dat er onvoldoende zicht is op uitzetting en dat de minister zich niet actief heeft ingespannen voor een lp-aanvraag.

De rechtbank is van oordeel dat in zijn algemeenheid zicht op uitzetting naar Algerije niet ontbreekt. Daarnaast blijkt uit het dossier van eiser dat er al op 24 maar 2026 een lp-aanvraag is gedaan. Ook blijkt uit het vertrekgesprek van 24 augustus 2026 dat aan eiser is medegedeeld dat zijn nationaliteit is bevestigd, dat hij daarna gepresenteerd zal worden bij de ambassade, voordat er overgegaan kan worden tot afgifte van een lp. Niet is gebleken dat de Algerijnse autoriteiten hebben aangegeven geen laissez-passer voor eiser te zullen verstrekken. Er bestaat zicht op uitzetting en eveneens wordt er voldaan aan actieve inspanningen voor de voorgenomen uitzetting. Deze beroepsgrond slaagt niet.

Conclusie en gevolgen

15. De rechtbank ziet ook ambtshalve geen aanleiding voor het oordeel dat de maatregel onrechtmatig is.

16. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep ongegrond;

- wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. V.A.G. van Dijk, rechter, in aanwezigheid van

E.S. Tiggelaar, griffier en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.

De uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.

Zittende Magistratuur

Rechter

  • mr. V.A.G. van Dijk

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand