RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , eiser,
de minister van Asiel en Migratie, verweerder.
Samenvatting
Zittingsplaats Haarlem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.48304
V-nummer: [#]
(gemachtigde: mr. J. van Bennekom),
en
1. Deze uitspraak gaat over de maatregel van vreemdelingenbewaring die aan eiser is opgelegd. Deze maatregel is opgelegd op grond van artikel 59a, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw). Eiser is het niet eens met die maatregel. Hij voert daartegen een aantal beroepsgronden aan. Onder meer aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de rechtmatigheid van die maatregel en de vraag of aan eiser een schadevergoeding moet worden toegekend.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep ongegrond is. Het opleggen van de maatregel van vreemdelingenbewaring is niet onrechtmatig. De maatregel van vreemdelingenbewaring voldoet aan de voorwaarden. Er is dus geen reden voor het toekennen van een schadevergoeding. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit heeft.
Procesverloop
2. Met het bestreden besluit van 21 augustus 2026 heeft verweerder aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd en de rechtbank daarvan in kennis gesteld.
Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Het beroep wordt ook aangemerkt als een verzoek om schadevergoeding.
De rechtbank heeft het beroep op de zitting van 27 augustus 2026 aan de orde gesteld. Partijen hebben zich met voorafgaand bericht afgemeld voor de zitting. De rechtbank heeft het onderzoek op de zitting gesloten.
Nadat de rechtbank het onderzoek ter zitting heeft gesloten, heeft eiser aanvullende gronden ingediend. Nu deze gronden na sluiting van het onderzoek zijn ingediend, zal de rechtbank deze gronden niet bij de beoordeling betrekken.
Beoordeling door de rechtbank
Toetsingskader
3. Verweerder kan de vreemdeling op wie de Asiel- en migratiebeheerverordening van toepassing is, met het oog op de overdracht aan een verantwoordelijke lidstaat in vreemdelingenbewaring stellen met inachtneming van artikel 44 van de Asiel- en migratiebeheerverordening. In de Asiel- en migratiebeheerverordening staat dat de lidstaten wanneer er een onderduikrisico bestaat of indien dat noodzakelijk is met het oog op de bescherming van de nationale veiligheid of de openbare orde, de lidstaten de betrokken persoon in vreemdelingenbewaring kunnen houden om overdrachtsprocedures overeenkomstig deze verordening veilig te stellen, op basis van een individuele beoordeling van de situatie van de betrokken persoon en enkel voor zover vreemdelingenbewaring evenredig is en andere, minder dwingende alternatieve maatregelen niet effectief kunnen worden toegepast.
Op grond van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb) kan een vreemdeling in vreemdelingenbewaring worden gesteld of een vrijheidsontnemende maatregel worden opgelegd met het oog op de overdracht aan een verantwoordelijke lidstaat als bedoeld in de Asiel- en migratiebeheerverordening indien er een onderduikrisico bestaat of dat noodzakelijk is met het oog op de bescherming van de nationale veiligheid of de openbare orde. De maatregel kan alleen worden opgelegd wegens het bestaan van een onderduikrisico, indien ten minste twee van de gronden, genoemd in artikel 5.6, tweede lid, van het Vb zich voordoen.
De aan eiser opgelegde maatregel van vreemdelingenbewaring
4. Verweerder heeft aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd. In deze maatregel staat dat de maatregel nodig is, omdat een concreet aanknopingspunt bestaat voor een overdracht als bedoeld in de Asiel- en migratiebeheerverordening en een significant risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken.
In de maatregel heeft verweerder als gronden vermeld dat eiser:
a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan, waarbij de vreemdeling zich gedurende enige tijd aan het toezicht heeft onttrokken of zich zonder toestemming tussen de lidstaten van de Europese Unie beweegt;c. niet dan wel niet voldoende meewerkt aan het vaststellen van zijn identiteit en nationaliteit;g. tot ongewenst vreemdeling is verklaard als bedoeld in artikel 67 van de Vw dan wel toepassing is gegeven aan artikel 67a van de Wet, of tegen hem een inreisverbod is uitgevaardigd met toepassing van artikel 66a, zevende lid, van die wet;k. een overdrachtsbesluit heeft ontvangen en geen medewerking verleent aan de overdracht aan de lidstaat die verantwoordelijk is op grond van de Asiel- en migratiebeheerverordening;o. niet langer beschikbaar is door te verzuimen melding te doen van afwezigheid in een bepaald opvangcentrum of aangewezen gebied van verblijf;p. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden;r. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;s. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
De rechtbank stelt vast dat eiser de aan de maatregel ten grondslag gelegde gronden niet heeft bestreden. Ook ambtshalve toetsend is de rechtbank van oordeel dat er voldoende gronden aan de maatregel ten grondslag zijn gelegd om de maatregel te kunnen dragen. Deze gronden zijn voldoende om aan te nemen dat er sprake is van een onderduikrisico.
Berust de maatregel op een juridische grondslag?
5. Eiser voert, onder verwijzing naar de arresten Mahdi en El Chodor van het Hof, aan dat een juridische grondslag voor het opleggen van de maatregel ontbreekt. In de maatregel wordt allereerst verwezen naar de Vw, in plaats van de Vreemdelingenwet 2000. Dit is volgens eiser in strijd met het arrest Mahdi, waaruit volgt dat het besluit de juridische gronden dient te vermelden. Daarnaast staan de criteria voor de inbewaringstelling niet in artikel 59a van de Vw genoemd, hetgeen volgens eiser eveneens in strijd is met bovengenoemde arresten.
De rechtbank volgt het betoog van eiser niet. De rechtbank is van oordeel dat het voor eiser voldoende duidelijk moet zijn op welke juridische grondslag de maatregel van bewaring is gebaseerd. Dat in de maatregel wordt verwezen naar de Vreemdelingenwet en niet de Vreemdelingenwet 2000 staat vermeld, volstaat. In de maatregel is opgenomen dat aan eiser een maatregel van vreemdelingenbewaring wordt opgelegd, als bedoeld in artikel 59a van de Vw. Naar het oordeel van de rechtbank is hiermee voldoende duidelijk dat hiermee wordt verwezen naar de Vreemdelingenwet 2000.
De rechtbank overweegt verder dat in de maatregel van bewaring staat dat deze is gebaseerd op artikel 59a van de Vw, welke bepaling verwijst naar artikel 44 van de Asiel- en migratiebeheerverordening. Volgens deze laatste bepaling mag iemand op wie deze verordening van toepassing is, met het oog op diens overdracht, in bewaring worden gesteld als er een significant risico is op onderduiken. Hiermee is een objectief criterium gegeven dat de vrijheidsbeneming kan rechtvaardigen. Dat dit objectieve criterium niet (ook) met zoveel woorden in artikel 59a van de Vw staat en dat de maatregel van bewaring dat wetsartikel noemt als juridische grond, maakt de maatregel van bewaring niet onrechtmatig. De Asiel en migratiebeheerverordening heeft namelijk rechtstreekse werking. In artikel 59a van de Vw staan de algemene criteria vermeld voor inbewaringstelling. De specifieke gronden op grond waarvan een significant risico op onttrekking aan het toezicht kan worden aangenomen staan in het Vb genoemd. De rechtbank ziet daarom geen aanleiding voor het oordeel dat de maatregel in strijd is met de door eiser aangehaalde arresten van het Hof.
Overige gronden
6. Eiser wijst er verder op dat artikel 44, derde lid, van de Asiel- en migratiebeheerverordening bepaalt dat de detentie zo kort mogelijk duurt. Hieraan wordt volgens eiser niet voldaan. Verweerder heeft door het verlengen van de overdrachtstermijn met drie jaar, zichzelf ruim de tijd gegeven om eiser over te dragen.
Het is de rechtbank niet duidelijk wat eiser met deze stelling betoogt. Nu dit een niet onderbouwde stelling is en eiser niet op zitting is verschenen om deze stelling toe te lichten, zal de rechtbank hier niet verder op ingaan.
Leidt ambtshalve toetsing tot een ander oordeel?
7. Los van de door eiser aangevoerde gronden, ziet de rechtbank in de door verweerder en eiser verstrekte gegevens geen grond om te komen tot het oordeel dat aan de rechtmatigheidsvoorwaarden voor deze maatregel niet is voldaan.
Conclusie en gevolgen
8. Het beroep tegen de maatregel van vreemdelingenbewaring is ongegrond. Daarom wijst de rechtbank ook het verzoek om schadevergoeding af. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.L. Roubos, rechter, in aanwezigheid van mr. T.A. O'Sullivan, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen één week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier.