RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de meervoudige kamer in de zaak tussen
[eiseres] , V-nummer: [#] , eiseres
de minister van Asiel en Migratie, verweerder
Samenvatting
Zittingsplaats Haarlem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL24.39841
(gemachtigde: mr. V.M. Oliana),
en
(gemachtigde: mr. Ch.R. Vink).
1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de asielaanvraag van eiseres. Zij komt uit Jemen. Volgens verweerder heeft zij geen recht op asiel. Zij is het hier niet mee eens. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de asielaanvraag.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de afwijzing van de asielaanvraag niet in stand kan blijven. Verweerder gelooft weliswaar terecht niet dat eiseres is bedreigd door haar broer. Verweerder heeft echter onvoldoende onderzocht of eiseres als alleenstaande, verwesterde vrouw en moeder bij terugkeer geen risico loopt. Ook heeft verweerder de veiligheidssituatie in Jemen, in het bijzonder in Aden, onvoldoende onderzocht. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. Eiseres heeft op 31 december 2022 een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Verweerder heeft met het bestreden besluit van 13 september 2024 deze aanvraag afgewezen als ongegrond.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend. Eiseres heeft daarop aanvullende gronden van beroep ingediend en verweerder heeft daarop gereageerd met aanvullende verweerschriften.
De rechtbank heeft het beroep op 4 juni 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben eiseres, de gemachtigde van eiseres, [naam 1] als tolk en de gemachtigde van verweerder deelgenomen.
Beoordeling door de rechtbank
Wat heeft eiseres aan haar asielaanvraag ten grondslag gelegd?
3. Eiseres heeft de Jemenitische nationaliteit en is op [geboortedatum] geboren in Saoedi-Arabië. Op zeventienjarige leeftijd is zij vanwege haar studie naar Jemen gegaan en heeft zij van 1993 of 1994 tot 2001 in Aden gewoond. In 2000 is zij gehuwd en in 2001 is zij teruggekeerd naar Saoedi-Arabië. In 2007 heeft eiseres opnieuw voor een periode van ongeveer twee jaar bij haar vader in Aden verbleven; daarna is zij weer teruggegaan naar Saoedi-Arabië. In 2019 is zij voor twee weken terug in Jemen geweest vanwege de begrafenis van haar vader. Daarna is zij teruggekeerd naar Saoedi-Arabië. Vanwege de hoge leges kon zij haar verblijfsvergunning in Saoedi-Arabië niet meer verlengen en was het voor haar niet meer mogelijk om daar te blijven. Eiseres kan echter ook niet terug naar Jemen vanwege de omstandigheden daar. Zij komt uit een conservatieve familie. Haar broers zijn het niet eens met haar levenswijze. Eiseres vreest met name voor problemen van de kant van haar jongste broer [naam 2] . Hij heeft haar met de dood bedreigd. Eerder heeft hij een halfbroer van eiseres met een mes gestoken en de halfzus van eiseres in Nederland bedreigd.
Wat betrekt de rechtbank nog meer in haar beoordeling?
4. Eiseres is tweemaal gescheiden van een eerdere echtgenoot. Op 10 november 2022 is zij voor de derde keer gehuwd, met de heer [naam 3] . Hij heeft de Jemenitische nationaliteit en verblijft in Dubai. Eiseres stelt ook met deze echtgenoot op dit moment in scheiding te liggen. Eiseres heeft drie dochters. Eén van de dochters, [naam 4] , is met eiseres meegereisd naar Nederland. De asielaanvraag van eiseres geldt ook voor [naam 4] . Verder heeft eiseres in Nederland een halfzus wonen: [naam 5] . De broers van eiseres, haar zus en haar andere dochters wonen in Jemen. De twee dochters wonen bij de familie van een ex-echtgenoot en heeft ze al jaren niet gezien.
Op zitting heeft eiseres haar beroepsgrond dat verweerder niet heeft gemotiveerd waarom er met betrekking tot de geloofwaardigheidsbeoordeling een gewijzigd toetsingskader is gehanteerd, laten vallen.
Wat is het standpunt van verweerder?
5. Verweerder heeft de volgende asielmotieven uit het asielrelaas van eiseres gehaald:
1. de identiteit, nationaliteit en herkomst;
2. de problemen met de mannelijke familieleden, in het bijzonder met jongere broer [naam 2] .
Het eerste asielmotief gelooft verweerder, het tweede niet. Eiseres heeft dit asielmotief niet onderbouwd met documenten. Ook op grond van de verklaringen van eiseres heeft verweerder het asielmotief niet geloofwaardig bevonden. De verklaringen van eiseres voldoen namelijk niet aan artikel 31, zesde lid, aanhef en onder c, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw), aldus verweerder.
Verder heeft eiseres niet aannemelijk gemaakt dat zij te vrezen heeft voor gendergerelateerd geweld. Verweerder verwacht van eiseres dat zij zich houdt aan de geldende kledingvoorschriften. Ook heeft zij volgens verweerder niet aannemelijk gemaakt dat zij bij terugkeer in Jemen het risico loopt op ernstige schade. Zij heeft niet aannemelijk gemaakt op basis van individuele omstandigheden dat specifiek zij het risico loopt om slachtoffer te worden. Verweerder heeft de asielaanvraag daarom afgewezen.
Wat is het toetsingskader?
6. In de arresten Quotal en Ebilum heeft het Hof van Justitie van de Europese Unie (het Hof) overwogen dat de terughoudende toets, zoals de Nederlandse rechter die in asielzaken verrichtte, niet verenigbaar is met het Europese recht. In lijn met deze rechtspraak toetst de rechtbank het besluit daarom nu vol.
Gelooft verweerder terecht niet dat eiseres is bedreigd door haar broer [naam 2] ?
7. Eiseres heeft aangevoerd dat haar jongere broer [naam 2] in januari 2023 op weg naar Nederland is geweest om haar te vermoorden omdat zij in Nederland onbedekt door het leven gaat. De rechtbank is van oordeel dat verweerder dit terecht niet heeft geloofd. De echtgenote van [naam 2] zou dit aan de oudste zus van eiseres hebben verteld en zij zou dit weer aan hun halfzus in Nederland hebben doorgegeven. Eiseres heeft niet persoonlijk met [naam 2] gesproken en ook heeft zij dit niet zelf van haar oudste zus vernomen. Zij heeft dus alleen via anderen gehoord dat [naam 2] onderweg is naar haar om haar te vermoorden. Ook is geen sprake van objectieve bronnen. Dit is daarom niet voldoende om de vrees aannemelijk te achten. Dat eiseres in Nederland bij de politie heeft gemeld dat zij dreiging ervaart van haar broer die mogelijk naar Nederland onderweg is, geeft de rechtbank geen reden voor een ander oordeel. Dit brengt namelijk nog geen verandering in het feit dat eiseres persoonlijk geen bedreigingen van [naam 2] heeft ontvangen. Daarbij heeft zich sinds januari 2023 niets meer voorgedaan waaruit een concrete dreiging van [naam 2] kan worden afgeleid. Datzelfde geldt voor het door eiseres aangevoerde punt dat er in Nederland veel landgenoten van [naam 2] zijn uit dezelfde regio en dat haar halfzus een open profiel heeft op snapchat waarop men kan zien dat eiseres in Nederland onbedekt rondloopt. Eiseres heeft geen enkele concrete aanwijzing gegeven dat [naam 2] hiervan op de hoogte is en dat hij haar daarom heeft bedreigd.
Ook de door eiseres gestelde vrees voor gendergerelateerd geweld in de vorm van eerwraak heeft verweerder terecht niet geloofd. Weliswaar is tussen partijen niet in geschil dat de broers in 2011 bedreigingen hebben geuit toen eiseres van haar eerste echtgenoot ging scheiden, maar eiseres heeft ook verklaard dat haar broers weer waren gerustgesteld toen zij hertrouwde. Ook heeft zij niet aannemelijk gemaakt dat haar broers dit nu niet meer zijn. Eiseres heeft verder aangevoerd dat zij inmiddels in scheiding ligt met haar derde echtgenoot, maar ook dat brengt de rechtbank niet tot een ander oordeel. Dit heeft zij namelijk evenmin aannemelijk gemaakt. De aangifte die eiseres heeft gedaan tegen haar ex-vriend in Nederland is daarvoor een onvoldoende onderbouwing. Het feit dat zij een relatie in Nederland heeft gehad, betekent immers nog niet dat het huwelijk tussen haar en haar derde echtgenoot is verbroken of zal worden verbroken. De beroepsgrond slaagt niet.
Heeft verweerder zich terecht op het standpunt gesteld dat eiseres geen gegronde vrees heeft voor vervolging of ernstige schade als alleenstaande, verwesterde vrouw en moeder?
8. Eiseres voert aan dat zij als alleenstaande vrouw en moeder bij terugkeer gevaar loopt. Onder verwijzing naar landeninformatie wijst eiseres erop dat vrouwen in het Houthi-gebied, waar eiseres oorspronkelijk vandaan komt, extreem worden beperkt onder meer door de mahram-regels en dat vrouwen bijzonder kwetsbaar zijn. Ook loopt eiseres gevaar omdat zij terugkeert vanuit het westen en geen hoofddoek draagt.
De rechtbank overweegt dat in het bestreden besluit verweerder erop heeft gewezen dat alleenstaande vrouwen als risicoprofiel zijn aangemerkt. Maar dit leidt niet direct tot vluchtelingschap of subsidiaire bescherming. Aan de hand van de individuele situatie en de persoonlijke omstandigheden beoordeelt verweerder of eiseres een reëel risico loopt op vervolging of ernstige schade.
In het bestreden besluit heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat van de echtgenoot van eiseres verwacht mag worden dat hij zich om eiseres bekommert en haar naar Jemen zal vergezellen zodat zij veilig kan terugkeren. En ook wijst verweerder erop dat eiseres meerdere familieleden in Jemen heeft waaronder haar oudste zus in Sana’a. Naar het oordeel van de rechtbank volstaat dit standpunt van verweerder niet. Weliswaar heeft eiseres niet aannemelijk gemaakt dat zij in scheiding ligt met haar derde echtgenoot, maar verweerder heeft niet betwist dat deze echtgenoot in Dubai woont en dat hij, zoals eiseres heeft verklaard, haar niet naar Jemen zal vergezellen. Dat verweerder kennelijk vindt dat dit toch van de echtgenoot verwacht mag worden, maakt dat niet anders. Dat de echtgenoot, zoals verweerder heeft gesteld, twee keer naar Nederland is gekomen voor eiseres, doet dat evenmin.
Verweerders standpunt dat de oudste zus van eiseres in Sana’a verblijft, brengt de rechtbank ook niet tot een ander oordeel. Dit doet immers geen afbreuk aan de stelling van eiseres dat zij zich als alleenstaande vrouw niet in Jemen kan handhaven. De rechtbank betrekt hierbij dat eiseres nauwelijks in Jemen heeft gewoond en geen netwerk heeft opgebouwd. Dat zij hoogopgeleid is en eerder zelfredzaam is geweest, maakt dit niet anders. De rechtbank is van oordeel dat verweerder het ontbreken van een netwerk en de relatieve onbekendheid met Jemen, in combinatie met de omstandigheden dat eiseres een alleenstaande moeder is van meerdere kinderen uit verschillende huwelijken, dat zij terugkeert uit het westen en geen hoofddoek draagt, en dat de broers van eiseres in het verleden bedreigingen naar haar hebben geuit vanwege haar leefstijl, ten onrechte niet in zijn onderzoek naar het gestelde risico op vervolging dan wel ernstige schade heeft betrokken. Verweerders standpunt dat van eiseres verwacht mag worden dat zij zich bij terugkeer conformeert aan de waarden en gebruiken in Jemen, omdat zij heeft verklaard dat zij zichzelf als praktiserend moslim beschouwd, vindt de rechtbank gelet op wat hiervoor is overwogen, niet voldoende. De beroepsgrond slaagt.
Is in Jemen sprake van een relatief hoger niveau van willekeurig geweld?
9. De rechtbank stelt vast dat tussen partijen niet in geschil is dat in Jemen sprake is van willekeurig geweld als gevolg van een gewapend conflict. Wel in geschil is de gradatie. Verweerder stelt zich op het standpunt dat de tweede gradatie aan de orde is; een relatief hoger niveau van willekeurig geweld. Eiseres betwist dat.
De rechtbank overweegt hierover als volgt. Naar aanleiding van het arrest X en Y en de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 17 juli 2024 over dit arrest, heeft verweerder in zijn beleid verschillende gradaties van willekeurig geweld neergelegd:
1) uitzonderlijk niveau van willekeurig geweld. Dit betreft de uitzonderlijke situatie waarin de mate van willekeurig geweld als gevolg van een internationaal of binnenlands gewapend conflict zodanig is dat wordt aangenomen dat een vreemdeling enkel en alleen al door zijn aanwezigheid op dat grondgebied een reëel risico loopt op een ernstige en individuele bedreiging van zijn leven of persoon;
2) relatief hoger niveau van willekeurig geweld;
3) relatief lager niveau van willekeurig geweld.
De veiligheidssituatie in Jemen heeft de Afdeling eerder beoordeeld in haar uitspraak van 16 juli 2025. In die uitspraak heeft de Afdeling overwogen dat verweerder onvoldoende heeft gemotiveerd waarom in Jemen geen sprake is van de eerste gradatie. Uit deze uitspraak volgt dat verweerder ten onrechte de volgende aspecten niet heeft betrokken:
- verweerder heeft ten onrechte de slachtoffers als gevolg van landmijnen en explosieve oorlogsresten, de recente confrontaties en het verhoogde percentage ontheemden niet kenbaar betrokken;
- verweerder is niet expliciet ingegaan op het gebied van terugkeer;
- verweerder heeft ten onrechte niet de humanitaire omstandigheden betrokken die het directe of indirecte gevolg zijn van het handelen en/of nalaten van een actor van ernstige schade in het kader van willekeurig geweld in het binnenlandse gewapende conflict.
In april 2025 is een nieuw ambtsbericht over Jemen uitgebracht. Naar aanleiding van dit ambtsbericht en de uitspraak van de Afdeling van 16 juli 2025 heeft verweerder de Tweede Kamer bij brief van 8 oktober 2025 geïnformeerd dat het landenbeleid inzake Jemen zal worden gewijzigd. Dit is vervolgens gebeurd bij WBV 2025/20.
De rechtbank is van oordeel dat het bestreden besluit niet voldoet aan de uitspraak van de Afdeling van 16 juli 2025; verweerder heeft de drie aspecten zoals weergegeven onder 9.2. niet of onjuist betrokken in zijn beoordeling van de veiligheidssituatie. De rechtbank legt dat hieronder uit.
Allereerst wijst de rechtbank erop dat verweerder in het bestreden besluit ervan uit is gegaan dat eiseres terug moet keren naar Shabwa en hij de veiligheidssituatie daar in het bijzonder heeft beoordeeld. Ook in de verweerschriften van 3 november 2025 en 28 mei 2026 heeft verweerder Shabwa als uitgangspunt genomen. Daar komt verweerder op terug in zijn verweerschrift van 2 juni 2026; verweerder stelt zich dan op het standpunt dat Shabwa ten onrechte als terugkeergebied is aangemerkt en dat Aden de plaats is waar eiseres naar toe zou moeten terugkeren. Eiseres is het daarmee eens. Dit brengt de rechtbank tot het oordeel dat verweerder in het bestreden besluit ten onrechte de veiligheidssituatie in Shabwa heeft beoordeeld. Dat maakt dat het bestreden besluit al hierom onzorgvuldig tot stand is gekomen, niet deugdelijk is gemotiveerd en moet worden vernietigd. In zijn verweerschrift van 2 juni 2026 heeft verweerder de veiligheidssituatie in Aden beoordeeld. De rechtbank ziet daarin aanleiding om hierna te beoordelen of de rechtsgevolgen van het te vernietigen besluit in stand kunnen worden gelaten.
In het verweerschrift van 2 juni 2026 heeft verweerder zich voor de beoordeling van de mate van willekeurig geweld gebaseerd op het Algemeen ambtsbericht Jemen van april 2025 en op cijfers van ACLED over geweldsincidenten en van CIMP over burgerslachtoffers. Op grond van deze informatie concludeert verweerder dat de veiligheidssituatie in de provincie Aden niet verslechterd is ten opzichte van de situatie tussen september 2023 en maart 2025.
Op zitting heeft verweerder hieraan toegevoegd dat naast het aantal slachtoffers ook andere elementen zijn betrokken in de beoordeling naar de veiligheidssituatie, namelijk onder meer welke methodes zijn gebruikt en de humanitaire omstandigheden. Verweerder stelt zich daarbij op het standpunt dat volgens hem uit de uitspraak van de Afdeling van 16 juli 2025 volgt dat de humanitaire omstandigheden slechts een kleine rol spelen in de beoordeling. Slechte humanitaire omstandigheden die een gevolg zijn van een conflict dat 11 jaar geleden is begonnen worden niet ongelimiteerd meegenomen. Verder volgt volgens verweerder uit de uitspraak van de Afdeling dat de humanitaire omstandigheden slechts globaal moeten worden betrokken. En dat is volgens verweerder ook gebeurd. Verweerder stelt dat dit blijkt uit de brief aan de Tweede Kamer van 8 oktober 2025 en de bij deze brief horende Beslisnota bij Kamerbrief over het landenbeleid Jemen van 18 april 2025. In zijn verweerschrift wijst verweerder in dit verband ook op een artikel van OCHA, ‘Yemen, Humatarian Situation in Eastern and Southern Governorates’, update 8 januari 2026. Verweerder stelt zich op het standpunt dat hieruit volgt dat de veiligheidssituatie voldoende is onderzocht en dat de humanitaire omstandigheden daar voldoende bij zijn betrokken. Verweerder vindt steun voor dit standpunt in de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats ’s-Hertogenbosch, van 17 maart 2026.
De rechtbank volgt verweerder hierin niet. Uit het verweerschrift blijkt namelijk dat verweerder in zijn beoordeling van de veiligheidssituatie er nog van uitgaat dat de troepen van de STC in Aden aan de macht zijn. Uit informatie die eiseres heeft overgelegd, blijkt echter dat begin januari 2026 Aden definitief veroverd is door Saoedische troepen. Verweerder is dus van verouderde informatie uitgegaan en heeft ten onrechte niet onderzocht wat deze verandering voor gevolgen heeft voor de mate van willekeurig geweld.
Ook wat betreft de wijze waarop verweerder de humanitaire omstandigheden in de beoordeling van de veiligheidssituatie heeft betrokken, volgt de rechtbank verweerder niet. In haar uitspraak van 16 juli 2025 heeft de Afdeling in 4.2 het volgende overwogen:
‘Naar het oordeel van de Afdeling stelt de minister daarom terecht dat humanitaire omstandigheden niet doorslaggevend of bepalend zijn in de globale beoordeling van een uitzonderlijke situatie die valt onder artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn. Maar dat betekent niet dat humanitaire omstandigheden alleen in deze beoordeling relevant kunnen zijn als strijdende partijen in een gewapend conflict bewust catastrofale humanitaire omstandigheden creëren als oorlogsmethodiek. Humanitaire omstandigheden die het directe of het indirecte gevolg zijn van het handelen en/of het nalaten van een actor van ernstige schade die partij is bij een gewapend conflict in de zin van artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn, moeten als relevante omstandigheid in deze globale beoordeling worden betrokken. (…)’
De rechtbank begrijpt deze overweging zo dat de humanitaire omstandigheden in een land op zichzelf geen doorslaggevend of bepalend aspect zijn. Maar in de globale beoordeling van de 15c-situatie spelen meerdere aspecten een rol. Eén van die aspecten bestaat uit de humanitaire omstandigheden. Uit het standpunt dat verweerder op zitting heeft ingenomen volgt echter dat verweerder de humanitaire omstandigheden ten opzichte van de andere aspecten slechts in beperkte mate heeft betrokken bij zijn beoordeling. Verweerder heeft niet gekeken naar de feitelijke humanitaire situatie in Jemen en de oorzaken daarvan. Verweerder vindt dat de humanitaire situatie per definitie nauwelijks invloed kan hebben op de uiteindelijk in aanmerking te nemen gradatie van willekeurig geweld. Dit leidt verweerder af uit de eerste zin van het voornoemde citaat uit de uitspraak van de Afdeling. Naar het oordeel van de rechtbank kent verweerder daarmee aan dit aspect te weinig betekenis toe.
Voorts volgt volgens de rechtbank ook niet uit de rechtspraak van het Hof of de Afdeling dat de humanitaire omstandigheden in een land slechts voor een beperkte periode van betekenis zijn. Door zich op het standpunt te stellen dat de slechte humanitaire omstandigheden een gevolg zijn van een conflict dat 11 jaar geleden is begonnen lijkt verweerder dat wel te doen. Relevant is of de bestaande, slechte humanitaire omstandigheden direct of indirect het gevolg zijn van het handelen en/of het nalaten van een actor. Dat die langere tijd geleden zijn veroorzaakt door die actor betekent niet dat de humanitaire omstandigheden niet of nauwelijks moeten worden meegenomen. Indien die humanitaire omstandigheden zich nog steeds voordoen, moeten ze worden meegenomen bij de beoordeling. Dat het vaststellen van de invloed van dat eerdere handelen en/of nalaten van een actor op de huidige humanitaire situatie niet eenvoudig is, kan geen reden zijn om die humanitaire omstandigheden buiten beschouwing te laten.
Verder overweegt de rechtbank dat verweerder in een bijlage van 18 juni 2025 bij de brief aan de Tweede Kamer van 8 oktober 2025 een beschrijving heeft gegeven van de humanitaire situatie in Jemen. Beschreven is dat de humanitaire situatie slecht is, mede vanwege het feit dat Jemen een kwetsbaar land is, maar ook vanwege het feit dat in sommige situaties de humanitaire situatie direct is beïnvloed door de gehanteerde oorlogsmethoden van de strijden partijen. Verweerder heeft echter niet gemotiveerd op welke wijze hij dit heeft betrokken bij de beoordeling van de gradatie van willekeurig geweld.
Dit brengt de rechtbank tot de conclusie dat er geen aanleiding is om de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand te laten. Omdat het beroep al gegrond is om de redenen zoals die in 8.1. tot en met 8.3., 9.7. en 9.7.1. tot en met 9.7.3. zijn besproken, is er geen aanleiding om de overige gronden van beroep nog te bespreken.
Conclusie en gevolgen
10. Verweerder heeft de aanvraag ten onrechte afgewezen als ongegrond. Het beroep is gegrond omdat het bestreden besluit in strijd is met de artikelen 3:2 en 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Dit betekent dat eiseres gelijk krijgt. Het is aan verweerder om een nieuwe beslissing te nemen over de asielaanvraag van eiseres. Hij dient hierbij ten eerste de omstandigheden van eiseres opnieuw te beoordelen en ten tweede de veiligheidssituatie in Jemen, aan de hand van alle relevante en actuele omstandigheden in dat land.
De rechtbank bepaalt met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb dat verweerder een nieuw besluit moet nemen en daarbij deze uitspraak als uitgangspunt neemt. De rechtbank geeft verweerder daarvoor acht weken.
Omdat het beroep gegrond is krijgt eiseres een vergoeding van haar proceskosten.
Verweerder moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.868,- omdat de gemachtigde van eiseres een beroepschrift heeft ingediend en aan de zitting heeft deelgenomen. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit van 13 september 2024;
- draagt verweerder op binnen acht weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op de aanvraag, waarbij rekening wordt gehouden met deze uitspraak;
- veroordeelt verweerder tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan eiseres.
Deze uitspraak is gedaan door mr. T.N. van Rijn, voorzitter, en mr. M. Kraefft en mr. H. Battjes, leden, in aanwezigheid van mr.S.L.L. Rovers, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 4 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.