ECLI:NL:RBDHA:2026:25327

ECLI:NL:RBDHA:2026:25327

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 02-09-2026
Datum publicatie 03-09-2026
Zaaknummer 12245733 \ RP VERZ 26-50662
Rechtsgebied Civiel recht; Arbeidsrecht
Procedure Beschikking
Zittingsplaats Den Haag

Samenvatting

Verzoek tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst van de broer van de inmiddels afgetreden Gevolmachtigd Minister van het Kabinet van de Gevolmachtigde Minister van Curaçao (KGMC) wordt afgewezen. Geen sprake van een voldragen e-, g-, d- of i-grond.

Uitspraak

RECHTBANK

Civiel recht

Kantonrechter

Zittingsplaats 's-Gravenhage

PV/cd

Zaaknummer / rekestnummer: 12245733 \ RP VERZ 26-50662

Beschikking van 2 september 2026

in de zaak van

HET LAND CURAÇAO, MEER IN HET BIJZONDER HET KABINET VAN DE GEVOLMACHTIGDE MINISTER VAN CURAÇAO,

te Den Haag,

verzoekende partij,

hierna te noemen: het KGMC,

gemachtigde: mr. V. Breedveld,

tegen

[verwerende partij] ,

te [woonplaats] ,

verwerende partij,

hierna te noemen: [verwerende partij] ,

gemachtigde: P. Mahiany.

1. De procedure

De kantonrechter heeft kennis genomen van de volgende stukken:

- het verzoekschrift met producties 1 tot en met 14;

- het verweerschrift met producties 1 tot en met 12;

- de aanvullende productie 15 van het KGMC;

- de aantekeningen van de mondelinge behandeling op 5 augustus 2026 en de tijdens die zitting namens partijen overgelegde schriftelijke spreekaantekeningen.

2. De feiten

Het KGMC is de vertegenwoordiging van de Curaçaose regering in Nederland en valt onder het ministerie van Algemene Zaken van Curaçao. Het KGMC staat onder leiding van een directeur, die op zijn beurt onder de leiding staat van de Gevolmachtigde Minister in Nederland (GevMin). Het KGMC, dat ook bekend staat als het Curaçaohuis, staat de GevMin bij. Het personeel dat werkzaam is bij het KGMC is in dienst van het land Curaçao. Het KGMC is gevestigd in Den Haag.

De heer [naam 1] is op 14 juni 2021 beëdigd als GevMin. [naam 1] is de broer van [verwerende partij] .

Als gevolg van een landsbesluit van de Gouverneur van Curaçao van 1 november 2021 is [verwerende partij] met ingang van 1 juli 2021 in dienst getreden bij het KGMC. Aanvankelijk was dit op basis van een arbeidsovereenkomst voor de duur van de ambtsperiode van [naam 1] als GevMin. Als gevolg van een landsbesluit van 1 augustus 2024 is de arbeidsovereenkomst van [verwerende partij] met ingang van 1 juli 2024 omgezet in een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd.

In de laatste arbeidsovereenkomst zijn het KGMC en [verwerende partij] het volgende overeengekomen (voor zover van belang): (i) [verwerende partij] mag zonder toestemming van “de werkgever” geen arbeid voor derden verrichten (artikel 2 lid 3) en (ii) op de arbeidsovereenkomst is Nederlands recht van toepassing en geschillen worden exclusief voorgelegd aan de bevoegde Nederlandse rechter (artikel 7).

In maart 2025 heeft een plenaire vergadering van het KGMC plaatsgevonden. Bij deze vergadering, waarbij [verwerende partij] aanwezig was, is gesproken over het handelen van [naam 1] als GevMin.

[verwerende partij] heeft zich op 31 maart 2025 ziek gemeld. Naar aanleiding van een spreekuur op 17 april 2025 heeft de bedrijfsarts gerapporteerd dat de oorzaak van de ziekmelding voornamelijk verband houdt met werkgerelateerde factoren.

[verwerende partij] heeft in juli 2025 twee ongedateerde verklaringen ondertekend. In de eerste verklaring stelt hij dat de tijdens de vergadering gedane uitspraken over [naam 1] ongepast en onjuist waren, dat [naam 1] geen enkele onrechtmatige handeling heeft gepleegd en dat de beschuldigingen voortkwamen uit een persoonlijke kwestie. In de tweede verklaring distantieert [verwerende partij] zich van suggesties in de media dat hij belastende informatie over of met de GevMin zou hebben gedeeld.

Mevrouw [naam 2] , die tijdelijk bij het KGMC werkzaam was als adviseur op het gebied van personeelszaken, heeft [naam 1] op 11 augustus 2025 een e-mail gestuurd. In deze e-mail schrijft zij dat [verwerende partij] tegenover de HR-adviseur van het KGMC heeft verklaard dat hij de verklaring(en) niet zelf heeft opgesteld en dat de heer [naam 3] (hierna: [naam 3] ) aan de HR-adviseur heeft meegedeeld dat [verwerende partij] zou hebben gezegd dat hij de door hem ondertekende verklaring(en) aanmerkt als ‘valsheid in geschrift’.

[verwerende partij] heeft de HR-adviseur van het KGMC op 20 augustus 2025 een e-mail gestuurd. [verwerende partij] schrijft in zijn e-mail het volgende (voor zover van belang):

“(…) Met deze brief wens ik formeel en ondubbelzinnig te verklaren dat de brief die door de Gevolmachtigde Minister is verspreid, niet door mij is opgesteld noch onder mijn verantwoordelijkheid tot stand is gekomen. Ik distantieer mij volledig van de inhoud en benadruk dat ik (…) het stuk niet heb geschreven.

Daarnaast ervaar ik sinds enige tijd aanzienlijke druk en herhaaldelijke intimidatie om verantwoordelijk te nemen voor gedragingen en feiten die ik niet heb begaan. Deze druk gaat gepaard met dreigementen dat mijn dienstverband zal worden beëindigd indien ik geen schuld erken. (…)

Ten aanzien van de betreffende vergadering, (…) merk ik op dat daar meerdere kwesties aan de orde zijn gekomen die betrekking hadden op merkwaardige handelwijzen van de Gevolmachtigde Minister. In dat kader heb ik uitsluitend feitelijk aangegeven dat ik beschik over een audio-opname waarin een eigenaar van een taxibedrijf spreekt over het afstaan van twintig procent (20%) van zijn inkomsten. Deze opname is door mij gemaakt zonder medeweten van de betrokkene. Ik benadruk hierbij dat ik deze opname nooit heb verspreid of extern heb gedeeld. De opname is louter in een interne context besproken: eerst met de directeur en later in aanwezigheid van de waarnemend directeur. (…)

Dat deze interne bespreking en de bedoelde brief thans worden gebruikt om mij valselijk verantwoordelijk te stellen, acht ik onterecht en buitengewoon zorgwekkend. Ter staving van mijn verklaring merk ik op dat ik in het bezit ben van drie afzonderlijke audio-opnames die mijn mededelingen bevestigen. (…)”

Het KGMC heeft [verwerende partij] met ingang van 1 september 2025 op non-actief gesteld. Deze non-actiefstelling is diezelfde dag per brief aan [verwerende partij] bevestigd. In de brief staat het volgende (voor zover van belang):

“(…) Deze maatregel [de non-actiefstelling, toev. ktr.] is noodzakelijk in het kader van een lopend intern onderzoek naar uw gedrag en handelen. (…)

In dit verband wordt er verwezen naar onder andere:

Uw beschuldiging van de Gevolmachtigde Minister van het ontvangen van vermeende commissieloon en het afspelen van een opname tijdens een interne plenaire vergadering;

De audio opname/het vermeende bewijs, waarnaar elke keer werd verwezen werd door u nooit ter beschikking is gesteld (…) maar later bleek dat deze wel gebruikt wordt om reputatie schade aan te richten en om te worden verspreid onder de andere collega’s;

Met het verlopen van tijd geeft u aan in het bezit te zijn van (eerst) 1 audio opname waarna u na verloop van tijd weer aangeeft in het bezit te zijn van 3 opnames (…);

Vervolgens levert u na ondertekening 2 verschillende verklaringen in waarin u aangeeft dat de vermeende aantijgingen niet gefundeerd zijn;

Na een bericht van de HR medewerker (…) geeft u plotseling aan dat deze verklaringen wel door u ondertekend maar niet door u opgemaakt zijn;

U geeft daarna aan onder druk te worden gezet om een verklaring af te leggen en dat u zich o.a. vermeend geïntimideerd wordt en dat u zich niet veilig voelt; maar u geeft vervolgens niet aan door wie (…);

Er is geconstateerd dat u collega’s opzadelt met uw persoonlijke zienswijzen en frustraties met betrekking tot de verstoorde familierechterlijke banden met uw broer;

Door het hele kabinet te betrekken in de privé “vendetta” tegen uw broer zorgt u voor het zaaien van onrust en het creëren van verdeeldheid binnen het kabinet;

Deze onnodige onrust op de werkvloer wordt door u in stand gehouden door o.a. het ventileren van zeer ernstige aantijgingen/geruchten tijdens een plenaire vergadering;

U kiest daarbij niet voor een oplossingsgerichte aanpak, integendeel, u meldt zich vervolgens ziek. (…);

(…) Alle pogingen om een hoor en wederhoor proces op te starten worden aldus zowel door u als ook door de HR medewerker tegengehouden en gefrustreerd.

Echter, in strijd met hetgeen (…) met u is overeengekomen (…), besluit u op eigen initiatief naar buiten treden;

U geeft aan geen vertrouwen in uw leidinggevenden te hebben hetgeen voor ons de reden is om te constateren dat er sprake is van een ernstig arbeidsconflict;

Verder vermeldt u dat u zich, geïntimideerd en bedreigd voelt maar bij elke poging van uw

leidinggevende om deze vermeende aantijgingen te onderzoeken grijpt u gelijk terug naar de ziekte wet;

15. Hierdoor wordt een zeer ongezonde werksfeer mede door u in stand gehouden en wij zien daarom dan ook geen andere oplossing dan om u tijdelijk te ontheffen van uw taken en verantwoordelijkheden (…)”

De Staten van Curaçao heeft in december 2025 een motie aangenomen waarin de Algemene Rekenkamer Curaçao (ARC) wordt verzocht om onderzoek te doen naar de integriteit, legaliteit en efficiëntie van het financieel beleid in het Curaçaohuis en van de GevMin in de jaren 2022 tot en met 2025.

Het land Curaçao heeft begin 2026, onder leiding van de Secretaris-generaal van het Ministerie van Algemene Zaken van Curaçao, een interventie bij het KGMC laten plaatsvinden. Tijdens het onderzoek dat daarbij is verricht is gebleken dat [verwerende partij] (i) betrokken is geweest bij werkzaamheden die zijn verricht onder handelsnamen van de eenmanszaak van [naam 3] , namelijk [bedrijf 1] , [bedrijf 2] en [bedrijf 3] en (ii) gebruik heeft gemaakt van de ambtswoning van het KGMC in Den Haag, die ter beschikking stond van de GevMin.

[naam 1] is op 12 januari 2026 teruggetreden als GevMin. Hij is tijdelijk opgevolgd door de heer [naam 4] .

[verwerende partij] heeft het KGMC bij e-mail van 6 april 2026 bericht dat hij beschikbaar is voor werkhervatting en gemotiveerd is om zijn werkzaamheden voort te zetten.

Sinds 1 juli 2026 is de heer [naam 5] de GevMin.

3. Het geschil

Het KGMC verzoekt de kantonrechter om de arbeidsovereenkomst met [verwerende partij] per eerst mogelijke datum te ontbinden, primair op grond van (ernstig) verwijtbaar handelen, subsidiair op grond van een verstoorde arbeidsverhouding, meer subsidiair op grond van disfunctioneren en uiterst subsidiair op grond een combinatie van deze ontslaggronden, met veroordeling van [verwerende partij] in de proceskosten.

Het KGMC legt aan zijn verzoek – samengevat – het volgende ten grondslag. [verwerende partij] heeft tijdens een plenaire vergadering de voormalig GevMin (dus zijn broer) beschuldigd van corruptie door het aannemen van commissieloon. Daarbij heeft hij verwezen naar een heimelijke audio-opname die vervolgens binnen en buiten organisatie is gaan circuleren zonder dat deze ter hand is gesteld aan het KGMC. Ook heeft [verwerende partij] door de voormalig GevMin opgestelde en door [verwerende partij] ondertekende afstandsverklaringen als valsheid in geschrifte bestempeld en de voormalig GevMin zonder bewijs beschuldigd van intimidatie en bedreigingen. Daarnaast is gebleken dat [verwerende partij] werkzaam is geweest bij of voor ondernemingen op een wijze die zich niet verdraagt met zijn functie bij het KGMC, ten onrechte gebruik heeft gemaakt van de ambtswoning van de voormalig GevMin en zich publiekelijk heeft uitgelaten over interne aangelegenheden van Het KGMC en het land Curaçao. Hiermee heeft [verwerende partij] verwijtbaar gehandeld en als gevolg van deze gedragingen is het vertrouwen in [verwerende partij] bovendien volledig verdwenen. Binnen de organisatie is een gefrustreerde werksfeer ontstaan. Pogingen tot overleg en hoor en wederhoor zijn door [verwerende partij] gefrustreerd. [verwerende partij] heeft daarmee ook niet gehandeld zoals van een communicatiemedewerker mag worden verwacht. Er is geen reëel verbetertraject mogelijk gebleken. Herplaatsing ligt, gelet op de fundamentele vertrouwensbreuk, niet in de rede.

[verwerende partij] verzoekt primair om het verzoek tot ontbinding af te wijzen. Subsidiair verzoekt [verwerende partij] om (i) te bepalen dat geen sprake is van ernstig verwijtbaar handelen van [verwerende partij] , (ii) het KGMC te veroordelen tot betaling van de transitievergoeding en (iii) aan [verwerende partij] een billijke vergoeding in goede justitie vastgesteld toe te kennen indien de ontbinding het gevolg is van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van het KGMC. In beide gevallen – dus zowel primair als subsidiair – verzoekt [verwerende partij] om het KGMC te veroordelen in de proceskosten. Op de stellingen van [verwerende partij] wordt hieronder, voor zover relevant, nader ingegaan.

4. De beoordeling

Rechtsmacht

Omtrent privaatrechtelijke onderwerpen van interregionale aard kunnen bij rijkswet regelen worden gesteld. Aangezien een regeling ter bepaling van de rechterlijke bevoegdheid in privaatrechtelijke zaken van interregionale aard bij rijkswet ontbreekt, zal de kantonrechter de regels betreffende de rechtsmacht van de Nederlandse rechter in internationale geschillen analoog toepassen.De kantonrechter heeft rechtsmacht in deze zaak, aangezien het een verzoek betreft tot ontbinding van een arbeidsovereenkomst en [verwerende partij] de arbeid gewoonlijk in Nederland verrichtte. De kantonrechter van de Rechtbank Den Haag, zittingsplaats Den Haag, is relatief bevoegd van het verzoek kennis te nemen.

Toepasselijk recht

Ook ten aanzien van de vraag naar het op de rechtsverhouding tussen partijen toepasselijke recht, geldt dat analoog de regels van het internationale conflictenrecht dienen te worden toegepast. Op grond van de Verordening (EG) nr. 593/2008 van 17 juni 2008 inzake het recht dat van toepassing is op verbintenissen uit overeenkomst (Rome I) is de hoofdregel dat de arbeidsovereenkomst wordt beheerst door het recht dat partijen (uitdrukkelijk) hebben gekozen. In de arbeidsovereenkomst is een expliciete keuze gemaakt voor Nederlands recht, zodat het Nederlandse recht daarop van toepassing.

Ontbinding

Een arbeidsovereenkomst kan alleen worden ontbonden als daar een redelijke grond voor is. In de wet is bepaald wat een redelijke grond is. Ook is voor ontbinding vereist dat herplaatsing van de werknemer binnen een redelijke termijn, al dan niet met behulp van scholing, in een andere passende functie niet mogelijk is of niet in de rede ligt. Verder mag er geen opzegverbod aan de ontbinding van de arbeidsovereenkomst in de weg staan, maar niet in geschil is dat van een opzegverbod in dit geval geen sprake is.

Verwijtbaar handelen (e-grond)

Voor een ontslag wegens verwijtbaar handelen (of nalaten) moet het gedrag van de werknemer zo ernstig en aan hem toe te rekenen zijn, dat van de werkgever niet kan worden verwacht dat hij de arbeidsovereenkomst laat voortduren. Bij de beoordeling of ontbinding op deze grond redelijk is, moeten alle omstandigheden en belangen van de werkgever en de werknemer in aanmerking worden genomen.

Het belangrijkste verwijt dat het KGMC [verwerende partij] maakt, is dat hij tijdens de plenaire vergadering van maart 2025 de toenmalig GevMin (en daarmee dus zijn broer [naam 1] ) zonder onderbouwing heeft beschuldigd van corruptie. Tussen partijen bestaat verschil van inzicht over hetgeen tijdens deze vergadering precies is gezegd en gebeurd. [verwerende partij] heeft toegelicht dat hij voor de vergadering aan de tweede waarnemend directeur van het KGMC, de heer [naam 6] , heeft medegedeeld dat er drie audio-opnames bestaan waarin de eigenaar van een taxibedrijf suggereert dat hij geld heeft moeten afstaan aan de voormalig GevMin in verband met werkzaamheden. Volgens [verwerende partij] heeft hij deze opnames toen ook aan de heer [naam 6] laten horen. [verwerende partij] betwist dat hij, zoals het KGMC stelt, deze beschuldiging tijdens de vergadering en daarmee in aanwezigheid van het overgrote deel van het personeel van het KGMC heeft geuit.

De kantonrechter acht dit laatste onderdeel van de lezing van [verwerende partij] niet geloofwaardig. [verwerende partij] heeft immers in zijn e-mail aan de HR-medewerker van het KGMC van 20 augustus 2025 zelf geschreven dat hij tijdens de vergadering, in het kader van de door hem genoemde ‘merkwaardige handelwijzen’ van de voormalig GevMin, heeft gezegd dat hij beschikt over een audio-opname waarin de eigenaar van een taxibedrijf spreekt over het afstaan van een deel van zijn inkomsten aan de voormalig GevMin. De kantonrechter gaat er daarom van uit dat [verwerende partij] tijdens de plenaire vergadering de hem verweten beschuldiging aan het adres van de voormalig GevMin daadwerkelijk heeft geuit. Dat daarbij ook een gedeelte van (een van) de audio-opname(s) is afgespeeld, is niet komen vast te staan. Het KGMC heeft dit niet in haar verzoekschrift gesteld, maar pas tijdens de zitting naar voren gebracht, waarna [verwerende partij] deze stelling heeft betwist.

Duidelijk is geworden dat de ARC sinds april 2026 onderzoek doet naar het handelen van [naam 1] in zijn hoedanigheid van GevMin, waaronder naar de hiervoor genoemde kwestie rondom de taxi-inkomsten. De kantonrechter begrijpt dat dit het onderzoek betreft dat is ingesteld naar aanleiding van het verzoek van de Staten van Curaçao. Dit onderzoek is volgens het KGMC nog niet afgerond. Op dit moment staat daarom niet vast of [naam 1] als GevMin daadwerkelijk geld heeft aangenomen van de eigenaar van het taxibedrijf en, daarmee samenhangend, of de beschuldiging die [verwerende partij] tijdens de plenaire vergadering heeft geuit feitelijk juist is. De kantonrechter is van oordeel dat de uitkomst van dit onderzoek voor de beoordeling van het aan [verwerende partij] gemaakte verwijt van belang is. Indien uit het onderzoek blijkt dat de beschuldiging (in de kern) juist is, kan het uiten daarvan op zichzelf genomen niet (zonder meer) als verwijtbaar handelen worden aangemerkt. Zolang de uitkomst van het onderzoek niet bekend is, kan de kantonrechter niet vaststellen of de door [verwerende partij] geuite beschuldiging feitelijk onjuist was en zodoende evenmin vaststellen of (hem kan worden verweten dat) hij deze zonder grond naar voren heeft gebracht.

Volgens het KGMC had [verwerende partij] de beschuldiging niet op deze wijze, dus tijdens de plenaire vergadering, moeten uiten. Duidelijk is echter geworden dat binnen het KGMC geen formeel vastgestelde procedure bestaat voor het melden van dergelijke ernstige verwijten of vermoedens van dergelijke misstanden. Het KGMC heeft aangevoerd dat [verwerende partij] de audio-opnames had kunnen voorleggen aan de ministers in Willemstad, het Openbaar Ministerie of de Landsrecherche Curaçao, maar gesteld noch gebleken is dat dit voor [verwerende partij] als werknemer van het KGMC kenbare opties waren om zijn beschuldigingen over de GevMin in functie te adresseren. [verwerende partij] heeft bovendien onweersproken gesteld dat tijdens de plenaire vergadering ook andere beschuldigingen aan het adres van de voormalig GevMin zijn geuit. Tegen die achtergrond is het niet onvoorstelbaar dat [verwerende partij] er mogelijkerwijs van is uitgegaan dat er tijdens deze vergadering ruimte bestond om zijn eigen zorgen en bevindingen naar voren te brengen. Ook van belang is dat niet is gebleken dat andere aanwezigen bij de plenaire vergadering naar aanleiding van de door [verwerende partij] geuite beschuldiging melding hebben gemaakt van de kwestie bij de door het KGMC genoemde instanties. De enkele omstandigheid dat [verwerende partij] de kwestie tijdens de vergadering heeft besproken, is daarom onvoldoende om te concluderen dat hij daarmee verwijtbaar heeft gehandeld.

Het KGMC verwijt [verwerende partij] dat de audio-opnames buiten de organisatie zijn gaan circuleren. Tijdens de mondelinge behandeling heeft het KGMC toegelicht dat Curaçaose parlementariërs de beschikking over de audio-opname(s) hebben gekregen en dat deze vervolgens, in de aanloop naar/gedurende de verkiezingen, openbaar zijn geworden. Op basis van alleen deze stelling kan niet worden vastgesteld dat de verspreiding van de audio-opnames aan [verwerende partij] kan worden toegerekend. [verwerende partij] heeft uitdrukkelijk betwist dat hij de opnames heeft verspreid en tegenover deze betwisting heeft het KGMC geen concrete feiten of omstandigheden naar voren gebracht waaruit blijkt dat [verwerende partij] de opnames daadwerkelijk met derden heeft gedeeld (met als gevolg dat deze verder zijn verspreid). Hoewel het wel voor de hand ligt dat [verwerende partij] de opnames op enig moment met anderen heeft gedeeld, is niet duidelijk geworden met wie hij dit heeft gedaan en op welke wijze de opnames uiteindelijk bij parlementariërs en vervolgens in de openbaarheid terecht zijn gekomen. Op basis van de voorhanden zijnde informatie kan niet worden aangenomen dat het KGMC terecht stelt dat [verwerende partij] verantwoordelijk is voor het buiten de organisatie circuleren van de audio-opnames.

Volgens het KGMC bestaat het verwijtbaar handelen van [verwerende partij] er ook uit dat hij is teruggekomen op de verklaringen die hij in juli 2025 heeft ondertekend, door zich later op het standpunt te stellen dat deze verklaringen niet van hem afkomstig zijn. Tijdens de mondelinge behandeling heeft [verwerende partij] erkend dat hij de verklaringen heeft ondertekend. Hij heeft daarbij toegelicht dat hij daartoe onder zware druk is gezet door zijn vader, die hem zou hebben voorgehouden dat hij de verklaringen moest ondertekenen omdat hij anders, naar aanleiding van een mededeling van de minister-president van Curaçao, zou worden ontslagen. [verwerende partij] heeft deze stelling echter niet met concrete gegevens onderbouwd, zodat de kantonrechter niet kan vaststellen dat daadwerkelijk sprake is geweest van dergelijke druk.

Wat ook zij van de omstandigheden waaronder [verwerende partij] de verklaringen heeft ondertekend, het enkele feit dat hij daarop is teruggekomen, acht de kantonrechter onvoldoende om van verwijtbaar handelen. Daarbij neemt de kantonrechter in aanmerking dat het niet onvoorstelbaar is dat [verwerende partij] , mede gelet op de ernst van de door hem geuite beschuldiging en zijn gestelde zorg voor het land Curaçao, na verloop van tijd tot een andere afweging is gekomen over de juistheid en de gevolgen van zijn eerdere verklaringen. Indien achteraf zou blijken dat de door [verwerende partij] geuite beschuldiging (in de kern) juist was, is voorstelbaar dat hij moeite heeft gehad met het eerder ondertekenen van verklaringen waarin die beschuldiging werd afgezwakt of weersproken. Tegen deze achtergrond moet het voor [verwerende partij] onder de gegeven omstandigheden mogelijk zijn geweest om terug te komen op eerder afgelegde verklaringen. Dat terugkomen op die verklaringen levert daarom geen verwijtbaar handelen op.

Het KGMC stelt verder dat [verwerende partij] de door hem ondertekende verklaringen heeft aangemerkt als ‘valsheid in geschrift’ en dat hij de voormalig GevMin zonder bewijs heeft beschuldigd van intimidatie en bedreigingen. Niet is komen vast te staan dat [verwerende partij] de door hem ondertekende verklaringen daadwerkelijk als ‘valsheid in geschrift’ heeft aangeduid. In zijn e-mail van 20 augustus 2025 gebruikt [verwerende partij] die kwalificatie in ieder geval niet. Het KGMC lijkt deze stelling te baseren op een mededeling van [naam 3] aan de HR-adviseur, die vervolgens aanleiding heeft gegeven tot de e-mail van mevrouw [naam 2] aan de voormalig GevMin van 11 augustus 2025. Niet kan echter worden uitgesloten dat [naam 3] daarbij slechts heeft weergegeven wat hij heeft begrepen dat [verwerende partij] heeft gezegd en niet de exacte bewoordingen van [verwerende partij] heeft overgebracht. Voor zover het KGMC het verwijt dat [verwerende partij] de voormalig GevMin heeft beschuldigd van intimidatie en bedreigingen baseert op de e-mail van [verwerende partij] van 20 augustus 2025, volgt de kantonrechter het KGMC evenmin. In de tweede alinea van die e-mail, waarin [verwerende partij] spreekt over intimidatie en dreigementen, wordt de (naam van de) voormalig GevMin niet genoemd. Niet kan daarom worden vastgesteld dat [verwerende partij] met deze passages op de voormalig GevMin doelde; de betreffende opmerkingen kunnen ook betrekking hebben op een andere persoon (zoals mogelijk de vader van [verwerende partij] ). Daarmee is niet komen vast te staan dat [verwerende partij] de voormalig GevMin heeft beschuldigd van intimidatie en bedreigingen.

Tot slot stelt het KGMC dat [verwerende partij] zich schuldig heeft gemaakt aan verschillende integriteitskwesties. Deze verwijten zien, kort gezegd, op (1) zijn betrokkenheid bij de onderneming van [naam 3] , (2) het gebruik van de ambtswoning en (3) publieke uitlatingen die hij heeft gedaan.

[verwerende partij] heeft niet betwist dat hij betrokken is geweest bij de eenmanszaak van [naam 3] . Volgens hem had hij voor het verrichten van de werkzaamheden toestemming van de voormalig GevMin, maar [verwerende partij] heeft tegenover de betwisting van het KGMC dat deze toestemming is gegeven niet onderbouwd dat hij daadwerkelijk toestemming had van de voormalig GevMin. Bovendien kan toestemming van de GevMin niet zonder meer worden gelijkgesteld aan toestemming van het land Curaçao, dat als werkgever van [verwerende partij] moet worden aangemerkt. Strikt genomen heeft [verwerende partij] daarom het nevenwerkzaamhedenbeding uit artikel 2 lid 3 van de arbeidsovereenkomst geschonden.

Naar het oordeel van de kantonrechter levert deze schending echter geen zodanig verwijtbaar handelen op dat van het KGMC niet langer kan worden gevergd de arbeidsovereenkomst te laten voortduren. De kantonrechter kan zich voorstellen dat het verrichten van nevenwerkzaamheden door een werknemer met de positie van [verwerende partij] – mede gelet op de aard en verantwoordelijkheid van zijn functie – gevoelig kan liggen en vragen kan oproepen. Het KGMC heeft echter onvoldoende onderbouwd dat [verwerende partij] door zijn betrokkenheid bij de activiteiten onder de handelsnamen van de eenmanszaak van [naam 3] een daadwerkelijke situatie van belangenverstrengeling heeft gecreëerd, dan wel de gerechtvaardigde schijn daarvan heeft gewekt. De facturen waar het KGMC naar heeft verwezen, geven die onderbouwing niet. Evenmin is gebleken dat [verwerende partij] hierdoor persoonlijk financieel voordeel heeft genoten dat verband hield met zijn dienstverband bij

het KGMC of dat hij zonder zijn positie binnen het KGMC niet zou hebben kunnen verkrijgen.

[verwerende partij] heeft evenmin betwist dat hij gebruik heeft gemaakt van de ambtswoning. Hij heeft toegelicht dat hij de woning op uitnodiging van de voormalig GevMin heeft betrokken. Het KGMC heeft deze gang van zaken niet weersproken, maar stelt dat [verwerende partij] zelf had moeten begrijpen dat hij geen gebruik van de woning mocht maken, omdat het gaat om een woning van het land Curaçao waarvan de voorzieningen eveneens door het land Curaçao worden bekostigd. Naar het oordeel van de kantonrechter kan deze omstandigheid [verwerende partij] echter niet worden tegengeworpen. Indien de voormalig GevMin, als hoogste functionaris binnen de organisatie van het KGMC, toestemming heeft gegeven of een uitnodiging heeft gedaan om de ambtswoning te betrekken, mocht [verwerende partij] er in beginsel van uitgaan dat dit was toegestaan, ook al was dat op dat moment zijn broer. Het lag op de weg van de voormalig GevMin om te beoordelen of een dergelijke uitnodiging kon worden gedaan en die verantwoordelijkheid kan niet bij [verwerende partij] worden neergelegd. Ook dit verwijt kan de verzochte ontbinding op deze grond daarom niet dragen.

Het KGMC stelt dat [verwerende partij] zich publiekelijk heeft uitgelaten over interne aangelegenheden van het KGMC en het land Curaçao. Het KGMC heeft echter niet concreet gemaakt welke uitlatingen [verwerende partij] precies heeft gedaan die hij niet had mogen doen. Voor zover het KGMC met dit verwijt doelt op de door [verwerende partij] geuite beschuldigingen aan het adres van de voormalig GevMin, geldt dat hiervoor reeds is overwogen dat het uiten van een dergelijke beschuldiging op zichzelf niet zonder meer als verwijtbaar handelen kan worden aangemerkt indien achteraf blijkt dat de beschuldiging in de kern juist is. Op dit moment bestaat daarover nog geen duidelijkheid, omdat het onderzoek naar het handelen van de voormalig GevMin nog niet is afgerond. Zolang niet vaststaat dat [verwerende partij] een ongefundeerde of onjuiste beschuldiging heeft geuit, rechtvaardigt dit verwijt niet zelfstandig de verzochte ontbinding van de arbeidsovereenkomst.

Gelet op al het voorgaande is de kantonrechter van oordeel dat het handelen van [verwerende partij] , ook als wordt aangenomen dat hij op onderdelen anders had kunnen en wellicht moeten handelen, onder de gegeven omstandigheden onvoldoende ernstig is om te kunnen worden aangemerkt als een voldragen e-grond.

Verstoorde arbeidsverhouding (g-grond)

Voor een ontslag wegens een verstoorde arbeidsverhouding is vereist dat de verhouding zo verstoord is dat van de werkgever in redelijkheid niet verwacht kan worden de arbeidsovereenkomst te laten voortduren. Dit is het geval als de arbeidsverhouding zodanig ernstig en duurzaam is verstoord, dat herstel daarvan niet meer mogelijk is.

Ter onderbouwing van het bestaan van een verstoorde arbeidsverhouding verwijst het KGMC deels naar dezelfde feiten en omstandigheden die ten grondslag liggen aan het ontbindingsverzoek wegens verwijtbaar handelen, te weten de beschuldiging van corruptie, het afstand nemen van de ondertekende verklaringen en de beschuldiging aan het adres van de voormalig GevMin van valsheid in geschrifte en intimidatie. Daar voegt het KGMC aan toe dat de ontstane spanningen hebben geleid tot verlies van vertrouwen bij het land Curaçao, collega’s en leidinggevenden en dat door de weigerachtige houding van [verwerende partij] om mee te werken aan normalisatie van de arbeidsverhouding, waarbij hij volgens het KGMC

uitnodigingen voor gesprekken heeft afgehouden door te vluchten in aanwezigheid wegens ziekte, geen reëel perspectief meer bestaat op herstel van de arbeidsverhouding.

Hiervoor is reeds geoordeeld dat het door het KGMC gestelde verwijtbaar handelen door [verwerende partij] in deze procedure niet is komen vast te staan. Daarmee komt ook een belangrijk deel van de feiten en omstandigheden die aan de gestelde verstoring van de arbeidsverhouding ten grondslag zijn gelegd daaraan te ontvallen.

Het KGMC stelt verder dat de arbeidsverhouding tussen [verwerende partij] en het KGMC ernstig en duurzaam is verstoord, maar deze stelling is, gelet op hetgeen is aangevoerd en uit het dossier naar voren komt, onvoldoende geconcretiseerd en onderbouwd. Uit het dossier blijkt niet van concrete feiten of omstandigheden waaruit kan worden afgeleid dat de verhouding van [verwerende partij] met het Land Curaçao, zijn collega’s of zijn leidinggevenden daadwerkelijk (duurzaam) is verzuurd. Voor zover sprake is van verstoorde familierechtelijke banden met de voormalig GevMin, geldt dat die verstoring geacht wordt geen nadelige invloed meer te hebben op de werkvloer van het KGMC, nu er een nieuwe GevMin in functie is. De kantonrechter ziet niet in waarom [verwerende partij] onder de huidige GevMin geen nieuwe start zou kunnen maken. Het KGMC heeft weliswaar gesteld dat de huidige GevMin heeft aangegeven niet met [verwerende partij] te willen samenwerken, maar deze stelling is door haar niet onderbouwd, terwijl [verwerende partij] heeft aangegeven dat hij nooit problemen heeft ervaren met de nieuwe GevMin.

Bovendien volgt uit het dossier onvoldoende dat KGMC, voor zover al sprake zou zijn van een enige verstoring, zodanig geprobeerd heeft om met [verwerende partij] in gesprek te komen dat van haar op dit moment niet langer kan worden verlangd om wederom het gesprek met hem aan te gaan. Het had van haar verwacht kunnen en mogen worden om ook sinds de betermelding van [verwerende partij] pogingen te ondernemen om de door haar gestelde verstoring, in welke verhouding die dan ook zou bestaan, te herstellen, bijvoorbeeld in de vorm van het (alsnog) voeren van constructieve gesprekken of mediation. Zeker nu [verwerende partij] bij zijn betermelding te kennen heeft gegeven gemotiveerd te zijn om zijn werkzaamheden voort te zetten.

Disfunctioneren (d-grond)

Onder een redelijk grond voor ontslag wordt verder verstaan de ongeschiktheid van de werknemer tot het verrichten van de bedongen arbeid. De werkgever moet aannemelijk maken dat hiervan sprake is. Om van disfunctioneren als grond ontslag te kunnen spreken moet de werkgever de werknemer tijdig in kennis hebben gesteld van het onvoldoende functioneren. Ook moet de werkgever de werknemer in voldoende mate in de gelegenheid hebben gesteld zijn functioneren te verbeteren.

De stelling dat [verwerende partij] zou disfunctioneren is in overwegende mate gebaseerd op het handelen van [verwerende partij] dat het KGMC als verwijtbaar heeft aangemerkt. Zoals hiervoor is overwogen, is dat door het KGMC gestelde handelen in deze procedure echter niet komen vast te staan, zodat reeds om die reden niet kan worden geconcludeerd dat sprake is van disfunctioneren. Daarnaast heeft het KGMC onvoldoende toegelicht waarom een reëel en concreet verbetertraject niet mogelijk zou zijn geweest. De enkele omstandigheid dat [verwerende partij] pogingen om tot een gesprek te komen heeft bemoeilijkt, maakt op zichzelf niet dat sprake is van disfunctioneren. Van een voldragen d-grond is derhalve geen sprake.

Cumulatiegrond (i-grond)

Het is mogelijk omstandigheden uit twee of meer onvoldragen ontslaggronden te combineren tot een redelijke grond voor ontslag. Uit deze combinatie van omstandigheden moet volgen dat voortzetting van de arbeidsovereenkomst in redelijkheid niet van werkgever kan worden gevergd.

Uit het voorgaande volgt dat noch de e-grond, noch de g-grond, noch de d-grond voldragen is. Het KGMC heeft niet toegelicht om welke reden de combinatie van de onvoldragen gronden de ontbinding toch rechtvaardigt. Het KGMC heeft in het kader van haar beroep op de i-grond alleen verwezen naar omstandigheden die hiervoor reeds aan de orde zijn gekomen bij de beoordeling van de andere aangevoerde ontslaggronden en die omstandigheden hebben om redenen als hiervoor genoemd niet kunnen leiden tot de conclusie dat sprake is van een voldragen ontslaggrond. Het KGMC heeft niet uitgelegd waarom een combinatie van deze omstandigheden niettemin maakt dat van haar niet verwacht kan worden de arbeidsovereenkomst met [verwerende partij] voort te zetten.

Conclusie

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, is de kantonrechter van oordeel dat er geen redelijke grond is voor ontbinding van de arbeidsovereenkomst. De conclusie is dan ook dat het verzoek van het KGMC tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst van [verwerende partij] zal worden afgewezen. Bij deze uitkomst behoeft het subsidiaire verzoek van [verwerende partij] geen verdere bespreking.

Proceskosten

Het KGMC is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [verwerende partij] worden begroot op:

- salaris gemachtigde € 865,00 (tarief WWZ tegenspraak gemiddeld)

- nakosten € 144,00

Totaal € 1.009,00

5. De beslissing

De kantonrechter:

wijst het verzoek van het KGMC af;

veroordeelt het KGMC in de proceskosten van € 1.009,-, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe. Als het KGMC niet tijdig aan deze veroordeling voldoet en de beschikking daarna wordt betekend, dan moet het KGMC ook de kosten van betekening betalen;

verklaart de veroordeling ten aanzien van de proceskosten uitvoerbaar bij voorraad.

Deze beschikking is gegeven door kantonrechter mr. E.A.W. Schippers en in het openbaar uitgesproken op 2 september 2026

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand