[eiser], uit [woonplaats], eiser
en
het college van burgemeester en wethouders van Den Haag, verweerder
(gemachtigde: mr. W.P. van Lith).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het besluit van verweerder om een tweetal bewonersparkeervergunningen te verlenen tegen het tarief voor een tweede en derde parkeervergunning.
Met het bestreden besluit van 24 oktober 2024 op het bezwaar van eiser is verweerder bij dat besluit gebleven.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Verweerder heeft op dat beroep gereageerd met een verweerschrift.
De rechtbank heeft het beroep op 14 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben eiser en de gemachtigde van verweerder deelgenomen.
Beoordeling door de rechtbank
Waar gaat deze zaak over?
2. Eiser en zijn vrouw wonen aan [adres], gelegen in de [wijk] te Den Haag. Beiden hebben een bewonersparkeervergunning aangevraagd om in deze wijk aan de openbare weg te kunnen parkeren. Verweerder heeft deze aanvragen met de besluiten van 28 april 2024 en 2 mei 2024 toegewezen. Verweerder heeft daarbij vastgesteld dat het adres van eiser beschikt over een parkeerplaats op eigen terrein (POET) in de vorm van een oprit. Hoewel dat niet leidt tot afwijzing van de aanvragen, stelt verweerder dat eiser conform het beleid voor de twee bewonersvergunningen het tarief voor een tweede en derde vergunning moet betalen.
Wat vindt eiser in beroep?
3. Eiser stelt zich op het standpunt dat er feitelijk geen sprake is van een POET, aangezien de vermeende oprit is afgesloten middels een permanent hek en een geïntegreerd onderdeel uitmaakt van zijn tuin. Om gebruik te kunnen maken van de POET zou eiser zijn tuin opnieuw moeten inrichten, hetgeen aanzienlijke kosten met zich zou meebrengen en het groene karakter van de wijk zou aantasten. Daarnaast stelt eiser dat er in de [wijk] voldoende parkeergelegenheid is, waardoor de POET-regeling niet nodig is. Verder voert eiser aan dat het hanteren van de hogere tarieven voor een tweede en derde vergunning (in plaats van het tarief voor een eerste en tweede vergunning) leidt tot een extra financiële last.
Wat zijn de regels?
4. Gemeenten kunnen een parkeerbelasting heffen voor parkeervergunningen op de in die vergunning aangegeven plaats en wijze. Dat tarief mag afhankelijk worden gemaakt van de ligging van de terreinen of weggedeelten. Verweerder heeft het parkeerbeleid voor Den Haag vastgelegd in onder meer de Verordening parkeerregulering en parkeerbelasting Den Haag 2022 (Parkeerverordening 2022) en de Regeling parkeerregulering en parkeerbelasting Den Haag 2022 (Parkeerregeling 2022). Als een bewoner beschikt of kan beschikken over een POET, kan die bewoner voor een eerste voertuig in beginsel geen parkeervergunning voor parkeren op de openbare weg aanvragen. Onder een POET wordt verstaan een parkeergelegenheid die is bestemd voor een of meer personenauto’s, die aansluit op de weg, behoort bij of is toegewezen aan een gebouw of gebouwencomplex en, als het om een solitaire, inpandige parkeergelegenheid gaat (zoals een oprit, garage of carport), ten minste 2,35 meter breed en 5 meter diep is en een doorgang heeft van ten minste 2 meter breed. Voor de [wijk] geldt dat aan een bewoner met een POET voor een eerste (en tweede) voertuig wel een parkeervergunning kan worden verleend. In die situatie betaalt de bewoner het tweede (en derde) vergunningstarief ongeacht of gebruik wordt gemaakt van de parkeerplaats op eigen terrein.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
5. De rechtbank beoordeelt de vergunningverlening door verweerder. Zij doet dat aan de hand van de argumenten van eiser, de beroepsgronden.
6. De rechtbank komt tot het oordeel dat het beroep ongegrond is. Verweerder heeft op goede gronden de twee bewonersvergunningen verleend. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Is het POET-beleid onredelijk?
7. Eiser stelt dat het POET-beleid niet noodzakelijk is in de [wijk] omdat er voldoende parkeergelegenheid zou zijn. Deze stelling leidt niet tot de conclusie dat het POET-beleid kennelijk onredelijk is. De rechtbank is van oordeel dat verweerder voldoende heeft onderbouwd dat het parkeerbeleid is ingegeven door een dringende schaarste aan parkeerruimte in Den Haag. Verweerder heeft betoogd dat ondanks de relatief lage parkeerdruk in de [wijk] ook in die wijk parkeerregulering noodzakelijk is. Indien de [wijk] wordt uitgezonderd van het geldende parkeerbeleid van de gemeente Den Haag, zullen bewoners en bezoekers van omringende wijken hun auto in de [wijk] gaan parkeren, waardoor de parkeerdruk ook in de [wijk] tot overlast zal gaan leiden. De rechtbank overweegt dat een dergelijk hoge parkeerdruk een streng parkeerbeleid noodzakelijk maakt.
Is sprake van een parkeergelegenheid op eigen terrein (POET)?
8. De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat eiser over een POET beschikt dan wel kan beschikken. Verweerder heeft onderzoeksbureau Dufec laten inventariseren welke woningen in de [wijk] beschikken over een POET. Uit deze inventarisatie volgt dat bij het adres van eiser sprake is van ruimte om één auto te parkeren op eigen terrein. De parkeergelegenheid in de vorm van een oprit naar een garage voldoet aan de eisen die de POET-regeling daaraan stelt. Daarbij heeft verweerder zich op het standpunt kunnen stellen dat de feitelijke situatie van de toegang naar de oprit (de verlaagde stoep), de oprit zelf en de aanwezigheid van de garage tot de conclusie leidt dat dit (ooit) bedoeld is om een auto te kunnen parkeren op eigen terrein. Het is ook niet in geschil dat de oprit daar in het verleden ook daadwerkelijk voor is gebruikt. Dat eiser de oprit inmiddels anders gebruikt, namelijk als onderdeel van zijn tuin, en dat parkeren op dit moment praktisch onmogelijk is door de plaatsing van een hek, maakt niet dat er geen sprake is van een POET zoals bedoeld in de regeling. De beroepsgrond slaagt niet.
9. Ook heeft eiser niet onderbouwd dat hij zodanige kosten moet maken om de oprit als parkeerplaats te gebruiken dat verweerder dit in redelijkheid niet van hem kan verlangen. Bovendien heeft hij niet aannemelijk gemaakt dat dit het groene karakter van de wijk zou aantasten. De rechtbank merkt in dit verband nog op dat het feit dat eiser over een POET beschikt of kan beschikken niet betekent dat hij verplicht is om daar gebruik van te maken. In die zin is eiser vrij om zijn perceel naar eigen inzicht te gebruiken. Hieraan is echter wel een financiële consequentie verbonden, in die zin dat hij een hoger tarief moet betalen voor de bewonersparkeervergunningen.
Had verweerder moeten afwijken van het POET-beleid?
10. Verweerder kan een of meer bepalingen van de regeling buiten toepassing laten, voor zover de toepassing daarvan leidt tot een onbillijkheid van overwegende aard. De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat in dit geval het weigeren van een eerste bewonersparkeervergunning vanwege een POET, niet leidt tot onbillijkheden van overwegende aard. Daarbij heeft verweerder mogen meewegen dat voor de bewoners van de [wijk], zoals eiser, al een uitzondering in het beleid is opgenomen in die zin dat ondanks de aanwezigheid van een POET wel een bewonersparkeervergunning wordt afgegeven maar tegen een hoger tarief. De situatie van eiser onderscheidt zich niet in bijzondere mate van de situatie van andere personen die in de [wijk] wonen. De beroepsgrond slaagt niet.
Conclusie en gevolgen
11. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat verweerder aan eiser geen bewonersparkeervergunningen tegen het eerste tarief hoeft te verlenen. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.L.D. Timmermans, rechter, in aanwezigheid van
mr. M. de Graaf, griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 25 augustus 2026.
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.