RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser], eiser
de minister van Asiel en Migratie, verweerder
Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.45540
V-nummer: [V-nummer]
(gemachtigde: mr. S.A.M. Fikken),
en
(gemachtigde: mr. C.W.M. van Breda).
Procesverloop
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het besluit van verweerder van 22 juli 2026 (het bestreden besluit) waarbij zijn asielaanvraag niet-ontvankelijk is verklaard.
De rechtbank heeft het beroep op 26 augustus 2026 op zitting behandeld in Breda. Hieraan hebben deelgenomen: eiser en zijn gemachtigde, alsmede de gemachtigde van verweerder. Verder was aanwezig de tolk [persoon].
Beoordeling door de rechtbank
1. Eiser stelt van Jemenitische nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [datum] 1997. Hij heeft op 14 juni 2026 een asielaanvraag ingediend in Nederland. Verweerder heeft met het bestreden besluit deze aanvraag in de versnelde asielprocedure niet-ontvankelijk verklaard omdat eiser al internationale bescherming heeft in Griekenland. Verweerder heeft daarmee toepassing gegeven aan artikel 30a, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw en artikel 38, eerste lid, aanhef en onder c, van de Procedureverordening.
2. Eiser heeft in beroep aangevoerd dat zijn beroep ontvankelijk is ondanks het feit dat dit beroep pas op 10 augustus 2026 is ingesteld, omdat deze termijnoverschrijding verschoonbaar is. Eiser voert tegen het bestreden besluit aan dat verweerder ten onrechte niet heeft aangenomen dat bij terugkeer naar Griekenland schending dreigt van artikel 4 van het Handvest of van artikel 3 van het EVRM. Hij verwijst daartoe naar de uitspraak van de Afdeling van 28 juli 2021 en het daarin besproken rapport van AIDA van 23 juni 2020. Verder verwijst eiser naar het rapport ‘Recognized refugees in Greece’ van 27 april 2026. Eiser wijst op de in dit rapport genoemde problemen voor statushouders in Griekenland bij het effectueren van hun rechten op sociale zekerheid, gezondheidszorg, het verkrijgen van werk en huisvesting, en het veelvuldig voorkomen van dakloosheid voor deze groep.
3. Verweerder onderkent in reactie op de beroepsgronden dat er problemen zijn voor statushouders in Griekenland, maar voert aan dat van eiser, als alleenstaande volwassene die niet kwetsbaar is, zelfredzaamheid mag worden verwacht. Verweerder verwijst voor de daarbij gevolgde gedragslijn naar het Informatiebericht (IB) 2026/1 (de rechtbank begrijpt dat verweerder doelt op IB 2026/31 dat gaat over de beoordeling van statushouders Griekenland). Deze gedragslijn is volgens verweerder in rechte getoetst. Mede gelet op eisers eigen verklaringen over zijn verblijf in Griekenland is daarom niet te verwachten dat eiser bij terugkeer in een situatie van verregaande materiële deprivatie terechtkomt.
De rechtbank oordeelt als volgt.
Ambtshalve beoordeling
4. De rechtbank moet ambtshalve, dat wil zeggen: uit zichzelf, los van wat partijen vinden, beoordelen of het beroep ontvankelijk is. Uit de stukken en wat op de zitting is besproken, maakt de rechtbank op dat het bestreden besluit op 22 juli 2026 op de voorgeschreven wijze is bekendgemaakt aan eiser. Dat betekent dat eiser met het instellen van zijn beroep op 10 augustus 2026 de beroepstermijn van één week ruim heeft overschreden.
5. Vervolgens moet worden beoordeeld of deze termijnoverschrijding verschoonbaar is. Eiser heeft aangevoerd dat zijn toenmalige gemachtigde hem niet op de hoogte heeft gesteld van het bestreden besluit. Pas op 7 augustus 2026 werd hij door het COa ervan op de hoogte gesteld dat er een negatieve beslissing was in zijn asielzaak. Daarna heeft hij tevergeefs contact gezocht met zijn toenmalige gemachtigde. Telefonische navraag door Vluchtelingenwerk bij het kantoor van deze advocaat leerde dat zij wegens een burn-out niet meer op dat kantoor werkzaam was. Deze lezing van eiser wordt bevestigd door e-mails van Vluchtelingenwerk en de Raad voor Rechtsbijstand. Vervolgens heeft eiser contact gezocht met zijn huidige gemachtigde. Eiser en zijn huidige gemachtigde hebben pas op 10 augustus 2026 kennisgenomen van de inhoud van het bestreden besluit en op dezelfde datum beroep ingesteld.
6. De rechtbank is van oordeel dat de hiervoor beschreven feiten en omstandigheden van dien aard zijn dat redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat eiser in verzuim is geweest. De termijnoverschrijding is verschoonbaar en niet-ontvankelijkverklaring van het beroep blijft achterwege. De rechtbank komt daarom toe aan de beoordeling van de gronden van het beroep van eiser.
Het oordeel van de rechtbank over de beroepsgronden
7. Aan eiser is op 25 januari 2026 de vluchtelingenstatus verleend in Griekenland. Het verblijfsrecht dat daaruit voortvloeit, geldt voor drie jaar (ADET). Niet is gebleken dat deze status voor eiser niet meer geldt.
8. Uit het arrest Ibrahim van het Hof van 19 maart 2019 volgt dat voor statushouders zoals eiser de lat voor het aannemen van een reëel risico op schending van artikel 4 van het Handvest in de lidstaat bijzonder hoog ligt: het ontbreken van bestaansondersteunende voorzieningen of voorzieningen die duidelijk beperkter zijn dan die welke in andere lidstaten worden geboden, zonder dat zij evenwel anders worden behandeld dan de onderdanen van die lidstaat, kan alleen dan leiden tot de vaststelling dat de statushouder wordt blootgesteld aan een dergelijk risico, wanneer die omstandigheid tot gevolg heeft dat de statushouder vanwege zijn bijzondere kwetsbaarheid, buiten zijn wil en zijn persoonlijke keuzes om, zou terechtkomen in een situatie van zeer verregaande materiële deprivatie.
9. Dit arrest gaat over de uitlegging van artikel 33, tweede lid, aanhef en onder a, van richtlijn (EU) nr. 2013/32 (de Procedurerichtlijn), die niet meer geldt sinds 12 juni 2026. Deze bepaling verschilt echter in de kern niet van het sindsdien geldende en door verweerder in deze zaak toegepaste artikel 38, eerste lid, aanhef en onder c, van de Procedureverordening. Om die reden gaat de rechtbank bij haar beoordeling nog steeds uit van de norm van zeer verregaande materiële deprivatie, zoals hiervoor omschreven.
10. Uit eisers relaas komt naar voren dat hij na de verlening van zijn asielstatus in Griekenland moeite had met het vinden van onderdak, anders dan tijdelijk verblijf bij kennissen. Ook lukte het hem niet om een vaste baan te vinden, wel heeft hij enkele keren (zwart) gewerkt in de bouw en op de boerderij. Eiser heeft voor deze problemen geen hulp gezocht bij de overheid of bij NGO’s omdat hij daarin geen vertrouwen had.
11. De door eiser overgelegde rapportage van 27 april 2026 schetst nog steeds geen rooskleurig beeld van de leefomstandigheden voor statushouders in Griekenland. Zo zijn er bureaucratische drempels voor de benodigde papieren voor het verkrijgen van sociale voorzieningen en medische hulp. Ook is het moeilijk om werk te krijgen op reguliere basis en is huisvesting schaars en voor statushouders vaak te duur.
12. Dit alles neemt niet weg dat eiser niet kan worden beschouwd als ‘bijzonder kwetsbaar’ als bedoeld in het arrest Ibrahim. Verweerder heeft zich daarom terecht op het standpunt gesteld dat van eiser zelfredzaamheid mag worden verwacht bij het effectueren van zijn rechten als statushouder in Griekenland en het zo nodig vragen van hulp van (overheids-)instanties en NGO’s, om een menswaardig bestaan te kunnen leiden in Griekenland. De door eiser aangehaalde uitspraak van 28 juli 2021 van de Afdeling over statushouders in Griekenland leidt niet tot de conclusie dat voor alle statushouders op dit moment geldt dat zij bij terugkeer naar Griekenland een reëel risico lopen dat zij in een situatie van verregaande materiële deprivatie terechtkomen. De rechtbank acht de daarover door verweerder gevolgde gedragslijn, eerst weergegeven in IB 2026/01, maar sinds 25 augustus 2026 opgenomen in IB 2026/31, niet onredelijk. Daarin staat dat de aanvraag van een statushouder uit Griekenland alleen niet-ontvankelijk kan worden verklaard als de statushouder als zelfredzaam kan worden beschouwd. Eiser voldoet aan de voorwaarden die daarin staan opgesomd voor het aannemen van zelfredzaamheid.
Conclusie en gevolgen
13. Verweerder heeft de aanvraag niet-ontvankelijk mogen verklaren. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan op 2 september 2026 door mr. B.F.Th. de Roos, rechter, in aanwezigheid van mr. A.J.J. Sterks, griffier en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen twee weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.