ECLI:NL:RBDHA:2026:25233

ECLI:NL:RBDHA:2026:25233

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 28-08-2026
Datum publicatie 02-09-2026
Zaaknummer NL26.38976
Rechtsgebied Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Haarlem

Samenvatting

Asiel, Al-Shabaab, zelf voorzien. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de afwijzing van de asielaanvraag niet in stand kan blijven. Verweerder had eiser, voor wat betreft het ongeloofwaardig bevonden element van eisers asielrelaas, het voordeel van de twijfel moeten geven. Nu de rechtbank het asielrelaas geheel geloofwaardig acht, beoordeelt de rechtbank de zwaarwegendheid van het asielrelaas ook in het licht van alle elementen van het asielrelaas. Het asielrelaas is, gelet ook op landeninformatie over Turkije, voldoende zwaarwegend voor het verlenen van een verblijfsvergunning asiel. De rechtbank voorziet daarom zelf in deze zaak en draagt verweerder op aan eiser een verblijfsvergunning te verlenen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

[eiser] , V-nummer: [#] , eiser/verzoeker

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

Samenvatting

Zittingsplaats Haarlem

Bestuursrecht

zaaknummers: NL26.38976 (beroep) en NL26.38977 (voorlopige voorziening)

uitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter in de zaken tussen

(gemachtigde: mr. E. Arslan),

en

(gemachtigde: mr. A. Sloots).

1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de asielaanvraag van eiser. Eiser is het hier niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de asielaanvraag.

De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de afwijzing van de asielaanvraag niet in stand kan blijven. Verweerder had eiser, voor wat betreft het ongeloofwaardig bevonden element van eisers asielrelaas, het voordeel van de twijfel moeten geven. Nu de rechtbank het asielrelaas geheel geloofwaardig acht, beoordeelt de rechtbank de zwaarwegendheid van het asielrelaas ook in het licht van alle elementen van het asielrelaas. Het asielrelaas is, gelet ook op landeninformatie over Turkije, voldoende zwaarwegend voor het verlenen van een verblijfsvergunning asiel. De rechtbank voorziet daarom zelf in deze zaak en draagt verweerder op aan eiser een verblijfsvergunning te verlenen. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Eiser heeft een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Verweerder heeft met het bestreden besluit van 10 juli 2026 deze aanvraag afgewezen als kennelijk ongegrond.

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Ook heeft verzoeker de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

De rechtbank heeft het beroep en het verzoek om een voorlopige voorziening op 5 augustus 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben eiser, zijn gemachtigde, [naam] als tolk en de gemachtigde van verweerder deelgenomen.

Beoordeling door de rechtbank

Het asielrelaas

3. Eiser legt aan zijn asielaanvraag het volgende ten grondslag. Hij heeft de Turkse nationaliteit, de Koerdische etniciteit en is geboren op [geboortedatum] . Eiser is sympathisant van de HDP. Zijn hele familie is actief voor de HDP en zo is eiser er ook mee opgegroeid. Eiser nam deel aan demonstraties en partijbijeenkomsten van de HDP. In oktober 2014 is eiser aangehouden bij een protest tegen de Koboni gebeurtenissen, waarna hij is mishandeld met stokken door de Turkse autoriteiten. In maart 2016 is eiser ook mishandeld nadat hij werd aangehouden bij een protest in Bingöl. De Turkse binnenlandse veiligheidsdienst, de MIT, heeft eiser benaderd om hem als spion in te zetten. De MIT wilde dat eiser meer informatie zou geven over zijn neef die bij de PKK betrokken was en over zijn oom die een hogere positie had binnen de HDP. Dit gebeurde voor het eerst in 2018, later weer in 2019 en wederom in 2020. Eiser heeft dit telkens geweigerd. Eiser vreest hierdoor voor de Turkse autoriteiten. Hij vreest dat hij gedetineerd zal worden. Eiser heeft na 2020 tijdelijk in verschillende landen gewoond voor werk, zodat hij niet in Turkije hoefde te zijn. Toen eiser terugkwam in 2022 werd hij opnieuw door de MIT gevraagd voor spionagewerkzaamheden. Dit herhaalde zich in augustus 2023. Bij deze benadering is eiser openlijk bedreigd. Hij heeft contact gezocht met de HDP en zij hebben hem geadviseerd om Turkije te verlaten. Dit heeft eiser, op illegale wijze, gedaan.

Het bestreden besluit

4. Verweerder stelt de volgende asielmotieven vast:

1. identiteit, nationaliteit en herkomst;

2. benadering voor spionagewerkzaamheden als reden van vertrek;

3. politieke overtuiging;

4. problemen vanwege etnische afkomst;

5. problemen vanwege religie.

Verweerder vindt de asielmotieven 1,3, 4 en 5 geloofwaardig. Het tweede asielmotief vindt verweerder niet geloofwaardig. De geloofwaardig bevonden elementen vindt verweerder onvoldoende zwaarwegend om in aanmerking te komen voor internationale bescherming. Verweerder toetst hierbij aan landenbeleid en aan het Informatiebericht 2024/10.

Verweerder wijst de asielaanvraag van eiser af als kennelijk ongegrond, op grond van artikel 31, eerste lid van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) en artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder e, van de Vw. Verweerder vaardigt een terugkeerbesluit uit en legt aan eiser een inreisverbod voor de duur van twee jaar op.

Is het geloofwaardig dat eiser door de MIT is benaderd en dat hij hierdoor te vrezen heeft?

5. Eiser voert aan dat verweerder zijn verklaringen over de praktische belemmeringen waarom hij niet in e-Devlet kan komen, niet inhoudelijk heeft weerlegd. Afgezien daarvan, zou informele MIT-werving niet in e-Devlet geregistreerd worden. De verklaringen die eiser heeft afgelegd over deze MIT-benaderingen, passen in een consistent escalatiepatroon. Dit escalatiepatroon wordt bevestigd door landeninformatie, waaronder een rapport van de mensenrechtenorganisatie IDH. Deze landeninformatie, en landeninformatie over de HDP uit het AAB Turkije 2025 heeft verweerder onvoldoende betrokken in zijn besluitvorming. De periodes dat eiser in het buitenland verbleef voor werk, passen ook in het beeld dat eiser tijdelijk onder druk Turkije moest verlaten. Eiser heeft uitgelegd waarom de MIT specifiek hem benaderde; hij heeft een uitgebreid netwerk aan contacten in Bingöl, hij kent veel mensen via zijn werk en zijn familie is betrokken bij en actief voor de HDP en de PKK. Deze verklaringen heeft verweerder niet weerlegd. Onder verwijzing naar een uitspraak van deze rechtbank en zittingsplaats van 15 april 2022, voert eiser aan dat uit landeninformatie volgt dat toeval en willekeur bepalen welke personen die actief zijn voor de HDP worden opgepakt. Het standpunt van verweerder dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij in de negatieve belangstelling zou staan, kan hij daarom niet zonder meer handhaven. Zeker niet, nu eiser heeft verklaard dat hij al 13 jaar lang regelmatig partijbijeenkomsten van de HDP bijwoont, minimaal 10 keer per jaar aan demonstraties van de HDP deelneemt, folders uitdeelde tijdens verkiezingen en jongeren aanstuurde bij straatactiviteiten van de HDP. Verweerder heeft dit onvoldoende betrokken in zijn besluitvorming. Daarnaast heeft verweerder de familiale context onvoldoende betrokken, nu hij te weinig belang hecht aan de omstandigheid dat de gehele familie van eiser actief is bij de HDP dan wel de PKK. De stelling van verweerder dat de omstandigheid dat eiser zijn oom en neef gedetineerd en mishandeld zijn door de Turkse autoriteiten vanwege hun betrokkenheid bij de HDP en de PKK, niet betekent dat eiser hier ook voor te vrezen heeft kan daarom niet zonder meer stand houden. Verweerder had een kenbare, individuele afweging moeten maken van de politieke opvatting van eiser, de activiteiten die eiser heeft verricht, de familiale context van eiser en de manier waarop de Turkse autoriteiten daar tegenaan kijken. Onder verwijzing naar het arrest Ebilum van het Hof van Justitie van de Europese Unie (Hof) voert eiser aan dat een beoordeling die uitsluitend berust op afzonderlijke elementen, niet voldoet aan de maatstaf die in dit arrest wordt gegeven.

6. In de arresten Quotal en Ebilum heeft het Hof overwogen dat de terughoudende

toets, zoals de Nederlandse rechter die in asielzaken verrichtte, niet verenigbaar is met het

Europese recht. In lijn met deze arresten toetst de rechtbank de geloofwaardigheid daarom

nu vol. Vol toetsend, is de rechtbank van oordeel dat moet worden uitgegaan van de geloofwaardigheid van het tweede asielmotief, de benadering voor spionagewerkzaamheden als reden van vertrek van eiser uit Turkije. Hiertoe overweegt de rechtbank als volgt. Volgens verweerder zijn de verklaringen van eiser over de benaderingen door de MIT niet aannemelijk en samenhangend, nu eiser niet duidelijk heeft gemaakt waarom de bedreigingen pas in 2023 zijn geëscaleerd terwijl de benaderingen al in 2018 begonnen. De rechtbank volgt hierin hetgeen eiser heeft aangevoerd. Uit de landeninformatie waar eiser naar verwijst, volgt dat dergelijke escalatiepatronen vaker voorkomen wanneer de MIT personen benadert voor spionagewerkzaamheden. Dat eiser meermaals Turkije uit- en ingereisd is, doet hier volgens de rechtbank niet aan af omdat de bedreigingen pas in 2023, na deze reisbewegingen, zijn geëscaleerd. De rechtbank volgt ook eisers uitleg over waarom de MIT hem benaderde voor spionagewerkzaamheden. Hierbij had verweerder ook meer nadruk moeten leggen op de familiale context van eiser. Hoewel de rechtbank ziet dat de verklaringen van eiser ruimte voor enige twijfel laten, dient aan hem voor wat betreft de geloofwaardigheid van het tweede asielmotief het voordeel van de twijfel gegeven te worden. Daarbij vindt de rechtbank in de eerste plaats van belang om de geloofwaardigheid van de verklaringen van eiser over dit asielmotief te beoordelen in het licht van het feit dat eisers verklaringen over de vier andere asielmotieven door verweerder wel geloofwaardig zijn bevonden. Dat eiser over al die motieven wel geloofwaardige verklaringen heeft afgelegd draagt immers bij aan de algehele geloofwaardigheid van eiser en zijn verklaringen. Ook vindt de rechtbank hierbij van belang dat het escalatiepatroon waar eiser over heeft verklaard overeenkomt met landeninformatie. Dat versterkt de overtuigingskracht van de geloofwaardigheid van dit asielmotief alleen maar meer.

De door verweerder aan eiser in het licht van dit asielmotief tegengeworpen omstandigheid dat eiser niet kan inloggen in e-Devlet vindt de rechtbank onvoldoende om eiser het voordeel van de twijfel niet te geven. Daarbij betrekt de rechtbank dat verweerder niet inhoudelijk heeft gereageerd op de verklaring van eiser dat hij enkel in persoon in Turkije een handtekening kan verkrijgen om op andere wijze in e-Devlet te kunnen loggen. Daarbij betrekt de rechtbank voorts dat eiser ook enkel verklaart dat er in verband met dit asielmotief mogelijk een aanhoudingsbevel tegen hem uitgevaardigd zou kunnen zijn en dus niet dat dit bevel ook echt is uitgevaardigd. Bovendien heeft verweerder niet weerlegd dat informele MIT-werving voor spionagewerkzaamheden, zoals eiser is overkomen, niet zou worden geregistreerd in e-Devlet. De conclusie is dat deze beroepsgrond slaagt.

Vol toetsend en betrekkend dat het hele asielrelaas van eiser geloofwaardig is, zal de rechtbank nu beoordelen of het relaas zwaarwegend genoeg is om in aanmerking te komen voor Vluchtelingschap. De rechtbank is van oordeel dat eiser aannemelijk heeft gemaakt dat hij een vluchteling is als bedoeld in het Vluchtelingenverdrag. Om als verdragsvluchteling te worden aangemerkt, dient eiser een gegronde vrees voor vervolging vanwege zijn ras, godsdienst, nationaliteit, het behoren tot een bepaalde groep of zijn politieke overtuiging te hebben in zijn land van herkomst. Volgens het arrest Ebilum dient voor de beoordeling van gegronde vrees een individuele, concrete en objectieve beoordeling gemaakt te worden. Hierbij is de maatstaf een redelijke mate van waarschijnlijkheid. De rechtbank dient te beoordelen of eiser met een redelijke mate van waarschijnlijk vervolgd zal worden in Turkije. Verweerder heeft onvoldoende gemotiveerd dat eiser vanwege zijn politieke overtuiging en activiteiten geen gegronde vrees heeft voor vervolging door de Turkse autoriteiten. Hierbij baseert de rechtbank zich op hetgeen uit landeninformatie voortvloeit, te weten dat de Turkse autoriteiten mensen die betrokken zijn bij de HDP onder druk zetten om als informant te fungeren en dat met name familieleden van HDP-leden door de politie en veiligheidsdiensten worden gevolgd en onder druk worden gezet om te getuigen tegen andere HDP-leden. Dit wordt ook bevestigd in het IDH rapport, waaruit volgt dat onderdrukking en benaderingen voor spionagewerkzaamheden vaker wordt uitgevoerd door de veiligheidsdiensten in Turkije, waarbij de druk gestaag steeds verder wordt opgevoerd op degene die de veiligheidsdiensten benaderen. Dit bezien in het licht van hetgeen reeds geloofwaardig is geacht, te weten de benaderingen door de MIT voor spionagewerkzaamheden, de activiteiten die eiser voor de HDP 13 jaar lang heeft verricht, de familiale context waar eiser zich in bevindt met zijn oom die eerder is gedetineerd en mishandeld vanwege zijn betrokkenheid bij de HDP en zijn neef die ook eerder is gedetineerd en mishandeld vanwege zijn betrokkenheid bij de PKK, is de rechtbank van oordeel dat eiser met redelijke mate van waarschijnlijkheid vervolgd zal worden vanwege zijn politieke overtuiging en activiteiten door de Turkse autoriteiten. De rechtbank concludeert daarom dat eiser aannemelijk heeft gemaakt dat hij moet worden aangemerkt als een Verdragsvluchteling.

Gelet op het bovenstaande vernietigt de rechtbank het bestreden besluit en voorziet met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder b, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) zelf in deze zaak. De rechtbank acht de asielaanvraag gegrond en draagt daarom verweerder op om aan eiser per direct een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen op grond van artikel 29, eerste lid, van de Vw met als ingangsdatum 19 september 2023, geldig tot 19 september 2028.

De rechtbank kiest hierbij voor de datum van de asielaanvraag als ingangsdatum voor de verblijfsvergunning en voor een geldigheidsduur van vijf jaar. Hiertoe overweegt de rechtbank als volgt. Artikel 44, tweede lid, en artikel 34 van de Vw zoals deze waren ten tijde van de aanvraag, bepaalden dat bij inwilliging een verblijfsvergunning wordt verleend met ingang van de datum waarop de aanvraag is ontvangen voor de duur van vijf jaar.

Sinds 12 juni 2026 is de Uitvoerings- en implementatiewet Asiel- en Migratiepact 2026 (Implementatiewet) van toepassing. De huidige artikelen van toepassing op de ingangsdatum en geldigheidsduur van een verblijfsvergunning, artikel 44, tweede lid en artikel 9, derde lid, van de Vw bepalen dat de verblijfsvergunning wordt verleend met ingang van de dag na bekendmaking van de beschikking en dat deze geldig is voor drie jaar. De Implementatiewet bevat ook het overgangsrecht voor de behandeling van asielaanvragen die zijn ingediend voor 12 juni 2026. Dit overgangsrecht houdt in dat voorschriften van de tot 12 juni 2026 geldende Vw, die slechts betrekking hebben op een achttal onderwerpen, van toepassing blijven voor de asielaanvragen van voor 12 juni 2026. De voorschriften voor de ingangsdatum en de geldigheidsduur van een verleende asielvergunning zijn niet genoemd in dit overgangsrecht. Hierdoor zou voor eiser niet langer de ten tijde van het indienen van zijn asielaanvraag geldende recht gelden dat zijn verblijfsvergunning asiel ingaat op de datum van zijn asielaanvraag met een geldigheidsduur van vijf jaar. In plaats daarvan zou de vergunning ingaan op de dag na de verlening van de verblijfsvergunning asiel en een geldigheidsduur hebben van drie jaar. De rechtbank is van oordeel dat dit vanuit een oogpunt van de rechtszekerheid, rechtsgelijkheid en rechtsbescherming niet aanvaardbaar is. Een redelijke toepassing van de Vw en de Implementatiewet brengt de rechtbank daarom tot het oordeel dat aan eiser een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd moet worden verleend met als ingangsdatum de datum van zijn asielaanvraag met een geldigheidsduur van vijf jaar.

Nu de rechtbank zelf in de zaak heeft voorzien, behoeven de andere gronden geen bespreking meer.

Conclusie en gevolgen

7. Verweerder heeft de aanvraag ten onrechte afgewezen als kennelijk ongegrond. Het beroep is gegrond omdat het bestreden besluit in strijd is met het motiveringsbeginsel zoals neergelegd in artikel 3:46 van de Awb. Dit betekent dat eiser gelijk krijgt. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit. De rechtbank voorziet zelf in de zaak met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder b, van de Awb. De rechtbank draagt verweerder op aan eiser een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen op grond van artikel 29, eerste lid, van de Vw met als ingangsdatum 19 september 2023 geldig tot 19 september 2028.

Eiser krijgt een vergoeding van zijn proceskosten, omdat het beroep gegrond is. Verweerder moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.868,- omdat de gemachtigde van eiser een beroepschrift heeft ingediend en aan de zitting heeft deelgenomen. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.

8. Nu op het beroep is beslist, bestaat geen aanleiding om de voorlopige voorziening toe te wijzen. De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening daarom af. Verzoeker krijgt wel een vergoeding van zijn proceskosten. Verweerder moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 934,- omdat de gemachtigde van verzoeker een verzoekschrift heeft ingediend. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit van 10 juli 2026;

- draagt verweerder op om direct na de verzending van deze uitspraak aan eiser een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen met als ingangsdatum 19 september 2023, geldig tot 19 september 2028;

- veroordeelt verweerder tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan eiser.

De voorzieningenrechter:

- wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af;

- veroordeelt verweerder tot betaling van € 934,- aan proceskosten aan verzoeker.

Deze uitspraak is gedaan door mr. L.M. Kos, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van mr. J.W. Robijn, griffier.

Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met de uitspraak op het beroep, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand