RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , V-nummer: [v-nummer] , eiser
de minister van Asiel en Migratie, verweerder
Zittingsplaats Rotterdam
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.40597
(gemachtigde: mr. E. El Assrouti),
en
(gemachtigde: mr. M. Smeulders).
Procesverloop
1. Met het bestreden besluit van 20 juli 2026 heeft verweerder aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd en de rechtbank daarvan in kennis gesteld.
Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Het beroep wordt ook aangemerkt als een verzoek om schadevergoeding.
Partijen hebben ingestemd met een schriftelijke behandeling. Eiser heeft zijn gronden van beroep ingediend op 23 juli 2026. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend op 27 juli 2026. Nadien hebben eiser en verweerder geen aanvullende standpunten ingenomen. De rechtbank heeft vervolgens het onderzoek op 29 juli 2026 om 09:15 uur gesloten.
Beoordeling door de rechtbank
Toetsingskader
2. Verweerder kan als het belang van de openbare orde of de nationale veiligheid dat vordert, de vreemdeling die geen rechtmatig verblijf heeft in vreemdelingenbewaring stellen. Verweerder stelt een vreemdeling slechts in vreemdelingenbewaring, voor zover geen minder dwingende maatregelen doeltreffend kunnen worden toegepast en de vreemdelingenbewaring blijft achterwege of wordt beëindigd, indien deze niet langer noodzakelijk is met het oog op het doel van de vreemdelingenbewaring. Deze vreemdeling kan in vreemdelingenbewaring worden gesteld op grond dat het belang van de openbare orde of nationale veiligheid zulks vordert, indien a) een onderduikrisico bestaat, of b) de vreemdeling de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert. De maatregel kan alleen worden opgelegd wegens het bestaan van een onderduikrisico, indien ten minste twee van de gronden, genoemd in artikel 5.6, tweede lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb) zich voordoen.
De aan eiser opgelegde maatregel van vreemdelingenbewaring
3. Verweerder heeft aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd. In deze maatregel staat dat de openbare orde de maatregel vordert, omdat het risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken en eiser de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert.
In de maatregel heeft verweerder als gronden vermeld dat eiser:
b. eerder een besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht de Europese Unie dan wel Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;c. niet dan wel niet voldoende meewerkt aan het vaststellen van zijn identiteit en nationaliteit;j. een aanvraag voor het verlenen van een verblijfsvergunning asiel heeft ingediend die niet-ontvankelijk is verklaard of is afgewezen als kennelijk ongegrond;q. meerdere aanvragen tot het verlenen van een verblijfsvergunning heeft ingediend die niet tot verlening van een verblijfsvergunning hebben geleid;r. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;s. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
Kunnen de door verweerder vermelde gronden de maatregel dragen?
4. Eiser betwist dat de grond q hem mocht worden tegengeworpen. Volgens eiser blijkt namelijk onvoldoende dat er een onderduikrisico volgt uit het indienen van meerdere verblijfsvergunningen. Hiernaast betwist eiser de grond r, omdat eiser bij een vriend in Utrecht kan verblijven en daardoor traceerbaar is.
Deze beroepsgrond slaagt niet. Weliswaar betwist eiser dat de gronden q en r aan hem kunnen worden tegengeworpen, maar de overblijvende gronden in onderlinge samenhang bezien, die de ambtshalve toetsing van de rechtbank doorstaan, zijn reeds voldoende om de maatregel te dragen. Daarom kan worden aangenomen dat er een onderduikrisico bestaat.Had verweerder moeten volstaan met een lichter middel?
5. Eiser voert aan dat verweerder had moeten volstaan met een lichter middel, omdat hij zou kunnen verblijven bij een in Utrecht wonende vriend. Er zou met een meldplicht of een borgtocht volstaan kunnen worden volgens eiser.
Deze beroepsgrond slaagt niet. Bij de beantwoording van de vraag of verweerder met toepassing van een lichter middel had moeten volstaan, beoordeelt de rechtbank of verweerder zich terecht op het standpunt stelt dat geen andere afdoende maar minder dwingende maatregelen dan de inbewaringstelling doeltreffend konden worden toegepast. Daarbij past een grondig onderzoek naar de feitelijke elementen van het concrete geval en een specifieke motivering van de minister: verwijzing naar de vreemdelingenbewarings-gronden volstaat daarvoor niet.
Verweerder stelt zich terecht op het standpunt dat in dit geval geen andere afdoende, maar minder dwingende maatregelen dan de inbewaringstelling doeltreffend konden worden toegepast. De reden hiervoor is dat uit de gronden voor de maatregel een onderduikrisico volgt. Vanwege het onderduikrisico is inbewaringstelling de enige mogelijkheid om eisers uitzetting te waarborgen. Verder heeft eiser in zijn gehoor verklaard dat hij moet wachten totdat hij kan worden geopereerd aan zijn darmen. Hij staat onder behandeling en ontvangt medicatie hierom. De rechtbank ziet hierin geen aanleiding om tot het oordeel te komen dat inbewaringstelling om deze reden te belastend is voor eiser, nu verweerder terecht in de maatregel heeft opgenomen dat de zorg in een detentiecentrum gelijkwaardig mag worden geacht aan die in de vrije maatschappij (dit volgt uit de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 15 november 2023 (ECLI:NL:RVS:2023:4219)). Eiser zal, indien dit toch nodig blijkt, zich kunnen wenden tot de medische dienst van het detentiecentrum. Ook overigens is het de rechtbank niet gebleken dat er medische en/of persoonlijke omstandigheden zijn die inbewaringstelling onredelijk bezwarend maken. Deze beroepsgrond slaagt niet.
Leidt ambtshalve toetsing tot een ander oordeel?
6. Los van de door eiser aangevoerde gronden, ziet de rechtbank in de door verweerder en eiser verstrekte gegevens geen grond om te komen tot het oordeel dat aan de rechtmatigheidsvoorwaarden voor deze maatregel niet is voldaan.
Conclusie en gevolgen
7. Het beroep tegen de maatregel van vreemdelingenbewaring is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank:
Deze uitspraak is gedaan door mr. A. Hello, rechter, in aanwezigheid van mr. S.A. Vroegop, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen één week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier.