Voorlopige voorzieningen
Beschikking op het op 1 juni 2026 ingekomen verzoek van:
[de vader] ,
de vader,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. M.E. Kreber te Zoetermeer .
Als belanghebbende wordt aangemerkt:
[de moeder] ,
de moeder,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. A. Sangar te Rotterdam.
Procedure
De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:
Op 20 juli 2026 is de zaak op de zitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen:
- de vader, bijgestaan door zijn advocaat;
- de moeder, bijgestaan door haar advocaat;
- [naam] , namens de Raad voor de Kinderbescherming (de Raad).
Van de zijde van de vader zijn pleitnotities overgelegd.
Verzoek en verweer
Het verzoek van de vader strekt ertoe dat:
I. het uitsluitend gebruik van de echtelijke woning aan de [adres] te [plaats 1] wordt toebedeeld aan de vader;
II. de zorgregeling ten aanzien van [minderjarige] zal zijn conform de regeling benoemd onder randnummer 3.3 van het verzoekschrift van de vader:
* van zaterdag 15.00 uur tot dinsdag 9.00 uur bij moeder, en
* van dinsdag 17.00 uur tot zaterdag 15.00 uur bij de vader,
waarbij de vader [minderjarige] op zaterdag naar de moeder brengt en de moeder [minderjarige] op dinsdag naar de opvang brengt, [minderjarige] tot dinsdag 17.00 uur onder verantwoordelijkheid van de moeder valt en van woensdag tot zaterdag 15.00 uur onder verantwoordelijkheid van de vader.
Althans te oordelen zoals de rechtbank goed acht.
De moeder voert verweer (I.) welk verweer hierna – voor zover nodig – zal worden besproken.
Tevens verzoekt de moeder zelfstandig nog:
II. primair:
te bepalen dat de moeder bij uitsluiting gerechtigd zal zijn tot het gebruik van de echtelijke woning aan de [adres] te [plaats 1] gedurende de perioden dat de minderjarige [minderjarige] ingevolge de door de rechtbank vast te stellen voorlopige zorgregeling bij de moeder verblijft, en te bevelen dat de vader gedurende die perioden de woning dient te verlaten en deze niet zal betreden;
te bepalen dat de vader bij uitsluiting gerechtigd zal zijn tot het gebruik van de echtelijke woning aan de [adres] te [plaats 1] gedurende de perioden dat de minderjarige [minderjarige] ingevolge de door de rechtbank vast te stellen voorlopige zorgregeling bij de vader verblijft, en te bevelen dat de moeder gedurende die perioden de woning dient te verlaten en deze niet zal betreden;
III. subsidiair, voor het geval de rechtbank het onder II. verzochte afwijst:
te bepalen dat de minderjarige [minderjarige] voorlopig aan de moeder wordt toevertrouwd;
een voorlopige zorgregeling vast te stellen, inhoudende dat [minderjarige] drie weekenden per maand van vrijdag (na school) tot zondag 16.00 uur bij de vader verblijft, alsmede gedurende twee derde van de schoolvakanties, althans een zodanige voorlopige zorgregeling vast te stellen als de rechtbank in het belang van [minderjarige] juist acht;
IV. althans een zodanige voorlopige voorziening te treffen als de rechtbank in goede justitie vermeent te behoren.
De vader voert verweer welk verweer hierna – voor zover nodig – zal worden besproken.
Feiten
- Partijen zijn op [datum] 2022 te [plaats 2] gehuwd;
- Zij zijn de ouders van [minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2022 te
[geboorteplaats] ;
- Op 20 april 2026 heeft de vader een verzoek tot echtscheiding ingediend; die zaak is bekend bij deze rechtbank onder zaaknummer C/09/703747.
Beoordeling uitsluitend gebruik echtelijke woning en voorlopige zorgregeling
Standpunt van de vader
De vader verzoekt het uitsluitend gebruik van de echtelijke woning. De moeder heeft, volgens de vader, de echtelijke woning op 2 april 2026 verlaten en verblijft sindsdien bij haar ouders in [plaats 3] en ook, voor zover hem bekend, in haar kantoor in [plaats 1] . De vader heeft gesteld dat hij zijn werk verricht vanuit de woning, hij de hoofdhuurder is, de huur voldoet en zijn broer regelmatig in de woning verblijft, zodat hij het meeste belang heeft bij het gebruik van de woning. Bovendien stelt de vader dat hij het huurrecht zal verkrijgen en na de echtscheiding in de woning zal blijven. Op dit moment is [minderjarige] bij de vader is van dinsdagmiddag 17.00 uur (uit de opvang) tot zaterdagmiddag. De vader brengt [minderjarige] dan om 15.00 uur bij de moeder op haar kantoor. De moeder brengt [minderjarige] vervolgens op dinsdagochtend naar de opvang. Wat de vader betreft zou deze regeling door moeten lopen. Tijdens de mondelinge behandeling heeft de vader aangegeven dat als [minderjarige] vanaf 31 augustus 2026 naar school gaat in [plaats 1] , hij wil dat [minderjarige] op maandagen niet bij de moeder verblijft als zij in [plaats 3] is. [minderjarige] kan dan volgens de vader ieder weekend vanaf vrijdagmiddag tot zondag bij de moeder verblijven in [plaats 3] .
Standpunt van de moeder
De moeder voert verweer. De moeder voert aan dat de woning voor de vader niet noodzakelijk is voor zijn werk, dat partijen samen gebruik kunnen maken van de woning, ze geen alternatieve woonruimte heeft in de regio, ze de huur kan betalen en [minderjarige] er belang bij heeft dat zij in haar vertrouwde woonomgeving kan blijven. Zij acht een birdnestingsregeling het meest in het belang van [minderjarige] . Juist nu zij op 31 augustus 2026 zal starten op de basisschool in [plaats 1] . Volgens de moeder kunnen de ouders prima afspraken maken over [minderjarige] . Voor de moeder en [minderjarige] is het heen en weer rijden tussen [plaats 3] en [plaats 1] niet langer vol te houden. De vader kan, als de moeder in de woning verblijft, bij zijn moeder in [plaats 1] terecht. Gelet op de leeftijd van [minderjarige] , haar behoefte aan stabiliteit en de omstandigheid dat zij binnenkort naar de basisschool gaat, acht de moeder een week-op-week-afregeling passend, waarbij [minderjarige] in de echtelijke woning in de even weken met de moeder verblijft en in de oneven weken met de vader, met een wisselmoment op zondag om 18.00 uur. Subsidiair verzoekt zij [minderjarige] voorlopig aan haar toe te vertrouwen en een zorgregeling vast te stellen waarbij [minderjarige] de drie weekenden per maand van vrijdag (na school) tot zondag bij de vader verblijft en twee derde van de schoolvakanties. Tijdens de mondelinge behandeling heeft de moeder gesteld dat [minderjarige] in dat geval wellicht beter in [plaats 3] naar school zou kunnen gaan. Tot slot heeft de moeder tijdens de mondelinge behandeling toegelicht dat de broer weliswaar staat ingeschreven in het Basisregister Personen op het adres van de woning, maar dat hij tijdens de samenwoning daar feitelijk niet verbleef.
Overwegingen van de rechtbank
De rechtbank stelt voorop dat zij het in het belang van [minderjarige] acht dat zij in [plaats 1] naar school gaat. Beide ouders hebben verklaard dat [minderjarige] in [plaats 1] is opgegroeid en bij voorkeur daar ook naar de basisschool zal moeten gaan. Beide ouders willen namelijk ook zelf in [plaats 1] blijven wonen maar zij beschikken op dit moment niet over andere woonruimte in [plaats 1] . De vader heeft grote bezwaren tegen de door de moeder verzochte birdnestingsregeling.
Het belang van [minderjarige] dat haar leven zo veel mogelijk ongestoord verder gaat tijdens de echtscheiding van haar ouders en dat zij in [plaats 1] naar school kan, vindt de rechtbank het zwaarste wegen. Als de rechtbank de vader zou volgen in zijn verzoek, dan zou dat betekenen dat [minderjarige] vanaf 31 augustus 2026 elk weekend van vrijdagmiddag tot zondag in [plaats 3] zou verblijven bij de moeder. Elke weekend zou [minderjarige] dan een (enkele) reistijd van anderhalf uur hebben tussen [plaats 1] en [plaats 3] . De rechtbank acht die situatie, mede gelet op de jonge leeftijd van [minderjarige] , niet wenselijk. De rechtbank vindt daarom voorlopig een birdnestingsregeling het meeste in het belang van [minderjarige] , te meer omdat de moeder heeft verklaard binnen vier tot vijf maanden over woonruimte in (de nabijheid van) [plaats 1] te kunnen beschikken.
De rechtbank zal als voorlopige voorziening vanaf 31 augustus 2026 een birdnestingsregeling vaststellen. Vanaf dat moment gaat [minderjarige] namelijk naar de basisschool. Tot dat moment loopt de huidige regeling door. Dit geeft de vader ook de tijd om aanpassingen door te voeren, zodat hij vanaf 31 augustus 2026 op afstand kan werken, dan wel de server op een andere locatie kan plaatsen en vanaf die plek kan werken. Gelet op de verklaring van de moeder tijdens de mondelinge behandeling dat zij binnen vier tot vijf maanden andere woonruimte in (de nabijheid van) [plaats 1] kan vinden, zal de rechtbank de birdnestingsregeling per 31 augustus 2026 vaststellen voor maximaal vier maanden, dus maximaal tot en met 31 december 2026. De moeder moet dan uiterlijk op die datum de woning hebben verlaten. De rechtbank gaat ervan uit dat de ouders geen nieuwe partner mee zullen nemen naar de woning. Dat is momenteel te verwarrend voor [minderjarige] .
De rechtbank acht een week-op-week-afregeling niet in het belang van [minderjarige] gezien haar jonge leeftijd. In dat geval zou zij namelijk een week lang geen (fysiek) contact met de andere ouder hebben en te lang van één van de ouders zijn gescheiden. Ook acht de rechtbank het van belang dat elke ouder weekenden met [minderjarige] kan doorbrengen. De rechtbank legt daarom de volgende voorlopige zorgregeling vast:
- vanaf 31 augustus 2026, de eerste week:
- is moeder samen met [minderjarige] van maandag 12:00 uur tot woensdag 12:00 uur in de woning;
- de moeder brengt [minderjarige] op woensdagochtend naar school en de vader haalt haar woensdagmiddag op bij school;
- de vader zal woensdag vanaf 12:00 uur in de woning samen met [minderjarige] verblijven tot vrijdag 12:00 uur;
- de vader brengt [minderjarige] vrijdagochtend naar school en de moeder haalt haar vrijdagmiddag op;
- de moeder zal vrijdag vanaf 12:00 uur in de woning verblijven; zij is het weekend dan met [minderjarige] in de woning.
- de daaropvolgende week:
- brengt de moeder [minderjarige] op maandagochtend naar school en de vader haalt haar op maandagmiddag op;
- de vader zal van maandag 12:00 uur tot woensdag 12:00 uur in de woning verblijven;
- de vader brengt [minderjarige] op woensdagochtend naar school en de moeder haalt haar woensdagmiddag op bij school;
- de moeder zal woensdag vanaf 12:00 uur in de woning samen met [minderjarige] verblijven tot vrijdag 12:00 uur;
- de moeder brengt [minderjarige] vrijdagochtend naar school en de vader haalt haar vrijdagmiddag op;
- de vader zal de vrijdag vanaf 12:00 uur in de woning verblijven; hij is het weekend dan met [minderjarige] in de woning en brengt haar maandag naar school.
- enz.
Deze wekelijkse ‘2-2-3 regeling’ zal ook blijven doorlopen na 31 december 2026.
Beslissing
De rechtbank:
*
bepaalt als voorlopige zorgregeling voor de minderjarige [minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2022 te [geboorteplaats] , als volgt:
- de eerste week, beginnend op 31 augustus 2026:
- is moeder samen met [minderjarige] van maandag 12:00 uur tot woensdag 12:00 uur in de woning;
- de moeder brengt [minderjarige] op woensdagochtend naar school en de vader haalt haar woensdagmiddag op bij school;
- de vader zal woensdag vanaf 12:00 uur in de woning samen met [minderjarige] verblijven tot vrijdag 12:00 uur;
- de vader brengt [minderjarige] vrijdagochtend naar school en de moeder haalt haar vrijdagmiddag op;
- de moeder zal vrijdag vanaf 12:00 uur in de woning verblijven; zij is het weekend dan met [minderjarige] in de woning.
- de daaropvolgende week:
- brengt de moeder [minderjarige] op maandagochtend naar school en de vader haalt haar op maandagmiddag op;
- de vader zal van maandag 12:00 uur tot woensdag 12:00 uur in de woning verblijven;
- de vader brengt [minderjarige] op woensdagochtend naar school en de moeder haalt haar woensdagmiddag op bij school;
- de moeder zal woensdag vanaf 12:00 uur in de woning samen met [minderjarige] verblijven tot vrijdag 12:00 uur;
- de moeder brengt [minderjarige] vrijdagochtend naar school en de vader haalt haar vrijdagmiddag op;
- de vader zal de vrijdag vanaf 12:00 uur in de woning verblijven; hij is het weekend dan met [minderjarige] in de woning en brengt haar maandag naar school.
- enz.
*
bepaalt dat de moeder bij uitsluiting gerechtigd zal zijn tot het gebruik van de echtelijke woning aan de [adres] in [plaats 1] voor vier maanden na 31 augustus 2026 gedurende de tijd dat [minderjarige] volgens de voorlopige zorgregeling bij haar zijn;
bepaalt dat de vader bij uitsluiting gerechtigd zal zijn tot het gebruik van de echtelijke woning aan de [adres] in [plaats 1] voor vier maanden na 31 augustus 2026 gedurende de tijd dat [minderjarige] volgens de voorlopige zorgregeling bij hem zal zijn.
bepaalt dat vanaf 31 december 2026 de vader het uitsluitend gebruik toekomt van de echtelijke woning, dan wel eerder in het geval de moeder andere woonruimte in (de nabijheid van) [plaats 1] heeft gevonden en dat de moeder dan de echtelijke woning dient te hebben verlaten en verder niet mag betreden;
*
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;
*
wijst af het meer of anders verzochte.