RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , V-nummer: [v-nummer] , eiser
de minister van Asiel en Migratie, verweerder
Zittingsplaats Rotterdam
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.41415
(gemachtigde: mr. A. Alam-Khan),
en
(gemachtigde: mr. A.E. van der Burg).
Procesverloop
1. Met het bestreden besluit van 22 juli 2026 heeft verweerder aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd en de rechtbank daarvan in kennis gesteld.
Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Het beroep wordt ook aangemerkt als een verzoek om schadevergoeding.
De rechtbank heeft het beroep op 28 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, mr. P. Frimpong als waarnemer van de gemachtigde van eiser, de heer A.A. Fawzy als tolk en de gemachtigde van verweerder.
Beoordeling door de rechtbank
Toetsingskader
2. Verweerder kan de vreemdeling in vreemdelingenbewaring stellen als de voor de terugkeer van de vreemdeling noodzakelijke bescheiden voorhanden zijn, dan wel binnen korte termijn voorhanden zullen zijn, tenzij de vreemdeling rechtmatig verblijf heeft gehad op grond van artikel 8, onder a tot en met e, en l, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw). Verweerder stelt een vreemdeling slechts in vreemdelingenbewaring, voor zover geen minder dwingende maatregelen doeltreffend kunnen worden toegepast en de vreemdelingenbewaring blijft achterwege of wordt beëindigd, indien deze niet langer noodzakelijk is met het oog op het doel van de vreemdelingenbewaring.
De aan eiser opgelegde maatregel van vreemdelingenbewaring
3. Verweerder heeft aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd, zoals bedoeld in artikel 59, tweede lid, Vw. In deze maatregel staat dat de openbare orde de maatregel vordert, omdat de voor de terugkeer van de vreemdeling noodzakelijke bescheiden voorhanden zijn, dan wel binnen korte tijd voor handen zullen zijn.
Uitzetting naar Zweden
4. Eiser voert aan dat hij onvoldoende bescherming zal hebben in Zweden, omdat hij niet wordt beschermd tegen bendegeweld en zich onveilig voelt in Zweden. Hij wil dan ook vanuit Nederland rechtstreeks terugkeren naar Syrië, in plaats van vertrekken naar Syrië vanuit Zweden. Eiser voegt hieraan toe dat in Nederland de Dienst Terugkeer en Vertrek (DT&V) een vertrek naar Syrië in orde kan maken. Ook kan in Nederland de Internationale Organisatie voor Migratie (IOM) een persoon op weg helpen bij diens vertrek. Het is onbekend of er in Zweden organisaties zijn als deze die daadwerkelijk terugkeer voor iemand mogelijk te maken, aldus eiser.
Verweerder stelt zich op het standpunt dat Nederland niet de verantwoordelijke lidstaat is om eiser terug te laten keren naar Syrië. Eiser dient zich na de overdracht tot de Zweedse autoriteiten te wenden om daar zijn terugkeer naar Syrië voor te bereiden.
In hetgeen eiser heeft aangevoerd, ziet de rechtbank geen reden om de maatregel van bewaring onrechtmatig te achten. De rechtbank stelt voorop dat Zweden de verantwoordelijke lidstaat is voor eiser. Het is dan ook niet aan de Nederlandse autoriteiten om een beslissing te nemen over een rechtstreekse uitzetting naar Syrië. Verder staat vast dat eiser internationale bescherming heeft gekregen in Zweden. Nu eiser reeds internationale bescherming heeft gekregen van Zweden, behoeft het beginsel van non-refoulement geen toetsing. De door eiser aangedragen omstandigheid dat hij gevaar loopt om slachtoffer te worden van bendegeweld, die niet is onderbouwd, verandert de conclusie van de rechtbank niet. Eiser zal met de Zweedse justitie contact moeten opnemen in het geval hij slachtoffer denkt te worden van geweld. Voor wat betreft het gestelde ontbreken van organisaties in Zweden die personen helpen terugkeren naar hun land van herkomst, gaat de rechtbank niet in eisers betoog mee. De stelling dat terugkeer vanuit Zweden niet mogelijk is, is niet toegelicht en naar het oordeel van de rechtbank ook onaannemelijk. Deze beroepsgrond slaagt niet.
Leidt ambtshalve toetsing tot een ander oordeel?
5. Los van de door eiser aangevoerde gronden, ziet de rechtbank in de door verweerder en eiser verstrekte gegevens geen grond om te komen tot het oordeel dat aan de rechtmatigheidsvoorwaarden voor deze maatregel niet is voldaan.
Conclusie en gevolgen
Beslissing
6. Het beroep tegen de maatregel van vreemdelingenbewaring is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.
De rechtbank:
Deze uitspraak is gedaan door mr. A. Hello, rechter, in aanwezigheid van mr. S.A. Vroegop, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen één week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier.