Gezag
Beschikking op het op 17 januari 2026 ingekomen verzoek van:
[de vader],
de vader,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. N. van Amsterdam in Leiden.
Als belanghebbende wordt aangemerkt:
[de moeder],
de moeder,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. G. Kartal in Rotterdam.
Procedure
Bij beschikking van 15 april 2026 van deze rechtsbank is – voor zover hier van belang –:
- de Raad voor de Kinderbescherming verzocht een onderzoek te verrichten en daarover aan de rechtbank te rapporteren en advies uit te brengen, waarbij het onderzoek antwoord dient te geven op de volgende vragen:
1. ziet de Raad voor de Kinderbescherming mogelijkheden voor en/of belemmeringen bij de gezamenlijke uitoefening van het gezag door de ouders?
wat is er nodig om eventuele belemmeringen op te heffen?
2. is de vaststelling van een onbegeleide contactregeling met de vader in het belang van de kinderen?
3. als de Raad voor de Kinderbescherming van mening is dat het onbegeleide contact in het belang van de kinderen is, welke regeling is dan in het belang van de kinderen en is hier eventueel verdere hulpverlening bij nodig, en zo ja wat voor soort hulpverlening?
4. zijn er volgens de Raad voor de Kinderbescherming nog andere zaken van belang bij de beoordeling van het gezag en het contact met ouders?
De kinderrechter van deze rechtbank heeft bij beschikking van 8 mei 2026 [minderjarige 1], [minderjarige 2] en [minderjarige 3] voorlopig onder toezicht gesteld tot 22 mei 2026 en voor dezelfde duur een machtiging verleend tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] in de categorie voorziening voor (netwerk)pleegzorg, te weten bij de tante vaderszijde en [minderjarige 3] in de categorie overig, te weten bij vader zonder gezag bij de grootvader moederszijde;
De kinderrechter van deze rechtbank heeft bij beschikking van 21 mei 2026 [minderjarige 1], [minderjarige 2] en [minderjarige 3] voorlopig onder toezicht gesteld tot 8 augustus 2026 en tot 26 juni 2026 een machtiging verleend tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1], [minderjarige 2] en [minderjarige 3] in een voorziening voor pleegzorg.
De kinderrechter van deze rechtbank heeft bij beschikking van 10 juni 2026 – met wijziging in zoverre van de afgegeven machtiging in de beschikking van 21 mei 2026 – tot 24 juni 2026 een machtiging verleend tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] in een (neutrale) voorziening voor pleegzorg.
De kinderrechter van deze rechtbank heeft vervolgens bij beschikking van 11 juni 2026 – met wijziging in zoverre van de afgegeven machtiging in de beschikking van 10 juni 2026 – tot 24 juni 2026 een machtiging verleend tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] in een gezinsgerichte voorziening.
De kinderrechter van deze rechtbank heeft bij beschikking van 22 juni 2026 tot 8 augustus 2026 een machtiging verleend tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder en van 22 juni 2026 tot 8 augustus 2026 een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 2] en [minderjarige 3] bij de vader zonder gezag.
Op 4 augustus 2026 is een zitting gepland om het verzoek van de Raad te bespreken tot een verlenging van de ondertoezichtstelling voor de drie kinderen voor een periode van twaalf maanden en een machtiging voor de uithuisplaatsing bij de vader voor een periode van zes maanden.
De rechtbank heeft opnieuw kennisgenomen van de stukken, waaronder nu ook:
- de brief van 4 mei 2026 met F9D-formulier van de vader, met bijlagen;
- de brief van 15 juli 2026 met F9D-formulier van de vader, met bijlagen.
- het F9-formulier van 17 juli 2026 van de vader.
Op 20 juli 2026 is de zaak voortgezet op de zitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen:
De vader verzoekt in afwachting van een beslissing op zijn andere verzoeken alvast te worden belast met het gezamenlijk bezag over [minderjarige 1], [minderjarige 2] en [minderjarige 3].
Beoordeling
De rechtbank handhaaft al wat bij genoemde beschikking is overwogen en beslist, voor zover in deze beschikking niet anders wordt overwogen of beslist.
Gezag
Inhoudelijke beoordeling
De vader heeft naar voren gebracht dat de situatie dusdanig is gewijzigd dat de aanhouding van de beslissing op zijn verzoek tot gezamenlijk gezag in afwachting van het Raadsonderzoek niet afgewacht kan worden. De kinderen zijn op 8 mei 2026 voorlopig onder toezicht gesteld en uit huis geplaatst. Inmiddels verblijven alle drie de kinderen bij hem. Hij krijgt daarvoor ook dagelijks intensieve opvoedondersteuning bij hem thuis en de kinderen hebben begeleide omgang met de moeder. De vader loopt er nu tegenaan dat hij geen gezag heeft over de kinderen. Hij vindt het daarom in het belang van de kinderen dat hij zo spoedig mogelijk wordt belast met het gezamenlijk gezag.
De moeder voert mondeling verweer. Zij stelt dat de communicatie tussen de ouders zeer slecht is en zij niet goed op de hoogte wordt gehouden door de vader. Volgens de moeder is er geen sprake van enige samenwerking tussen de ouders. De kinderen verblijven nu bij de vader omdat er even geen andere oplossing is. De moeder gaat ervan uit dat de kinderen op termijn bij haar teruggeplaatst zullen worden. De uithuisplaatsing is een tijdelijke situatie, terwijl de beslissing over het gezamenlijk gezag definitief is. Volgens de moeder bestaat het risico dat als de vader mede wordt belast met het gezag de kinderen klem en verloren zullen raken. Volgens de moeder is het nu te onrustig om een beslissing over het gezag te nemen en dient die beslissing aangehouden te worden. De beslissing kan dan samen met de uiteindelijke beslissing over de omgang genomen worden nadat het Raadsonderzoek is afgerond. De moeder heeft op de zitting ook naar voren gebracht dat zij overal aan meewerkt, ze 24/7 bereikbaar is voor de vader en de gecertificeerde instelling en zij overal haar toestemming voor geeft. Het is dus niet nodig om de vader mede te belasten met het gezag over de kinderen.
Uit de stukken en hetgeen op de zitting is besproken is de rechtbank het volgende gebleken. Er is sprake van een zeer complexe situatie. De afgelopen periode is er veel veranderd voor zowel de kinderen, als voor de ouders. Over de situatie bij beide ouders bestaan veel zorgen. Op dit moment verblijven alle drie de kinderen bij de vader en hij krijgt dagelijks intensieve opvoedondersteuning. Zoals de gecertificeerde instelling er nu naar kijkt, is het toekomstperspectief dat beide ouders een rol zullen spelen in het leven van de kinderen. De vader wil dat het gezag aansluit bij de feitelijke situatie waarin hij een actieve rol heeft in de opvoeding van de kinderen. Impliciet gaat de vader er daarbij vanuit dat de kinderen voorlopig bij hem zullen blijven wonen. Het verzoek van de Raad om de kinderen voor een periode van zes maanden bij hem uit huis te plaatsen zal op 4 augustus 2026 worden behandeld. De rechtbank wil de uitkomst van de beslissing op dat verzoek betrekken in haar afwegingen. Zij zal daarom een beslissing op het verzoek om de vader te belasten met het gezamenlijk gezag aanhouden tot 10 augustus 2026.
Beslissing
De rechtbank:
houdt iedere verdere beslissing ten aanzien van het gezag aan tot 10 augustus 2026;