RECHTBANK Den Haag
Team handel
zaak- / rolnummer: C/09/691320 / HA ZA 26-46
Vonnis van 5 augustus 2026
in de zaak van
[eiseres] B.V.,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eiseres] ,
advocaat: mr. L.B. Kamp,
tegen
de publiekrechtelijke rechtspersoon GEMEENTE OEGSTGEEST,
zetelende te Oegstgeest,
gedaagde partij,
hierna te noemen: de Gemeente,
advocaat: mr. I.C. Nijenhuis.
1. Waar gaat deze zaak over?
De vraag in dit geschil is of de Gemeente onrechtmatig heeft gehandeld jegens [eiseres] omdat het primaire besluit, dat bij de beslissing op bezwaar is herroepen, onrechtmatig is en/of de Gemeente onjuiste en onvolledige inlichtingen heeft verschaft waarop [eiseres] gerechtvaardigd mocht vertrouwen. De rechtbank oordeelt dat het herroepen primaire besluit niet onrechtmatig is, omdat de herroeping is gebaseerd op een andere belangenafweging, met inachtneming van gewijzigde omstandigheden. Ook heeft [eiseres] niet het gerechtvaardigd vertrouwen kunnen ontlenen aan informatie van de Gemeente, omdat [eiseres] niet om die informatie had gevraagd bij de Gemeente. De Gemeente heeft dus niet onrechtmatig gehandeld.
2. De procedure
Het procesdossier bestaat uit de volgende stukken:
- de dagvaarding van 24 december 2025 met producties 1 t/m 16;
- de conclusie van antwoord van 25 maart 2026 met producties 1 t/m 6;
- het tussenvonnis van 15 april 2026;
- een bericht van de Gemeente van 16 april 2026 met productie 7;
- een bericht van [eiseres] van 4 juni 2026 met productie 17.
Op 24 juni 2026 heeft de mondelinge behandeling van de zaak plaatsgevonden. Tijdens de mondelinge behandeling hebben partijen hun standpunten toegelicht en vragen van de rechtbank beantwoord. De griffier heeft hiervan aantekeningen gemaakt.
3. De feiten
Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting wordt in dit geding van het volgende uitgegaan.
[eiseres] is een sportschool. In maart 2014 heeft zij een pand gehuurd van MeerWonen (een woningcoöperatie) aan [adres 1] in [plaats] waar zij haar sportschool heeft gevestigd.
Op 30 januari 2017 heeft [eiseres] bij de Gemeente per e-mail navraag gedaan of het mogelijk was om de sportschool uit te breiden naar [adres 2] , gelet op het bestemmingsplan:
“[eigenares] heeft een optie om haar sportschool uit te breiden naar de leegstaande ruimte tegenover [eiseres] . Alvorens het koopcontract te tekenen zou zij graag van de gemeente schriftelijk bevestigd hebben dat dit binnen het bestemmingsplan past of er andere bezwaren zijn.”
De Gemeente vraagt op 31 januari 2017:
“Wat een goed nieuws dat [eiseres] gaat uitbreiden. Kunt u mij het exacte adres geven van de leegstaande ruimte? Dan check ik de bestemming en bijzonderheden.”
Hierop antwoordt [eiseres] diezelfde dag:
“Het adres van de ruimte is
[adres 2] , [plaats]”
Op 9 februari 2017 antwoordt de Gemeente:
“Op basis van het huidige Bestemmingsplan Poelgeest kunnen de ruimten op de BG (en onder voorwaarde op de 1e verdieping) worden gebruikt voor o.a. een fitnessruimte etc. In het toekomstige bestemmingsplan (ontwerpfase) wordt deze bestemming overgenomen.
Indien het gebruik vergelijkbaar is als de bestaande sportschool, dan past dat dus binnen ons huidige en toekomstige beleid.”
In februari 2017 koopt [eiseres] het pand aan de [adres 2] in [plaats] en opent daar een boksstudio.
In maart 2017 gaat [eiseres] ook het pand aan de [adres 3] in [plaats] huren en opent daar een yogastudio.
De Gemeenteraad heeft bij besluit van 20 april 2017 het bestemmingsplan “Poelgeest” vastgesteld, waar [straatnaam] onder valt. Hierbij is de bestemming van de [straatnaam] gewijzigd van ‘gemengde doeleinden’ in ‘Gemengd-2’ en de bestemmingsomschrijving ‘maatschappelijke doeleinden’ gewijzigd in ‘maatschappelijke voorzieningen’. In de begripsbepaling van ‘maatschappelijke voorzieningen’ staat niet dat ‘sportvoorzieningen’ hier ook onder vallen.
[eiseres] heeft geen gebruik gemaakt van de bestuursrechtelijke rechtsgang tegen dit besluit van de Gemeente.
In mei 2019 koopt [eiseres] het pand aan [adres 1] van MeerWonen. Ook koopt [eiseres] het pand aan [adres 4] van MeerWonen in verhuurde staat. Dit pand ligt direct naast [adres 1] en wordt op dat moment verhuurd aan een supermarkt.
In december 2019 zegt de supermarkt de huur op en in juli 2020 vertrekt de supermarkt uit het pand.
[eiseres] vraagt op 2 februari 2021 een vergunning aan voor het samenvoegen van de locaties op [huisnummers] .
Op 19 april 2021 verleent de Gemeente een vergunning voor het samenvoegen van de drie locaties naar één locatie aan [adres 1] , onder voorwaarden. In het besluit staat, voor zover relevant:
“Bij het nemen van dit besluit is het volgende overwogen:
De sportschool ligt in de huidige situatie aan weerszijden van de twee bouwblokken aan de [straatnaam] , met aan de noordkant de hoofdlocatie ( [adres 1] ) en aan de zuidkant twee sub locaties van de sportschool. De aanvraag voorziet in verplaatsing van de twee sub locaties in een deel van de vrijgekomen ruimte naast de huidige hoofdlocatie;
(…)
De samenvoeging van de drie locaties van de sportschool naar één locatie is in strijd met het geldende bestemmingsplan Poelgeest. Het gebruik ‘Sportschool’ is namelijk niet toegestaan binnen de bestemming Gemengd-2.
De drie locaties van de sportschool vallen op dit moment onder het overgangsrecht. In het overgangsrecht is opgenomen dat het huidige (strijdige) gebruik niet uitgebreid mag worden;
Het verzoek tot samenvoeging van de sportschool moet in dit geval worden beschouwd als verzoek om afwijking van het bestemmingsplan.
(…)
Wij hebben besloten medewerking te verlenen aan het afwijken van het bestemmingsplan om het plan mogelijk te maken en hebben hierbij het volgende overwogen:
• De impact op de omgeving van de samenvoeging van de sportschool van drie naar één locatie is beperkt. De sportschool is reeds aanwezig in de [straatnaam] en er vindt per saldo door de samenvoeging, ten opzichte van de huidige situatie, geen uitbreiding van oppervlakte plaats.
• Omdat de drie locaties van de sportschool in de huidige situatie dicht bij elkaar zijn gelegen en na samenvoeging het totaaloppervlak aan sportschool niet zal toenemen, heeft deze ontwikkeling geen negatieve gevolgen voor de parkeerdruk in de omgeving.
• Na samenvoeging van de drie locaties van de sportschool blijft er evenveel ruimte beschikbaar voor andere gewenste ontwikkelingen binnen de [straatnaam] . Voorwaarde hierbij is dat de samengevoegde sportschool niet eerder in gebruik mag worden genomen, dan dat het huidige gebruik van de twee sublocaties is komen te vervallen. Deze sublocaties moeten beschikbaar worden gesteld voor in het bestemmingsplan passend gebruik. Het overgangsrecht ten behoeve van de sportschool zal hiermee voor de sublocaties komen te vervallen. Zie hiervoor ook de voorschriften die zijn opgenomen in deze vergunning;
(…)
Conclusie
De aanvraag omgevingsvergunning voor de activiteiten ‘Bouwen’ en ‘handelen in strijd met regels ruimtelijke ordening’ kan onder het stellen van voorwaarden verleend worden.”
Op 29 september 2021 vraagt [eiseres] een vergunning aan voor het uitbreiden van de sportschool van [adres 1] naar [adres 4] .
De Gemeente weigert op 15 december 2021 deze vergunningsaanvraag. In het besluit staat, voor zover relevant:
“Bij het nemen van dit besluit is het volgende overwogen:
De aanvraag om omgevingsvergunning voorziet in een verdere uitbreiding van de sportschool, waarbij het brutovloeroppervlak van de sportschool zal toenemen met circa 166 m2.
Er in het voortraject van deze vergunningverlening sprake is geweest van een samenvoeging van meerdere locaties naar de huidige locatie voor de sportschool, waarbij het college heeft besloten de oppervlakte niet toe te laten nemen. De drie locaties waren legaal aanwezig in verband met het overgangsrecht binnen het bestemmingsplan. In het vigerende bestemmingsplan heeft de gemeenteraad deze functie van sportschool niet meer in de bestemming opgenomen.
Dat de aanvrager met de voorgaande vergunningverlening ook heeft ingestemd en op de hoogte was van de ruimtelijke beperkingen van het bestemmingsplan en daarop haar voorgaande aanvraag heeft aangepast naar de huidige vergunde situatie.
(…)
De uitbreiding van de sportschool is in strijd met het geldende bestemmingsplan Poelgeest. Het gebruik ten behoeve van ‘Sportschool’ is niet toegestaan binnen de bestemming Gemend-2.
De aanvraag voor de uitbreiding moet in dit geval dan ook worden beschouwd als een verzoek om afwijking van het bestemmingsplan
(…)
Wij hebben besloten om geen medewerking te verlenen aan het afwijken van het bestemmingsplan en hebben hierbij het volgende overwogen:
• Op 19 april 2021 hebben wij aan u een vergunning verleend voor samenvoeging van de sportschool op uw verzoek. Vanwege strijdigheid met het bestemmingsplan is toepassing gegeven aan een afwijkingsprocedure van het bestemmingsplan. Hierbij zijn zowel uw belangen als de belangen van omwonenden meegewogen. Bij deze vergunningverlening is reeds uitgegaan van een maximale invulling van de ruimte t.b.v. deze functie en de maximale impact daarvan op de omgeving. Het overgangsrecht qua gebruik is daarbij uitgangspunt geweest voor deze functie, zodat de totale oppervlakte niet zou toenemen bij de afwijking. Hiermee wordt geborgd dat er voldoende ruimte beschikbaar blijft voor andere ontwikkelingen binnen de [straatnaam] .
• Tijdens de uitvoering van bouwwerkzaamheden hebben wij geconstateerd dat er een tussenvloer is gerealiseerd zonder een daarvoor vereiste vergunning. Ter legalisatie van de reeds gebouwde tussenvloer hebben wij aan u op 27 oktober 2021 een nieuwe vergunning verleend. Hierbij is wederom toepassing gegeven aan een afwijkingsprocedure van het bestemmingsplan. Weliswaar zorgt de vergunde tussenvloer voor een uitbreiding van de vloeroppervlakte van de sportschool, maar omdat de tussenvloer is gerealiseerd binnen het volume van de samengevoegde sportschool, blijft er evenveel ruimte beschikbaar voor andere ontwikkelingen binnen de [straatnaam] en blijft de ruimtelijke impact van de uitbreiding van de sportschool minimaal.
• De nu voorgestelde uitbreiding van de sportschool gaat echter ten koste van ruimte die beschikbaar is voor overige ontwikkelingen binnen de [straatnaam] en is strijdig met het bestemmingsplan dat recent is vastgesteld. Gelet op hetgeen overwogen is bij de eerdere besluitvorming m.b.t. de sportschool, wordt een verdere uitbreiding van de sportschool en afwijken van het vigerende bestemmingsplan ruimtelijk niet wenselijk geacht. De belangen van omwonenden zouden namelijk door medewerking aan uw verzoek om de sportschool verder uit te breiden, onevenredig zwaar worden geschaad;
• Zo zou onder andere de verkeersaantrekkende werking (verkeersbewegingen die een sportschool veroorzaken) van een eventuele uitbreiding van de sportschool een nadelig effect hebben op de woon- en leefomgeving van de [straatnaam] . Een toename van de belasting op de omgeving is ook ruimtelijk niet gewenst;
• Verder vinden wij het ook van belang dat er een goede verscheidenheid plaatsvindt van functies. Het uitbreiden van de functie sportschool op deze locatie, geeft in dit verband eveneens een ongewenst ruimtelijk effect en doet de mogelijkheid tot verscheidenheid van functies slinken.
Gelet op het voorgaande vinden wij dat het plan in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Na twee keer afgeweken te hebben van het bestemmingsplan, zien wij geen mogelijkheid op nogmaals af te wijken ten behoeve van een verdere uitbreiding van de sportschool. Wij zien dan ook geen mogelijkheid om de gevraagde omgevingsvergunning voor de activiteiten ‘Bouwen’ en ‘Handelen’ in ‘strijd met regels ruimtelijke ordening’ te verlenen.”
[eiseres] maakt op 11 januari 2022 bezwaar tegen dit besluit.
Op 15 juni 2022 neemt de Gemeente de beslissing op bezwaar, waarin het besluit van 15 december 2021 wordt herroepen en de vergunning alsnog wordt verleend. In de beslissing op bezwaar staat, voor zover relevant:
“Wij hebben besloten
1. het bezwaar van [eiseres] B.V. gegrond te verklaren;
2. (…)
3. het besluit d.d. 15 december 2021 te herroepen;
4. onder toepassing van
- (…)
- (…)
af te wijken van het bestemmingsplan Oegstgeest en de omgevingsvergunning te verlenen voor de uitbreiding van de sportschool van [eiseres] B.V. aan de [adres 1] te [plaats] ;
5. (…)
Overwegingen
(…)
De uitbreiding van de sportschool bestaat uit het toevoegen van een aangrenzende ruimte die hiervoor werd gebruikt als supermarkt. De ruimte staat sinds het vertrek van de supermarkt vanaf juli 2020 leeg. Ten tijde van het bestreden besluit waren wij van oordeel dat er voldoende ruimte beschikbaar moet blijven voor andere gewenste ontwikkelingen binnen de [straatnaam] . Dat belang werd groter geacht dan het belang van [eiseres] B.V. om deze ruimte te betrekken bij de sportschool.
Gelet op hetgeen in bezwaar is aangevoerd wat betreft de niet-verhuurbaarheid van de ruimte en de beschikbaarheid van de ruimten aan de overzijde van [adres 1] ( [adres 2] ) die eerder door [eiseres] B.V. in gebruik waren, en gelet op het tijdsverloop waarbij is gebleken dat de ruimte waar de uitbreiding is beoogd thans nog steeds leegstaat, zijn wij thans van mening dat het belang van [eiseres] B.V. bij het kunnen gebruiken van deze ruimte uitgaat boven het belang van het beschikbaar houden van die ruimte voor andere ontwikkelingen binnen de [straatnaam] . Wij zijn daarom van oordeel dat thans er voldoende reden is om af te wijken van het bestemmingsplan voor het gebruik van de ruimte als sportschool.”
[eiseres] heeft de Gemeente aansprakelijk gesteld wegens onrechtmatig handelen. De Gemeente heeft de aansprakelijkheid van de hand gewezen.
4. Het geschil
[eiseres] vordert primair dat de rechtbank bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, voor recht verklaart dat de Gemeente een onrechtmatige daad heeft gepleegd jegens [eiseres] door een onrechtmatig besluit in primo te nemen en door de maatschappelijke onzorgvuldigheidsnorm te schenden, en derhalve gehouden is schadevergoeding te betalen voor een bedrag nader op te maken bij staat. [eiseres] vordert subsidiair dat de rechtbank bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, voor recht verklaart dat de Gemeente een onrechtmatige daad heeft gepleegd jegens [eiseres] door een onrechtmatig besluit in primo te nemen of door de maatschappelijke onzorgvuldigheidsnorm te schenden, en derhalve gehouden is schadevergoeding te betalen voor een bedrag nader op te maken bij staat.
[eiseres] legt daar naar de kern aan ten grondslag dat de Gemeente onrechtmatig heeft gehandeld omdat zij het primaire besluit heeft herroepen op grond van rechtmatigheidsgronden, waardoor de onrechtmatigheid van het primaire besluit vaststaat. Daarnaast heeft de Gemeente onrechtmatig gehandeld doordat zij [eiseres] in maart 2017 onjuiste inlichtingen heeft verstrekt over een toekomstig bestemmingsplan en [eiseres] niet heeft gewaarschuwd dat het bestemmingsplan in haar nadeel was gewijzigd.
De Gemeente voert verweer dat strekt tot afwijzing van de vordering met veroordeling van [eiseres] in de proceskosten.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
5. De beoordeling
De rechtmatigheid van het primaire besluit
Vast staat dat de Gemeente bij de beslissing op bezwaar van 15 juni 2022 het primaire besluit van 15 december 2021 heeft herroepen. Tussen partijen is in geschil of het primaire besluit onrechtmatig is. Volgens [eiseres] is dat het geval, omdat de Gemeente het primaire besluit heeft herroepen op rechtmatigheidsgronden. De Gemeente heeft volgens [eiseres] pas in bezwaar alle belangen van [eiseres] , waaronder haar financiële belangen, meegewogen. Volgens de Gemeente is het besluit niet herroepen op rechtmatigheidsgronden maar op grond van een nieuwe integrale belangenafweging met in achtneming van alle, waaronder nieuwe, feiten en omstandigheden.
De rechtbank oordeelt dat het primaire besluit niet onrechtmatig is. Dat licht de rechtbank als volgt toe. Gemeente moet in de bezwaarprocedure zijn eerdere besluit (volledig) heroverwegen. Dat betekent dat zowel op grond van rechtmatigheid als op grond van de belangenafweging tot een ander besluit kan worden gekomen. De Gemeente heeft daarbij een discretionaire bevoegdheid om naar eigen inzicht de betrokken belangen opnieuw af te wegen. Dat geldt temeer bij een aanvraag om af te wijken van een bestemmingsplan, waarbij een bestuursorgaan beleidsruimte heeft om te beslissen of gebruik wordt gemaakt van de bevoegdheid om af te wijken van het bestemmingsplan.
Als een besluit door een bestuursorgaan in bezwaar wordt herroepen, betekent dat niet automatisch dat het besluit ook onrechtmatig was. In dat geval hangt het van de redenen die aan de herroeping ten grondslag liggen en de omstandigheden waaronder het primaire besluit tot stand is gekomen af of het nemen van het primaire besluit onrechtmatig moet worden geacht en zo ja, of deze daad aan het betrokken overheidslichaam kan worden toegerekend. Als een primaire besluit om beleidsmatige redenen wordt herroepen of omdat zich na het primaire besluit nieuwe feiten en omstandigheden hebben voorgedaan, hoeft het primaire besluit niet onrechtmatig te zijn geweest.
In dit geval blijkt uit het primaire besluit dat de Gemeente uitbreiding van de sportschool, en daarmee afwijking van het bestemmingsplan, niet wenselijk achtte. De Gemeente heeft daar, onder andere, bij toegelicht dat belangen van omwonenden onevenredig zwaar zouden worden geschaad en dat de Gemeente het ook van belang vindt dat er een goede verscheidenheid van functies plaatsvindt. Een uitbreiding van de sportschool zou in dat verband een ongewenst ruimtelijk effect hebben en de mogelijkheid tot verscheidenheid van functies doen slinken. Deze belangen wogen zwaarder dan het belang van [eiseres] tot uitbreiding van de sportschool. In de beslissing op bezwaar is de Gemeente overgegaan tot herroeping van het primaire besluit. Hierbij heeft de Gemeente toegelicht dat na bezwaar is gebleken dat de ruimte waarnaar [eiseres] wilde uitbreiden niet-verhuurbaar bleek, de ruimten aan de overzijde van [straatnaam] die eerder door [eiseres] in gebruik waren, beschikbaar werden voor andere ontwikkelingen binnen de [straatnaam] en dat gelet op het tijdsverloop is gebleken dat de ruimte waar de uitbreiding is beoogd nog steeds leeg stond. Dit alles tezamen maakte dat de Gemeente van oordeel was dat in bezwaar het belang van [eiseres] tot uitbreiding van de sportschool zwaarder woog dan het belang van het beschikbaar houden van die ruimte voor andere ontwikkelingen binnen de [straatnaam] . Hierdoor zag de Gemeente in bezwaar voldoende reden om alsnog af te wijken van het bestemmingsplan voor het gebruik van de ruimte voor [eiseres] als sportschool.
De rechtbank oordeelt dat uit de motivering van de beslissing op bezwaar volgt dat de Gemeente het primaire besluit heeft herroepen op grond van een andere belangenafweging, waarbij de Gemeente in bezwaar alle feiten en omstandigheden, waaronder nieuwe zoals niet-verhuurbaarheid, leegstand en tijdverloop, heeft betrokken. De rechtbank is het niet met [eiseres] eens dat is gebleken dat de Gemeente in het primaire besluit niet al haar belangen heeft meegewogen. Uit het feit dat [eiseres] niet direct bij het primaire besluit haar vergunning kreeg, kan niet worden afgeleid dat haar belangen niet zijn meegewogen. In het primaire besluit is toegelicht waarom andere belangen destijds zwaarder wogen dan de belangen van [eiseres] . Volgens de rechtbank is het primaire besluit dus niet herroepen op rechtmatigheidsgronden. De rechtbank oordeelt dan ook dat het primaire besluit niet onrechtmatig is en dat de Gemeente dus niet onrechtmatig heeft gehandeld jegens [eiseres] .
De inlichtingen van de Gemeente
Volgens [eiseres] heeft de Gemeente ook onrechtmatig gehandeld, omdat de Gemeente haar onjuiste of onvolledige inlichtingen heeft verschaft. De Gemeente heeft namelijk in een e-mail van 9 februari 2017 aan [eiseres] meegedeeld dat het destijds geldende bestemmingsplan zou blijven gelden in het nieuwe bestemmingsplan, terwijl dat uiteindelijk niet het geval bleek. Volgens [eiseres] mocht zij gerechtvaardigd vertrouwen op de informatie uit die e-mail. [eiseres] heeft dan ook hierop haar koop van [adres 4] in 2019 gebaseerd. Verder heeft de Gemeente volgens [eiseres] nagelaten haar in 2019 actief in te lichten over het gewijzigde bestemmingsplan, terwijl de Gemeente wist dat zij toen [adres 4] ging kopen en op de hoogte was van de uitbreidplannen van [eiseres] . Dit is volgens [eiseres] ook in strijd met de maatschappelijk zorgvuldigheidsnorm en dus onrechtmatig. De Gemeente betwist dat zij onjuiste en/of onvolledige informatie heeft verschaft in 2017 en ook dat zij verplicht was in 2019 [eiseres] in te lichten over de wijziging in het bestemmingsplan.
De rechtbank oordeelt dat de Gemeente niet onrechtmatig heeft gehandeld door onjuiste of onvolledige inlichtingen te verstrekken of door geen inlichtingen te verschaffen. Dat licht de rechtbank als volgt toe.
Het antwoord op de vraag of de Gemeente met het geven van onjuiste of onvolledige inlichtingen onrechtmatig heeft gehandeld hangt af van de omstandigheden van het geval, waaronder in de eerste plaats de inhoud van het gedane verzoek en hetgeen de Gemeente daaromtrent heeft moeten begrijpen, en de aard en inhoud van de door de Gemeente in antwoord daarop gegeven inlichtingen en hetgeen [eiseres] daaromtrent heeft moeten begrijpen. Eerst indien [eiseres] in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs erop heeft mogen vertrouwen dat haar juiste en volledige inlichtingen met een bepaalde inhoud werden gegeven, kan plaats zijn voor het oordeel dat het verstrekken van die inlichtingen, indien deze onjuist of onvolledig zijn, onrechtmatig is jegens [eiseres] en dat de gemeente daarom jegens [eiseres] aansprakelijk is doordat deze door die onjuiste of onvolledige inlichtingen, kort gezegd, op het verkeerde been is gezet.
Het staat vast dat [eiseres] in januari 2017 aan de Gemeente heeft gevraagd of het uitbreiden van haar sportschool naar [adres 2] paste binnen het bestemmingsplan of dat er andere bezwaren waren (zie randnummers 3.3 en 3.4 hierboven). De Gemeente heeft hier op 9 februari 2017 het volgende geantwoord (zie ook randnummer 3.5):
“Op basis van het huidige Bestemmingsplan Poelgeest kunnen de ruimten op de BG (en onder voorwaarde op de 1e verdieping) worden gebruikt voor o.a. een fitnessruimte etc. In het toekomstige bestemmingsplan (ontwerpfase) wordt deze bestemming overgenomen.
Indien het gebruik vergelijkbaar is als de bestaande sportschool, dan past dat dus binnen ons huidige en toekomstige beleid.”
Het eerste gedeelte van de e-mail is onmiskenbaar juist. Immers, in februari 2017 was het oude bestemmingsplan nog van kracht en op grond daarvan mocht [adres 2] worden gebruikt voor sportvoorzieningen. [eiseres] heeft in februari 2017 dit pand gekocht en daar een boksstudio geopend.
Bij besluit van 20 april 2017 heeft de Gemeente het bestemmingsplan gewijzigd. Na die wijziging vielen sportvoorzieningen niet meer onder het bestemmingsplan. Dit besluit heeft formele rechtskracht gekregen en moet daarmee geacht worden rechtmatig te zijn, zowel voor wat betreft haar inhoud als voor wat betreft de wijze van totstandkoming van dat besluit. Het gegeven dat per abuis de sportvoorzieningen niet meer onder het nieuwe bestemmingsplan vielen, doet aan de rechtmatigheid van het besluit niet af. Dit betekende dat de sportlocaties op [adres 4] , [adres 2] en [adres 3] in beginsel niet meer waren toegestaan, omdat dit niet meer was toegestaan onder het nieuwe bestemmingsplan. De Gemeente heeft met overgangsrecht echter gewaarborgd dat die sportlocaties toegestaan bleven.
Met het besluit van 20 april 2017 bleek aldus het tweede gedeelte van de e-mail, over het toekomstige bestemmingsplan, achteraf bezien onjuist. Dit maakt volgens de rechtbank echter niet dat daardoor de Gemeente onrechtmatig heeft gehandeld. Daarvoor is van belang dat de vraagstelling van [eiseres] onmiskenbaar alleen zag op de destijds geldende situatie voor [adres 2] . De vraag is dus niet gericht op andere locaties of situaties in de toekomst. Hierdoor hoefde de Gemeente niet te begrijpen dat de vraag van [eiseres] ook zag op andere locaties, dan wel op het in de (verre) toekomst verder uitbreiden/samenvoegen van sportlocaties. [eiseres] kon dan ook niet aan deze e-mail uit 2017 het gerechtvaardigd vertrouwen ontlenen dat de door haar in 2019 gewenste uitbreiding van haar sportschool was toegestaan op grond van het bestemmingsplan. Dit betekent dat de Gemeente met deze e-mail uit 2017 niet onrechtmatig heeft gehandeld door het geven van onjuiste of onvolledige inlichtingen. Bovendien mag van een ondernemer die twee jaar na de e-mail wil gaan uitbreiden worden verwacht om op dat moment (nogmaals) na te gaan of dit in overeenstemming is met het beleid. Voor zover [eiseres] bij MeerWonen, de woningcoöperatie van wie zij [adres 4] in 2019 heeft gekocht, heeft nagevraagd of het was toegestaan dat pand te gebruiken ter uitbreiding van haar sportschool en MeerWonen haar zou hebben verzekerd dat dit was toegestaan, kan dat niet aan de Gemeente worden toegerekend.
De rechtbank oordeelt verder dat de Gemeente ook niet onrechtmatig heeft gehandeld door in 2019 [eiseres] niet actief in te lichten over het gewijzigde bestemmingsplan. [eiseres] heeft onvoldoende duidelijk gemaakt op welke grond de Gemeente verplicht was [eiseres] hierover in te lichten.
Conclusie
De rechtbank concludeert dan ook dat de Gemeente niet onrechtmatig heeft gehandeld en dat de vorderingen van [eiseres] worden afgewezen.
Aangezien [eiseres] bij dit vonnis in het ongelijk wordt gesteld, moet zij de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van de Gemeente worden begroot op:
- griffierecht
€
735,00
- salaris advocaat
€
1.306,00
(2 punten × € 653,00)
- nakosten
€
189,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
€
2.230,00
6. De beslissing
De rechtbank
wijst de vorderingen af,
veroordeelt [eiseres] in de kosten van de procedure, welke kosten aan de zijde van de Gemeente tot op heden worden begroot op € 2.230,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als [eiseres] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en vonnis daarna wordt betekend,
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. I.C.E. Spierings en in het openbaar uitgesproken op 5 augustus 2026.