ECLI:NL:RBDHA:2026:25229

ECLI:NL:RBDHA:2026:25229

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 25-08-2026
Datum publicatie 02-09-2026
Zaaknummer NL26.41933 & NL26.41934
Rechtsgebied Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Haarlem

Samenvatting

Eiser heeft een asielaanvraag ingediend. Verweerder heeft deze asielaanvraag niet in behandeling hoeven nemen, omdat Duitsland daarvoor verantwoordelijk is. Eiser heeft namelijk eerder een asielaanvraag ingediend in Duitsland. Verweerder mag voor Duitsland uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. De rechtbank is van oordeel dat verweerder geen nader onderzoek had hoeven te doen naar de medische en psychische kwetsbaarheid van eiser. Eiser is er niet in geslaagd aannemelijk te maken dat hij in een bijzonder slechte gezondheidssituatie verkeert en dat de overdracht aan Duitsland leidt tot aanzienlijke en onomkeerbare gevolgen voor zijn gezondheid zal leiden. Ook is niet gesteld of gebleken dat de benodigde medische zorg niet voorhanden is in Duitsland. De rechtbank is ook van oordeel dat verweerder, ook wanneer alles in samenhang wordt bezien, geen reden heeft hoeven zien om gebruik te maken van zijn discretionaire bevoegdheid om eisers asielaanvraag aan zich te trekken

Uitspraak

[eiser] , eiser,

V-nummer: [#]

(gemachtigde: mr. S.H. van Wingerden),

en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

(gemachtigde: mr. E.J.M.C. Jansen).

Inleiding

1. Eiser stelt de Burkinese nationaliteit te hebben en te zijn geboren op [geboortedatum] . Uit Eurodac is gebleken dat hij eerder een asielaanvraag heeft ingediend in Duitsland. De Duitse autoriteiten hebben deze aanvraag afgewezen. Vervolgens heeft hij op 31 maart 2026 een asielaanvraag ingediend in Nederland. Verweerder heeft deze asielaanvraag met het bestreden besluit van 22 juli 2026 niet in behandeling genomen omdat Duitsland verantwoordelijk is voor de aanvraag. Eiser heeft op 25 juli 2026 beroep ingesteld tegen dit besluit.

Gelijktijdig met het instellen van het beroep heeft eiser ook een verzoek om voorlopige voorziening gedaan, zodat hij niet zal worden uitgezet totdat op het beroep is beslist.

Het beroep en het verzoek om voorlopige voorziening zijn op 11 augustus 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben eiser, de gemachtigde van eiser, [naam] als tolk en de gemachtigde van verweerder deelgenomen.

Beoordeling door de rechtbank en de voorzieningenrechter

Wat is de conclusie van deze uitspraak?

2. De rechtbank concludeert in deze uitspraak dat verweerder de asielaanvraag van eiser niet in behandeling heeft hoeven nemen omdat Duitsland daarvoor verantwoordelijk is. Het beroep is ongegrond. De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af. De rechtbank legt hierna uit, aan de hand van de beroepsgronden van eiser, hoe zij tot dat oordeel komt.

Wat houdt het bestreden besluit in?

3. De Europese Unie heeft gezamenlijke regels over het in behandeling nemen van asielaanvragen. Die stonden in de Dublinverordening. Vanaf 12 juni 2026 geldt niet meer de Dublinverordening maar de Asiel- en migratiebeheerverordening (AMBV). In deze zaak dateert de aanvraag van vóór 12 juni 2026. Ook is de - vanaf 12 juni 2026 niet meer bestaande - voornemenprocedure nog gevolgd en heeft verweerder in dat kader een voornemen uitgebracht. Verweerder heeft het bestreden besluit genomen op 22 juli 2026, met toepassing van de op dat moment geldende AMBV. Uit een oogpunt van rechtszekerheid en rechtsbescherming beoordeelt de rechtbank het bestreden besluit niet op grond van artikel 43, eerste lid, van de AMBV, maar nog op grond van artikel 27, eerste lid, van de Dublinverordening.

Op grond van de Dublinverordening en de AMBV neemt Nederland een asielaanvraag niet in behandeling als is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan. In dit geval heeft verweerder op 29 mei 2026 een overnameverzoek gedaan bij de Duitse autoriteiten. Dit verzoek is op 3 juni 2026 aanvaard door de Duitse autoriteiten. Verweerder heeft geen aanleiding gezien om de asielaanvraag onverplicht in behandeling te nemen.

Mag verweerder voor Duitsland uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel?

4. Eiser betwist dat voor Duitsland uitgegaan kan worden van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Bij terugkeer naar Duitsland heeft hij namelijk geen toegang tot effectieve (rechts)bescherming en rechtsbijstand. Tijdens zijn eerdere verblijf in Duitsland heeft hij ernstige veiligheidsproblemen ondervonden. Hij is meermaals bedreigd, lastiggevallen, aangevallen, gedwongen seksuele handelingen met een man te verrichten en met racisme geconfronteerd. Ook is er iets in zijn eten en drinken gedaan en is hij tegen zijn wil met een zender geïnjecteerd. Ter onderbouwing van zijn verklaringen over deze gebeurtenissen en het letsel dat hij daarbij heeft opgelopen heeft hij foto's overgelegd waarop littekens op verschillende delen van zijn lichaam zichtbaar zijn. Hij heeft aangifte gedaan bij de Duitse politie en meermaals bij de politie om hulp gevraagd, maar zij hebben hem geen bescherming geboden. Vanwege zijn fysieke en mentale toestand en de omstandigheid dat hij hierdoor geen documenten heeft bewaard, heeft hij hierover geen klacht ingediend. Uit het rapport AIDA-rapport 'Country Report Germany Update on 2025' (hierna: het AIDA-rapport over 2025) volgt bovendien dat kosteloze rechtsbijstand tijdens de eerste bestuurlijke procedure niet is gegarandeerd. Bij het indienen van een opvolgende asielaanvraag of het instellen van beroep tegen een beslissing waarbij die aanvraag niet-ontvankelijk is verklaard is er helemaal geen kosteloze rechtsbijstand beschikbaar.

De rechtbank volgt eiser hierin niet en stelt voorop dat verweerder in beginsel voor Duitsland van het interstatelijk vertrouwensbeginsel mag uitgaan. Daarbij betrekt zij dat de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) in haar uitspraak van 14 februari 2025 heeft overwogen dat uit het AIDA-rapport over Duitsland over 2023 niet volgt dat er ernstige en structurele tekortkomingen in de opvangvoorzieningen zijn. Ook blijkt uit de uitspraak van de Afdeling dat de geboden rechtsbijstand voldoet aan de Europese regels en dat als eiser vindt dat de toegang tot rechtsbijstand niet goed is, hij hierover kan procederen. De Afdeling heeft zich nog niet uitgelaten over het door eiser aangehaalde AIDA-rapport over 2025. De rechtbank is echter van oordeel dat dit AIDA-rapport geen wezenlijk ander beeld schetst over de situatie van terugkerende asielzoekers en het verstrekken van rechtsbijstand dan het AIDA-rapport over 2023. Verweerder mag er daarom in beginsel van uitgaan dat de Duitse autoriteiten hun internationale verplichtingen tegenover eiser zullen nakomen en dat de behandeling van eiser in Duitsland niet in strijd zal zijn met artikel 3 van het EVRM en artikel 4 van het Handvest.

In wat eiser heeft aangevoerd ziet de rechtbank geen aanleiding om hier in zijn geval anders over te oordelen. Als eiser bij terugkeer in Duitsland problemen ondervindt, kan hij hierover klagen bij de Duitse autoriteiten. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat klagen bij voorbaat kansloos of zinloos is. Hij heeft zijn stelling over het gebrek aan bescherming door de Duitse politie namelijk niet onderbouwd met stukken. Uit de overgelegde foto’s kan bovendien niet worden afgeleid hoe of wanneer eiser deze littekens heeft opgelopen. De beroepsgrond slaagt niet.

Had verweerder nader onderzoek moeten doen naar de medische en psychische kwetsbaarheid van eiser?

5. Eiser voert aan dat verweerder onvoldoende onderzoek heeft gedaan naar zijn medische en psychische kwetsbaarheid. In het aanmeldgehoor heeft hij verklaard in de war te zijn en zich belangrijke data en gebeurtenissen niet te kunnen herinneren, dat er een zender in zijn lichaam is geplaatst en dat hij hierna ernstige lichamelijke klachten kreeg. Dit hadden signalen voor verweerder moeten zijn om nader onderzoek te doen naar zijn gesteldheid. Uit de overgelegde verklaringen van GZA blijkt bovendien dat hij onder andere last heeft van duizeligheid en milde bloedarmoede en dat hij is gediagnostiseerd met chronische hepatitis B. Hij heeft hiervoor een doorverwijzing gehad naar de polikliniek Maag- Darm en Leverziekten. Ten onrechte heeft verweerder de afspraken in het kader van deze doorverwijzing niet afgewacht.

In het arrest C.K. heeft het Hof van Justitie van de Europese Unie geoordeeld dat zelfs als kan worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel, een vreemdeling alleen kan worden overgedragen als is uitgesloten dat er zwaarwegende, objectieve gronden zijn om aan te nemen dat de vreemdeling na overdracht een reëel en bewezen risico loopt op een onmenselijk of vernederende behandeling in de zin van artikel 3 van het EVRM en artikel 4 van het Handvest. In het geval van een vreemdeling met een ernstige medische aandoening is van een dergelijk risico sprake als de overdracht zou leiden tot een aanzienlijke en onomkeerbare achteruitgang van diens gezondheidstoestand. Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling is het aan de vreemdeling om dit risico met recente objectieve medische informatie van zijn of haar behandelaren te onderbouwen. De vreemdeling moet aantonen dat er sprake is van een bijzonder slechte gezondheidssituatie en dat de overdracht tot aanzienlijke en onomkeerbare gevolgen voor zijn of haar gezondheid zal leiden. Uit het arrest C.K. volgt dat wanneer een vreemdeling dergelijke objectieve gegevens overlegt, een vergewisplicht kan ontstaan. Deze plicht houdt in dat verweerder nader onderzoek moet doen naar het risico zodat iedere ernstige twijfel over de weerslag van de overdracht op de gezondheidstoestand van de vreemdeling wordt weggenomen.

Naar het oordeel van de rechtbank is eiser er niet in geslaagd aannemelijk te maken hij in een bijzonder slechte gezondheidssituatie verkeert en dat de overdracht tot aanzienlijke en onomkeerbare gevolgen voor zijn gezondheid zal leiden. Uit de overgelegde documenten blijkt dat eiser medische klachten heeft, maar hieruit volgt niet dat de overdracht aan Duitsland leidt tot een ernstige verslechtering van zijn medische situatie. Dat verband is niet beschreven en valt er ook niet uit op te maken. Verweerder heeft hierin dan ook geen aanleiding hoeven zien om nader onderzoek te doen naar de gevolgen van de overdracht voor eisers gezondheid. Daarnaast is de rechtbank met verweerder van oordeel dat ook niet is gesteld of gebleken dat de benodigde medische zorg niet voorhanden is in Duitsland. De beroepsgrond slaagt niet.

Had verweerder aanleiding moeten zien om de aanvraag onverplicht in behandeling te nemen?

6. Eiser voert aan dat verweerder aanleiding had moeten zien om zijn asielaanvraag op grond van artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening te behandelen. Alle omstandigheden in samenhang bezien hadden moeten leiden tot het oordeel dat de overdracht naar Duitsland van onevenredige hardheid getuigt.

De rechtbank overweegt als volgt. In het bestreden besluit heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat er naar aanleiding van wat eiser naar voren heeft gebracht geen proceseconomische redenen zijn om gebruik te maken van de discretionaire bevoegdheid van artikel 35, eerste lid, van de ABMV. Desgevraagd heeft verweerder ter zitting verklaard dat hij zijn standpunt in het voornemen, namelijk dat eisers overdracht aan Duitsland niet van onevenredige hardheid getuigt, handhaaft. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder gelet op het voorgaande, ook wanneer alles in samenhang wordt bezien, geen reden hoeven zien om gebruik te maken van zijn discretionaire bevoegdheid om eisers asielaanvraag aan zich te trekken. De beroepsgrond slaagt niet.

Wat is de conclusie?

7. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt en dat verweerder eiser mag overdragen aan Duitsland.

Gezien deze beslissing op het beroep, is er geen grond meer voor het treffen van voorlopige voorziening. De voorzieningenrechter wijst het verzoek daartoe daarom af.

Voor een proceskostenveroordeling bestaat in beide zaken geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Kraefft, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van mr. J.F.P. van Brunschot, griffier.

De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan, voor zover dit gaat over het beroep, een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Zittende Magistratuur

Griffier

  • mr. J.F.P. van Brunschot

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand