ECLI:NL:RBDHA:2026:25243

ECLI:NL:RBDHA:2026:25243

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 02-09-2026
Datum publicatie 02-09-2026
Zaaknummer NL26.38140
Rechtsgebied Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Roermond

Samenvatting

Persoonlijk onderhoud Asielprocedureverordening – Artikelen 12, lid 1, artikel 13, lid 11, en artikel 40, lid 4, van Verordening 2024/1348. Eiser dient vanuit bewaring een asielaanvraag in en trekt zijn aanvraag in voordat hij is gehoord over zijn asielmotieven. Verweerder beoordeelt de asielaanvraag desondanks inhoudelijk en wijst de aanvraag af als kennelijk ongegrond. De rechtbank stelt vast dat verweerder niet bevoegd is om een inhoudelijke afwijzende beslissing op de asielaanvraag te nemen zonder eiser te horen over zijn asielmotieven. Verweerder stelt over voldoende informatie te hebben beschikt. Dat is hiervoor echter niet bepalend. Doorslaggevend voor de beoordeling van het geschil is de omstandigheid dat eiser zijn asielaanvraag heeft ingetrokken voordat verweerder heeft vastgesteld dat eiser niet in aanmerking komt voor bescherming en dat deze vaststelling alleen zou hebben kunnen plaatsvinden nadat er een persoonlijk onderhoud heeft plaatsgevonden. Beroep gegrond.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser], V-nummer: [V-nummer], eiser,

de minister van Asiel en Migratie, verweerder,

Zittingsplaats Roermond

Bestuursrecht

zaaknummer: NL26.38140

(gemachtigde: mr. M.M.G. Crompvoets),

en

(gemachtigde: mr. I. Vugs).

Procesverloop

Eiser heeft op 2 juli 2026 een asielaanvraag ingediend.

Eiser heeft op 6 juli 2026 een M35 ondertekend en daarmee te kennen gegeven zijn asielaanvraag in te trekken.

Verweerder heeft met het bestreden besluit van 7 juli 2026 de asielaanvraag in de versnelde asielprocedure afgewezen als kennelijk ongegrond. Dit besluit omvat een terugkeerbesluit en een inreisverbod voor de duur van twee jaar.

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.

De rechtbank heeft het beroep op 30 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: mr. M. van den Boom-Ulyashyna, waarnemer van de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van verweerder. Eiser wordt ten tijde van het onderzoek ter zitting in vreemdelingenbewaring gehouden in het detentiecentrum in Rotterdam. De gemachtigde van eiser heeft verzocht eiser aan te voeren ten behoeve van de zitting. De rechtbank heeft het vervoer voor eiser geregeld. Eiser heeft vervolgens middels een door hem ondertekende afstandsverklaring aangegeven niet te zullen verschijnen.

Beoordeling door de rechtbank

1. Het asielrelaas van eiser bevat volgens verweerder als asielmotieven de door eiser gestelde identiteit, nationaliteit en herkomst. Verweerder heeft de identiteit van eiser niet geloofwaardig geacht. De nationaliteit en herkomst heeft verweerder wel geloofwaardig geacht.

2. Eiser voert aan dat zijn asielaanvraag ten onrechte is afgewezen als kennelijk ongegrond omdat hij niet is gehoord voordat inhoudelijk op zijn asielaanvraag is beslist. Eiser heeft in een gesprek met DT&V aangegeven dat hij zijn asielaanvraag wilde intrekken. DT&V is echter geen beslisautoriteit en niet bevoegd om vast te stellen dat eiser zijn asielaanvraag intrekt. Daarnaast heeft eiser recht op een persoonlijk onderhoud over de inhoud van zijn verzoek voordat over de gegrondheid hiervan wordt beslist. Verweerder heeft ten onrechte een strafrechtelijk verhoor en het vertrekgesprek gebruikt als bewijsmiddel. Dit zijn geen persoonlijke onderhouden die worden afgenomen door de beslisautoriteit. Eiser is daarbij van mening dat de volledige ex nunc-toets van de rechter niet in de plaats kan komen van het ontbrekende persoonlijk onderhoud omdat het onderzoek ter zitting niet de waarborgen uit de Procedureverordening biedt. Omdat er geen persoonlijk onderhoud heeft plaatsgevonden, kan ook de geloofwaardigheidsbeoordeling geen stand houden. De beoordeling is tegenstrijdig en onvoldoende dragend. Verder voert eiser aan dat sprake is van schending van de hoorplicht en het verdedigingsbeginsel bij het opleggen van het terugkeerbesluit en inreisverbod. Eiser voert ook aan dat geen van de vijf gronden voor kennelijk ongegrondheid van toepassing is. Volgens eiser heeft verweerder de belangen in het kader van artikel 8 van het EVRM onvoldoende gemotiveerd, heeft verweerder geen medisch advies gevraagd en de reisvaardigheid van eiser zelfstandig beoordeeld en heeft verweerder niet beoordeeld of eiser behoefte heeft aan bijzondere procedurele waarborgen.

3. Verweerder stelt zich op het standpunt dat hij op grond van Verordening 2024/1348 bevoegd is tot het afwijzen van de asielaanvraag van eiser zonder eiser te horen over zijn asielmotieven.

4. De rechtbank zal het beroep gegrond verklaren en motiveert dit als volgt.

5. De rechtbank overweegt allereerst dat eiser zijn asielaanvraag op 6 juli 2026 rechtsgeldig heeft ingetrokken. Dat eiser zijn voornemen om zijn asielaanvraag in te trekken kenbaar heeft gemaakt aan DT&V en DT&V eiser in de gelegenheid heeft gesteld om de M35 in te vullen en te ondertekenen is voor deze vaststelling niet relevant. DT&V is geen beslissingsautoriteit en dus niet bevoegd om de gegrondheid van een asielaanvraag te beoordelen maar DT&V heeft een dergelijke beslissing ook niet genomen. In het Unierecht is niet bepaald welke autoriteiten een verzoeker in de gelegenheid kunnen stellen om een ingediend verzoek expliciet in te trekken. Wel is geregeld op welke wijze verzoeken kunnen worden ingetrokken en wanneer een verzoek als impliciet ingetrokken mag worden beschouwd. Eiser is meerderjarig en kan zelfstandig en zonder tussenkomst en advies van zijn gemachtigde zijn asielaanvraag intrekken en heeft dat dus ook gedaan. Dat eiser tegelijkertijd stelt dat hij niet kan terugkeren naar zijn land van herkomst vanwege het refoulementrisico laat onverlet dat hij zijn asielaanvraag heeft ingetrokken. Eiser hoeft geen asielaanvraag in te dienen om beschermd te worden tegen refoulement. Deze beoordeling zal indien geen asielaanvraag is ingediend of indien een dergelijke aanvraag is ingetrokken dan plaatsvinden in de terugkeerprocedure.

6. Eiser heeft zijn asielaanvraag ingetrokken voordat hij door verweerder is gehoord over zijn asielmotieven. Verweerder heeft evenwel een inhoudelijke beslissing genomen over de gegrondheid van het -ingetrokken- asielverzoek. Partijen zijn met name verdeeld of Verordening 2024/1348 hiervoor de bevoegdheid aan verweerder verleent. De rechtbank stelt vast dat dit niet het geval is. Uit artikel 34, lid 1, van Verordening 2024/1348, dat ziet op de behandeling van verzoeken om internationale bescherming, volgt dat de behandeling van en de beslissing over verzoeken om internationale bescherming plaatsvinden overeenkomstig de in hoofdstuk II beschreven fundamentele beginselen en waarborgen.

7. In artikel 12 van Verordening 2024/1348 is onder meer het navolgende bepaald:

(…)

Inhoudelijk onderhoud

1. Voordat de beslissingsautoriteit een beslissing over de gegrondheid van een verzoek om internationale bescherming neemt, wordt de verzoeker in de gelegenheid gesteld een persoonlijk onderhoud te hebben over de inhoud van zijn of haar verzoek (het “inhoudelijk onderhoud”). (…)

(…).

8. Verweerder heeft eiser niet gehoord, maar stelt onder verwijzing naar artikel 40, lid 4, van Verordening 2024/1348 en artikel 30b, lid 2, aanhef en onder a Vw te mogen beslissen over de gegrondheid van de asielaanvraag.

9. In artikel 40, lid 4, van Verordening 2024/1348 is het navolgende bepaald:

(…)

4. Indien de beslissingsautoriteit in de fase waarin het verzoek expliciet wordt ingetrokken door de verzoeker reeds heeft vastgesteld dat de verzoeker niet in aanmerking komt voor internationale bescherming op grond van Verordening 2024/1347, kan zij nog steeds een beslissing nemen tot afwijzing van het verzoek als zijnde ongegrond of kennelijk ongegrond.

(…).

10. De rechtbank overweegt dat uit deze bepaling niet volgt dat verweerder zonder eiser te horen kan vaststellen dat eiser niet in aanmerking komt voor bescherming. Artikel 12, lid 1, van Verordening 2024/1348 staat hieraan ook in de weg. Indien verweerder, die de beslissingsautoriteit in de nationale procedure is, eiser wel zou hebben gehoord over zijn asielmotieven en dan -kenbaar- zou hebben vastgesteld dat aan eiser geen bescherming hoeft te worden verleend, en eiser daarna zijn asielaanvraag expliciet intrekt, kan verweerder een inhoudelijke beslissing nemen op de asielaanvraag. Verweerder brengt geen voornemens meer uit. Een voornemen waarin zou zijn gemotiveerd waarom geen bescherming hoeft te worden verleend zou wel de bevoegdheid verlenen om de asielaanvraag als (kennelijk) ongegrond af te wijzen als de vreemdeling zijn asielaanvraag intrekt na het voornemen en voordat het besluit is genomen. In de onderhavige procedure stelt verweerder pas in het besluit vast dat eiser niet in aanmerking komt voor bescherming en dat is nadat eiser zijn aanvraag heeft ingetrokken zodat artikel 40, vierde lid, van Verordening 2024/1348 geen bevoegdheid verleent aan verweerder om de asielaanvraag af te wijzen kennelijk ongegrond.

11. Verweerder heeft erkend dat zijn besluit is genomen na de intrekking, maar stelt dat het niet altijd noodzakelijk is om eerst te horen. Verweerder heeft om deze stelling te onderbouwen naar jurisprudentie van de Afdeling en een rechtbank verwezen. Deze jurisprudentie ziet echter niet op Verordening 2024/1348 en is daarom niet relevant voor deze procedure. De Uniewetgever heeft in artikel 13, lid 11, van Verordening 2024/1347 de situaties opgesomd waarin kan worden afgezien van een persoonlijk onderhoud. Ook hieruit kan worden afgeleid dat verweerder niet zelfstandig kan bepalen dat in de onderhavige procedure ondanks het ontbreken van een persoonlijk onderhoud een inhoudelijke (afwijzende) beslissing kan worden genomen op de asielaanvraag. De rechtbank heeft verweerder ter zitting gevraagd waarom verweerder zoveel belang hecht aan de mogelijkheid om een inhoudelijke beslissing te kunnen nemen. Verweerder heeft daarop te kennen gegeven een belang te hebben bij een inhoudelijke afdoening van de procedure in verband met de afdoeningsmogelijkheden indien een opvolgend verzoek om bescherming zou worden ingediend. De rechtbank stelt vast dat dit ‘belang’ in Verordening 2024/1348 niet is aangemerkt als een rechtvaardiging om af te wijken van het uitgangspunt dat een verzoeker in de gelegenheid wordt gesteld om de elementen aan te voeren ter staving van zijn of haar verzoek overeenkomstig Verordening (EU) 2024/1347. Weliswaar heeft eiser zijn verzoek ingetrokken en dus geen gebruik gemaakt van een mogelijkheid om een persoonlijk onderhoud te hebben. Dit betekent niet dat de procedure door verweerder dan kan worden afgerond door het nemen van een (afwijzende) beslissing over de gegrondheid van het verzoek.

12. Verweerder heeft in het verweerschrift voorts het navolgende opgemerkt:

(…)

Verweerder wijst er op dat noch uit het vierde lid van artikel 40 van de Procedureverordening, noch uit de Vreemdelingenwet, de Memorie van Toelichting of de Vreemdelingencirculaire volgt dat alleen na een persoonlijk onderhoud een expliciet ingetrokken asielaanvraag als (kennelijk) ongegrond kan worden afgewezen. In de Vreemdelingencirculaire staat bovendien dat de IND bij de beoordeling of er voldoende informatie voorhanden is om inhoudelijk te beslissen onder meer het persoonlijk onderhoud kan betrekken (Paragraaf C4/4.2 Vc, als gepubliceerd in de WBV 2026/8). Daarnaast kan overgelegde documentatie en ambtshalve bekende informatie worden betrokken. Dat heeft verweerder in onderhavig geval ook gedaan.

(…)

13. De rechtbank overweegt dat artikel 40, lid 4, van Verordening 2024/1348 geen betrekking heeft op het persoonlijk onderhoud en de specifieke vereisten die daaraan worden gesteld. Omdat in artikel 12, lid 1, van Verordening 2024/1348 uitdrukkelijk en zonder enig voorbehoud is bepaald dat voordat de beslissingsautoriteit een beslissing over de gegrondheid van een verzoek om internationale bescherming neemt, een persoonlijk onderhoud moet plaatsvinden en in artikel 13, lid 11, van Verordening 2024/1347 de uitzonderingen op dit uitgangspunt zijn neergelegd, komt aan de opmerking van verweerder dat in andere bepalingen in Verordening 2024/1348 of in de Vw, MvT of Vc dit niet is herhaald geen betekenis toe. In deze procedure is overigens niet de vraag welke informatie verweerder mag betrekken bij de beoordeling van de asielaanvraag van eiser. Doorslaggevend voor de beoordeling van het geschil is de omstandigheid dat eiser zijn asielaanvraag heeft ingetrokken voordat verweerder heeft vastgesteld dat eiser niet in aanmerking komt voor bescherming en dat deze vaststelling alleen zou hebben kunnen plaatsvinden nadat er een persoonlijk onderhoud heeft plaatsgevonden.

14. Dat verweerder is aangewezen als de beslissingsautoriteit en een persoonlijk onderhoud zoals bedoeld in artikel 12 van Verordening 2024/1348 dus alleen kan plaatsvinden als verweerder de derdelander hoort, is in deze procedure dan ook niet bepalend. De informatie die door anderen is vergaard en op grond waarvan verweerder heeft beslist dat eiser geen bescherming behoeft heeft immers niet tot een ‘vaststelling’ zoals bedoeld in artikel 40, lid 4, van Verordening 2024/1347 geleid. Verweerder is na de intrekking van de asielaanvraag dus niet bevoegd geweest om een inhoudelijke afwijzende beslissing te nemen ook al heeft verweerder, zoals hij zelf stelt, over voldoende informatie beschikt om die beslissing te kunnen nemen.

15. Verweerder heeft voorts aangegeven dat ook indien hij niet bevoegd zou zijn geweest om op de asielaanvraag te beslissen, hij een terugkeerbesluit had moeten vaststellen. In dat geval zou verweerder, zo stelt verweerder onder verwijzing naar het arrest Ararat, ook een refoulementbeoordeling hebben gemaakt op grond van de beschikbare informatie. De rechtbank overweegt dat verweerder op grond van de beschikbare informatie had kunnen vaststellen dat na de intrekking van de asielaanvraag sprake is van illegaal verblijf en dat Tunesië als land van terugkeer kan worden aangemerkt. Verweerder had eiser evenwel dan uitdrukkelijk moeten horen over de in artikel 5 van richtlijn 2008/115 genoemde belangen en het beginsel van non-refoulement alvorens een terugkeerbesluit vast te stellen. De rechtbank begrijpt dat verweerder naar mogelijkheden zoekt om zijn capaciteit efficiënt in te zetten en dat verweerder die inspanningen ook verricht in procedures zoals de onderhavige waarin asielaanvragen worden ingediend om de terugkeer te frustreren. Ook in deze gevallen kan verweerder zijn Unierechtelijke verplichtingen om zorgvuldig te handelen echter niet omzeilen en zal hij de procedurele voorschriften en vereisten in acht moeten nemen. Verweerder had dus in de gegeven omstandigheden alleen op grond van artikel 40, lid 3, van Verordening 2024/1348 een beslissing kunnen nemen waarin wordt verklaard dat het verzoek expliciet is ingetrokken.

16. De rechtbank zal het besluit dan ook vernietigen omdat de beroepsgrond die hierop ziet slaagt. De rechtbank komt niet toe aan de beoordeling van de andere geschilpunten en komt niet toe aan de rechtmatigheidsbeoordeling van het terugkeerbesluit. De rechtbank zal niet zelf voorzien in de zaak omdat het allereerst aan verweerder is om te beslissen of hij gebruik maakt van zijn bevoegdheid om een beslissing zoals bedoeld in artikel 40, lid 3, van Verordening 2024/1348 te nemen, dan wel een zelfstandig terugkeerbesluit wil vaststellen. De rechtbank zal daarvoor een termijn van vier weken bepalen. De rechtbank zal niet voldoen aan het verzoek van eiser om verweerder op te dragen om alsnog een persoonlijk onderhoud met eiser te laten plaatsvinden. Eiser heeft zijn asielaanvraag immers ingetrokken zodat verweerder niet bevoegd maar ook niet langer verplicht is om te beoordelen of aan eiser een asielvergunning moet worden verleend.

17. Omdat het beroep gegrond is, krijgt eiser een vergoeding van zijn proceskosten. De rechtbank bepaalt de hoogte van deze vergoeding op € 1.868,- omdat de gemachtigde van eiser een beroepschrift heeft ingediend en haar waarnemer aan de zitting heeft deelgenomen.

18. Beslist wordt als volgt.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het besluit van 7 juli 2026;

- draagt verweerder op om binnen vier weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen met in achtneming van deze uitspraak;

- veroordeelt verweerder tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan eiser.

Deze uitspraak is gedaan door mr. S. van Lokven, rechter, in aanwezigheid van mr.M.M.M.F. Roijen, griffier.

Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op: 2 september 2026.

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen twee weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Zittende Magistratuur

Rechter

  • mr. S. van Lokven

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand