RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , V-nummer: [v-nummer] , eiser
de minister van Asiel en Migratie, verweerder
Zittingsplaats Rotterdam
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.41390
(gemachtigde: mr. A.D. Kupelian),
en
(gemachtigde: mr. A.E. van der Burg).
Procesverloop
1. Met het bestreden besluit van 22 juli 2026 heeft verweerder aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd en de rechtbank daarvan in kennis gesteld.
Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Het beroep wordt ook aangemerkt als een verzoek om schadevergoeding.
De rechtbank heeft het beroep op 28 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: mr. H. Palanciyan als waarnemer van de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van verweerder.
Beoordeling door de rechtbank
Toetsingskader
2. Verweerder kan als het belang van de openbare orde of de nationale veiligheid dat vordert, de vreemdeling die geen rechtmatig verblijf heeft in vreemdelingenbewaring stellen. Verweerder stelt een vreemdeling slechts in vreemdelingenbewaring, voor zover geen minder dwingende maatregelen doeltreffend kunnen worden toegepast en de vreemdelingenbewaring blijft achterwege of wordt beëindigd, indien deze niet langer noodzakelijk is met het oog op het doel van de vreemdelingenbewaring. Deze vreemdeling kan in vreemdelingenbewaring worden gesteld op grond dat het belang van de openbare orde of nationale veiligheid zulks vordert, indien a) een onderduikrisico bestaat, of b) de vreemdeling de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert. De maatregel kan alleen worden opgelegd wegens het bestaan van een onderduikrisico, indien ten minste twee van de gronden, genoemd in artikel 5.6, tweede lid, van het Vb zich voordoen.
De aan eiser opgelegde maatregel van vreemdelingenbewaring
3. Verweerder heeft aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd. In deze maatregel staat dat de openbare orde de maatregel vordert, omdat het risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken.
In de maatregel heeft verweerder als gronden vermeld dat eiser:
a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan, waarbij de vreemdeling zich gedurende enige tijd aan het toezicht heeft onttrokken of zich zonder toestemming tussen de lidstaten van de Europese Unie beweegt;b. eerder een besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht de Europese Unie dan wel Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;p. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden;r. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;s. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
Kunnen de door verweerder vermelde gronden de maatregel dragen?
4. Eiser voert aan dat grond b hem niet mocht worden tegengeworpen, omdat eiser enige tijd in het Roemenië is geweest. Hij heeft daarom aan zijn vertrekplicht voldaan.
Weliswaar betwist eiser dat grond b aan hem kan worden tegengeworpen, maar de overblijvende gronden zijn voldoende om de maatregel te dragen. Daarom kan worden aangenomen dat er een onderduikrisico bestaat.
Voortvarend handelen
5. Eiser stelt zich op het standpunt dat verweerder onvoldoende voortvarend aan eisers uitzetting werkt. Verweerder heeft namelijk enkel een vertrekgesprek gevoerd, maar het is bijvoorbeeld nog niet bekend of er een aanvraag voor een laissez-passer is ingediend.
De rechtbank ziet in hetgeen eiser heeft aangevoerd geen aanleiding om te oordelen dat verweerder onvoldoende voortvarend heeft gehandeld. Uit de door verweerder verstrekte aanbiedingsbrief blijkt dat eiser op 22 juli 2026 in bewaring is gesteld, waarna op 27 juli 2026 een vertrekgesprek is gevoerd met hem en ook diezelfde dag een aanvraag voor een laissez-passer is ingevuld en verzonden. Gelet op dit tijdpad, oordeelt de rechtbank dat verweerder voldoende voortvarend werkt aan eisers uitzetting. Deze beroepsgrond slaagt niet. Had verweerder moeten volstaan met een lichter middel?
6. Eiser voert aan dat verweerder had moeten volstaan met een lichter middel en dat het niet toepassen van een lichter middel onvoldoende is gemotiveerd. Eiser heeft geopperd dat een meldplicht ook kon worden opgelegd. Ondertussen zou hij samen met zijn vader identiteitsdocumenten kunnen verzamelen.
Deze beroepsgrond slaagt niet. Bij de beantwoording van de vraag of verweerder met toepassing van een lichter middel had moeten volstaan, beoordeelt de rechtbank of verweerder zich terecht op het standpunt stelt dat geen andere afdoende maar minder dwingende maatregelen dan de inbewaringstelling doeltreffend konden worden toegepast. Daarbij past een grondig onderzoek naar de feitelijke elementen van het concrete geval en een specifieke motivering van de minister: verwijzing naar de vreemdelingenbewaringsgronden volstaat daarvoor niet.
Verweerder stelt zich, gelet op wat hierboven is geoordeeld over de gronden die aan de maatregel ten grondslag zijn gelegd, terecht op het standpunt dat in dit geval geen andere afdoende, maar minder dwingende maatregelen dan de inbewaringstelling doeltreffend konden worden toegepast. De reden hiervoor is dat uit de gronden voor de maatregel een onderduikrisico volgt. Door dit onderduikrisico kan eisers uitzetting enkel door toepassing van de maatregel van bewaring worden gewaarborgd. Verder zijn er geen medische en/of persoonlijke omstandigheden aangevoerd waaruit volgt dat inbewaringstelling onredelijk bezwarend is voor eiser. Deze beroepsgrond slaagt niet. Opbouwen van een bestendig verblijf buiten Nederland
7. Eiser voert aan dat verweerder onvoldoende heeft onderzocht of hij in het buitenland een bestendig verblijf heeft opgebouwd. Hij is namelijk in Roemenië geweest.
De rechtbank overweegt dat eiser voor het laatst op 13 januari 2026 is uitgezet naar Roemenië. In het gehoor voorafgaand aan de huidige maatregel van bewaring verklaarde eiser dat hij toen zijn in Roemenië wonende grootmoeder heeft bezocht en ook dat hij niet heeft gewerkt in Roemenië. Hieruit volgt dat hij na zijn uitzetting naar Roemenië niet een bestendig verblijf heeft opgebouwd buiten Nederland. De rechtbank verenigt zich met verweerders standpunt dat het aan eiser is om aan te tonen dat hij een bestendig verblijf heeft opgebouwd buiten Nederland en dat eiser dit niet heeft bewezen. Er is dan ook niet gebleken dat eiser zijn verblijf in Nederland effectief heeft beëindigd. Deze beroepsgrond treft geen doel.
Leidt ambtshalve toetsing tot een ander oordeel?
8. Los van de door eiser aangevoerde gronden, ziet de rechtbank in de door verweerder en eiser verstrekte gegevens geen grond om te komen tot het oordeel dat aan de rechtmatigheidsvoorwaarden voor deze maatregel niet is voldaan.
Conclusie en gevolgen
9. Het beroep tegen de maatregel van vreemdelingenbewaring is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank:
Deze uitspraak is gedaan door mr. A. Hello, rechter, in aanwezigheid van mr. S.A. Vroegop, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen één week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier.