ECLI:NL:RBDHA:2026:25232

ECLI:NL:RBDHA:2026:25232

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 27-08-2026
Datum publicatie 02-09-2026
Zaaknummer NL26.23229
Rechtsgebied Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Haarlem

Samenvatting

De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep gegrond is. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft in haar uitspraak van 23 juli 2025 geoordeeld dat verweerder wat betreft alleenstaande niet-kwetsbare mannen niet kan uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel voor België. Verweerder heeft onvoldoende gemotiveerd waarom hij in weerwil van die uitspraak toch uitgaat van het interstatelijk vertrouwensbeginsel in het geval van eiser

Uitspraak

[eiser] , eiser,

V-nummer: [#]

(gemachtigde: mr. G. Palanciyan),

en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

(gemachtigde: mr. G. Zwitser Hernández).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het niet in behandeling nemen van zijn asielaanvraag. Eiser stelt de Nigeriaanse nationaliteit te hebben en geboren te zijn op [geboortedatum] . Uit Eurodac is gebleken dat eiser eerder een asielaanvraag heeft ingediend in België. Vervolgens heeft hij op 15 december 2025 een asielaanvraag ingediend in Nederland. Verweerder heeft deze aanvraag met het bestreden besluit van 23 april 2026 niet in behandeling genomen omdat België daarvoor verantwoordelijk is.

Gelijktijdig met het instellen van beroep heeft eiser ook een verzoek om voorlopige voorziening gedaan. Deze rechtbank en zittingsplaats heeft dit verzoek op 28 juli 2026 toegewezen en daarbij bepaald dat het bestreden besluit wordt geschorst en dat eiser niet mag worden overgedragen aan België totdat is beslist op het beroep.

De rechtbank heeft het beroep vervolgens op 20 augustus 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben eiser, de gemachtigde van eiser, [naam] als tolk en de gemachtigde van verweerder deelgenomen.

Beoordeling door de rechtbank

Wat is de conclusie van deze uitspraak?

2. De rechtbank concludeert in deze uitspraak dat verweerder niet voldoende heeft gemotiveerd dat in het geval van eiser ten aanzien van België van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan. Verweerder heeft niet kunnen concluderen dat er in België, voor zover het gaat om de opvang van niet-kwetsbare, alleenstaande mannelijke asielzoekers, niet langer sprake is van tekortkomingen in de opvangvoorzieningen of het verkrijgen van effectieve rechtsbijstand ten aanzien van het verkrijgen van opvang. De rechtbank verklaart het beroep daarom gegrond. Dit betekent dat eiser gelijk krijgt. De rechtbank legt hierna uit, aan de hand van de beroepsgronden van eiser, hoe zij tot dat oordeel komt en wat de gevolgen hiervan zijn.

Wat houdt het bestreden besluit in?

3. De Europese Unie heeft gezamenlijke regels over het in behandeling nemen van asielaanvragen. Die stonden in de Dublinverordening. Vanaf 12 juni 2026 geldt niet meer de Dublinverordening maar de Asiel- en migratiebeheerverordening (AMBV). In deze zaak dateren zowel de aanvraag als het bestreden besluit van vóór 12 juni 2026. Verweerder heeft het besluit genomen met toepassing van de Dublinverordening.

Op grond van de Dublinverordening neemt Nederland een asielaanvraag niet in behandeling als is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan. In dit geval heeft verweerder op 29 januari 2026 een terugnameverzoek gedaan bij de Belgische autoriteiten. Dit verzoek is op 2 februari 2026 aanvaard door de Belgische autoriteiten. Daarmee hebben de Belgische autoriteiten de verantwoordelijkheid voor eisers asielaanvraag bevestigd. Verweerder heeft geen aanleiding gezien om de asielaanvraag onverplicht in behandeling te nemen.

Heeft verweerder voor België mogen uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel?

4. Eiser betwist dat verweerder in zijn geval voor België kon uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Als alleenstaande meerderjarige asielzoeker zal hij na overdracht aan België op straat terechtkomen. Er zijn namelijk onvoldoende opvangplekken beschikbaar en het is niet mogelijk om zo’n plek af te dwingen via gerechtelijke procedures.

Verweerder stelt zich op het standpunt dat de situatie in België wezenlijk is gewijzigd ten opzichte van de situatie die aan de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 23 juli 2025 ten grondslag lag. De Belgische autoriteiten hebben inspanningen verricht om de bestaande druk op het asiel- en opvangsysteem tegen te gaan en zijn niet onwelwillend om hun internationale verplichtingen na te komen. Alleenstaande, niet-kwetsbare mannelijke asielzoekers die geen directe toegang tot de reguliere opvangvoorzieningen krijgen, komen op een doorstroomlijst en kunnen gebruik maken van humanitaire opvangplaatsen binnen de bestaande nood- en daklozenopvang in het Brussels Hoofdstedelijk gewest. Dit wordt gefinancierd door de federale overheid via Fedasil op basis van een samenwerkingsovereenkomst (de zogenoemde ‘Brussels Deal’). Het aantal personen op deze doorstroomlijst neemt structureel af en is nu minder dan de beschikbare capaciteit van 2.000 plaatsen. De betrokken personen kunnen gemiddeld na drie en een halve maand terecht in de reguliere opvang. Veel van de personen op de doorstroomlijst maken geen gebruik van de humanitaire opvang omdat zij verblijven bij personen uit hun persoonlijke netwerk. Bij de huidige stand van zaken bestaat er geen reëel risico dat een vreemdeling na overdracht in een situatie van een zeer verregaande materiële deprivatie terecht komt, zoals bedoeld in het arrest Jawo. Verweerder verwijst hierbij naar het Informatiebericht SUA “IB 2026/8 Dublin België: hervatten beslissen alleenstaande niet kwetsbare mannen”, een brief van de directeur-generaal van Fedasil van 5 februari 2026, een verslag van een contactvergadering internationale bescherming van het Federaal Migratiecentrum op 18 maart 2026 en antwoorden op parlementaire vragen door de Belgische minister van asiel, migratie, maatschappelijke integratie, belast met grootstedenbeleid van 22 april 2026.

De rechtbank stelt vast dat de Afdeling in haar uitspraak van 13 maart 2024 heeft geoordeeld dat ten aanzien van België kan worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. In haar uitspraak van 23 juli 2025 is de Afdeling in zoverre teruggekomen van de uitspraak van 13 maart 2024 dat ten aanzien van België voor niet-kwetsbare alleenstaande mannen niet langer kan worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Uit deze uitspraak volgt dat voor wat betreft de opvangsituatie in België – voor zover het niet-kwetsbare alleenstaande mannen betreft – er niet langer sprake is van tijdelijke tekortkomingen, maar van tekortkomingen die als structureel moeten worden beschouwd. Voor dat oordeel vond de Afdeling onder andere van belang dat het onduidelijk was hoeveel plaatsen er daadwerkelijk beschikbaar waren in de nood- en daklozenopvang voor niet-kwetsbare alleenstaande mannen en dat de cijfers over opvangcapaciteit onduidelijk zijn en schommelen. Verder volgt uit die uitspraak dat asielzoekers in België geen toegang hebben tot effectieve rechtsbescherming van hun recht op opvang. Dit omdat is gebleken dat de Belgische autoriteiten weigeren gerechtelijke uitspraken uit te voeren en dwangsommen te betalen. Ten slotte heeft de Afdeling geoordeeld dat de Belgische autoriteiten onverschillig staan tegenover de tekortkomingen in de opvangvoorzieningen en het ontbreken van toegang tot een effectief rechtsmiddel. Zij zetten zich niet in om nieuwe opvangplaatsen te creëren, kiezen er niet voor om beschikbare oplossingen in te zetten en leggen gerechtelijke uitspraken en dwangsommen zoals gezegd naast zich neer.

Naar het oordeel van de rechtbank biedt de door verweerder genoemde informatie onvoldoende grond om te oordelen dat niet langer sprake is van de door de Afdeling geconstateerde tekortkomingen in de opvangvoorzieningen voor mannelijke alleenstaande niet-kwetsbare asielzoekers. De rechtbank verwijst naar haar uitspraak van 6 augustus 2026 en overweegt het volgende. Uit de informatie blijkt niet van inspanningen van de Belgische autoriteiten om het aantal opvangvoorzieningen uit te breiden, gerechtelijke uitspraken na te komen of dwangsommen te betalen sinds de uitspraak van de Afdeling. Zo was de Brussels Deal al van kracht ten tijde van de uitspraak van de Afdeling, is de overheid van plan om het aantal opvangplekken drastisch te gaan verminderen, legt Fedasil rechterlijke uitspraken onverminderd naast zich neer en heeft de Belgische minister van Asiel, Migratie en Maatschappelijke Integratie, belast met Grootstedenbeleid in april dit jaar nog bevestigd geen dwangsommen te zullen gaan betalen. Dit gezegd hebbende, kunnen de door de Afdeling geconstateerde opvangproblemen ook zijn opgelost zonder inspanningen van de Belgische overheid, als de beschikbare opvangplaatsen voldoende blijken te zijn gelet op een afnemend aantal alleenstaande mannelijke asielzoekers die opvang nodig hebben. De door verweerder genoemde informatie biedt hier echter onvoldoende aanknopingspunten voor. In het AIDA Country Report Belgium, update on 2025, van juli 2026, staat dat de stelling van de Belgische minister dat met de Brussels Deal is voorzien in adequate opvang van de minder dan 2000 personen op de doorstroomlijst niet wordt gestaafd door wat het maatschappelijk middenveld, de burgermaatschappij, constateert en dat die evenmin overeenstemt met informatie van Fedasil. Ook blijkt uit dit rapport dat personen op de doorstroomlijst moeilijk toegang krijgen tot opvangplaatsen in de noodopvang: er zijn aanzienlijke obstakels bij registratie voor opvang, er zijn nog altijd onvoldoende plekken beschikbaar en de opvang is bovendien niet exclusief voor asielzoekers noch krijgen zij voorrang. Waaruit de Belgische minister opmaakt dat veel van de asielzoekers die geen gebruik maken van de humanitaire opvang bij mensen uit hun persoonlijk netwerk verblijven en hoeveel asielzoekers dat zijn, is onduidelijk en behoeft gezien de in het AIDA-rapport genoemde barrières wel nadere toelichting. De rechtbank komt daarom tot de conclusie dat verweerder het bestreden besluit onvoldoende zorgvuldig heeft voorbereid en onvoldoende heeft gemotiveerd. De beroepsgrond slaagt.

Wat is de conclusie?

5. Het beroep is gegrond omdat verweerder het bestreden besluit in strijd met de artikelen 3:2 en 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) niet zorgvuldig heeft voorbereid en onvoldoende heeft gemotiveerd. Dit betekent dat eiser gelijk krijgt en verweerder een nieuw besluit moet nemen op zijn asielaanvraag. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit.

De rechtbank bepaalt met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb dat verweerder een nieuw besluit moet nemen en daarbij rekening houdt met deze uitspraak. De rechtbank geeft verweerder hiervoor zes weken.

Omdat het beroep gegrond is krijgt eiser een vergoeding van zijn proceskosten.

Verweerder moet deze vergoeding betalen. De proceskosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende bijstand vast op € 1.868,- (1 punt voor het indienen van een beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen op de zitting, met een waarde per punt van € 934,- bij een wegingsfactor 1). Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit van 23 april 2026;

- draagt verweerder op binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op de aanvraag, waarbij rekening wordt gehouden met deze uitspraak;

- veroordeelt verweerder tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan eiser.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Kraefft, rechter, in aanwezigheid van mr.J.F.P. van Brunschot, griffier.

De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand