ECLI:NL:RBDHA:2026:25241

ECLI:NL:RBDHA:2026:25241

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 13-08-2026
Datum publicatie 02-09-2026
Zaaknummer NL26.41268
Rechtsgebied Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure Voorlopige voorziening
Zittingsplaats Haarlem

Samenvatting

Verzoek om voorlopige voorziening hangende bezwaar - artikel 64 Vw - spoedeisend belang aangenomen vanwege beëindiging Rva-verstrekkingen - niet op voorhand kan worden vastgesteld tot welk advies BMA komt - daardoor kan niet op voorhand worden uitgesloten dat het bezwaar van verzoeker redelijke kans op slagen heeft - voorlopige voorziening toegewezen.

Uitspraak

[verzoeker] , verzoeker,

V-nummer: [#] ,

(gemachtigde: mr. C.M.E. Schreinemacher),

en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

(gemachtigde: mr. G. Erdal).

Inleiding

1. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening.

Verzoeker heeft op 21 mei 2026 asiel aangevraagd. Verweerder heeft deze asielaanvraag afgewezen met het besluit van 5 juni 2026. De verklaringen van verzoeker in zijn asielprocedure en de overgelegde medische documenten gaven volgens verweerder aanleiding voor een ambtshalve beoordeling of verzoeker voldoet aan de voorwaarden van artikel 64 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw). Verweerder heeft daarom in het besluit van 5 juni 2026 (voorlopig) uitstel van vertrek op medische gronden verleend aan verzoeker totdat is beslist op de ambtshalve beoordeling, met ingang van 5 juni 2026 tot 5 december 2026.

In het primaire besluit van 20 juli 2026 heeft verweerder het standpunt ingenomen dat verzoeker niet voldoet aan de voorwaarden van artikel 64 van de Vw. Verzoeker krijgt daarom niet langer uitstel van vertrek.

Verzoeker heeft bezwaar gemaakt tegen het primaire besluit. Hij heeft ook een verzoek om een voorlopige voorziening hangende bezwaar ingediend. Deze voorlopige voorziening heeft geen opschortende werking omdat hij pas op 23 juli 2026 is ingediend en niet binnen 24 uur na de datum van het primaire besluit. Daardoor mag verzoeker het besluit op het bezwaar niet in Nederland afwachten.

De rechtbank heeft het beroep van eiser tegen de afwijzing van zijn asielaanvraag op 30 juli 2026 op zitting behandeld. Tegelijkertijd heeft zij ook het verzoek om een voorlopige voorziening behandeld. De gemachtigde van verzoeker heeft desgevraagd ter zitting toegelicht dat hij met de gevraagde voorlopige voorziening wil bereiken dat hij komende zes maanden uitstel van vertrek krijgt.

Ter zitting heeft de voorzieningenrechter het verzoek om een voorlopige voorziening aangehouden en verweerder gevraagd een (inhoudelijk) standpunt in te nemen over de gevraagde voorlopige voorziening.

Verweerder heeft op 6 augustus 2026 per brief gereageerd. Hij heeft verzocht het verzoek om een voorlopige voorziening af te wijzen vanwege het ontbreken van een spoedeisend belang. Verweerder heeft namelijk geen concreet voornemen om verzoeker op korte termijn uit te zetten of voorbereidingen daartoe te treffen.

Verzoeker heeft op 6 augustus 2026 per brief gereageerd op het standpunt van verweerder. Hij heeft aangegeven op 3 augustus 2026 een brief te hebben ontvangen van het Centraal Orgaan opvang asielzoekers (COa) waarin staat dat op 16 augustus 2026 zijn Rva-verstrekkingen beëindigd zullen worden en hij op die datum de opvang moet verlaten. Hij stelt daardoor wel een spoedeisend belang te hebben bij de gevraagde voorlopige voorziening.

De voorzieningenrechter heeft op 11 augustus 2026 het onderzoek gesloten.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

2. De voorzieningenrechter kan op verzoek een voorlopige voorziening treffen als onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist. De voorzieningenrechter beoordeelt bij een verzoek om een voorlopige voorziening hangende een procedure of deze procedure een redelijke kans van slagen heeft. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventuele) bodemprocedure niet.

Is sprake van een spoedeisend belang?

3. De voorzieningenrechter overweegt als volgt. Het spoedeisend belang ligt hier niet in de omstandigheid dat verzoeker geen rechtmatig verblijf meer heeft en uitzetbaar is. Als nergens uit blijkt dat verzoeker zal worden uitgezet (wat hier het geval is, mede gelet op het standpunt van verweerder), is er volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) geen sprake van een spoedeisend belang.

Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is er echter alsnog sprake van onverwijlde spoed, nu uit de brief van het COa van 3 augustus 2026 blijkt dat de Rva-verstrekkingen van verzoeker op 16 augustus 2026 worden beëindigd en verzoeker dan de opvang moet verlaten. De voorzieningenrechter begrijpt het aanvullende standpunt van 6 augustus 2026 van verzoeker verder zo dat hij heeft verzocht een voorlopige voorziening te treffen die ertoe strekt dat hij gedurende de behandeling van zijn bezwaar het recht op de Regeling verstrekkingen asielzoekers en andere categorieën vreemdelingen 2005 (Rva)-verstrekkingen behoudt en in de opvang mag blijven.

Dit recht kan in het geval van verzoeker ontstaan als de voorlopige voorziening wordt toegewezen en verzoeker zich feitelijk in dezelfde situatie bevindt als bedoeld in artikel 64 van de Vw. Dit volgt uit artikel 3, derde lid, aanhef en onder h, van de Rva 2005, onder verwijzing naar artikel 8, aanhef en onder h, van de Vw. Daarom begrijpt de voorzieningenrechter het verzoek zo, dat verzoeker tijdens de behandeling van het bezwaar wenst te worden behandeld als ware artikel 64 van de Vw op hem van toepassing. In dat geval bestaat recht op opvang en verstrekkingen op grond van de Rva.

Voorlopige beoordeling

4. De voorzieningenrechter moet beoordelen of het bezwaar van verzoeker een redelijke kans van slagen heeft en maakt, voor zover aangewezen, een afweging van de betrokken belangen.

De voorzieningenrechter overweegt als volgt. In het primaire besluit van 20 juli 2026 heeft verweerder geen uitstel van vertrek verleend op grond van artikel 64 van de Vw. Er was namelijk geen (geldige) toestemmingsverklaring om informatie op te vragen bij alle behandelaren. Hierdoor kon het Bureau Medische Advisering (BMA) ook geen advies uitbrengen. Ter zitting heeft de gemachtigde van verzoeker aangegeven dat hij contact heeft gehad met verweerder hierover en dat er alleen een bepaald stukje in de toestemmingsverklaring niet was ingevuld. Dit is inmiddels wel geregeld volgens verzoeker. Verder heeft verzoeker meerdere medische stukken uit 2025 en 2026 overgelegd, waaruit de rechtbank in elk geval afleidt dat verzoeker onder behandeling is bij een internist, verschillende soorten medicatie slikt vanwege meerdere fysieke problemen en tijdens zijn verblijf in Nederland een spoedopname heeft gehad.

Gelet op het voorgaande overweegt de voorzieningenrechter dat op voorhand niet kan worden vastgesteld tot welk advies het BMA zal komen. Immers is er nog niet inhoudelijk gekeken naar de medische situatie van verzoeker. De voorzieningenrechter kan zelf ook geen inhoudelijke medische beoordeling maken. Zij kan dan ook niet op voorhand uitsluiten dat het bezwaar van verzoeker redelijke kans van slagen heeft. Bij deze stand van zaken is de voorzieningenrechter dan ook van oordeel dat het belang van verzoeker om het bezwaar in Nederland af te wachten, zwaarder weegt dan het belang van verweerder om verzoeker uit te zetten.

Opgemerkt wordt dat het verzoek op zich al opschortende werking zou hebben gehad als het tijdig was ingediend. Er zijn geen redenen gegeven op grond waarvan verzoeker geen verwijt zou treffen ter zake van de te late indiening. Omdat het om een medische beoordeling gaat en dus om een groot belang, ziet de rechtbank er van af de gevolgen van de te late indiening voor verzoeker te laten.

Conclusie en gevolgen

5. De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening toe. De voorzieningenrechter treft de voorlopige voorziening dat verzoeker niet mag worden uitgezet tot vier weken nadat verweerder op het bezwaar heeft beslist en hij gedurende die termijn wordt behandeld als ware artikel 64 van de Vw op hem van toepassing is, zodat hij recht heeft op opvang op grond van artikel 3, derde lid, onder h, van de Rva.

De voorzieningenrechter veroordeelt verweerder in de door verzoeker gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 934,- (1 punt voor het indienen van het verzoekschrift).

Beslissing

De voorzieningenrechter:- wijst het verzoek om een voorlopige voorziening toe, in die zin dat verweerder wordt verboden verzoeker uit te zetten tot vier weken nadat op het bezwaarschrift is beslist;

- bepaalt dat verweerder verzoeker behandelt alsof hij zich thans feitelijk in dezelfde situatie bevindt als bedoeld in artikel 64 van de Vw;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten tot een bedrag van € 934,- te betalen aan verzoeker.

Deze uitspraak is gedaan door mr. T.N. van Rijn, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. M.M. Poortier, griffier.

Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Zittende Magistratuur

Griffier

  • mr. M.M. Poortier

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand