ECLI:NL:RBDHA:2026:25339

ECLI:NL:RBDHA:2026:25339

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 19-08-2026
Datum publicatie 03-09-2026
Zaaknummer NL26.44881
Rechtsgebied Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Rotterdam

Samenvatting

vreemdelingenbewaring, vervolgberoep, zicht op uitzetting, voortvarend handelen, lichter middel, ongegrond.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , V-nummer: [v-nummer] , eiser

de minister van Asiel en Migratie, verweerder.

Zittingsplaats Rotterdam

Bestuursrecht

zaaknummer: NL26.44881

(gemachtigde: mr. S.T.V. Le),

en

Procesverloop

Verweerder heeft op 1 april 2026 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd. Deze maatregel duurt nog voort.

Eiser heeft tegen het voortduren van de maatregel van bewaring beroep ingesteld op 7 augustus 2026. Daarbij heeft hij verzocht om schadevergoeding.

Verweerder heeft een voortgangsrapportage overgelegd.

Eiser heeft hierop gereageerd.

De rechtbank heeft bepaald dat een onderzoek ter zitting achterwege blijft en heeft het vooronderzoek op 14 augustus 2026 gesloten.

Overwegingen

Zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn en voortvarend handelen

1. Indien de rechtbank van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring in strijd is met de Vw dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is, verklaart zij op grond van artikel 96, derde lid, van de Vw het beroep gegrond en beveelt zij de opheffing van de maatregel of een wijziging van de wijze van tenuitvoerlegging daarvan.

2. De rechtbank stelt voorop dat zij deze maatregel van bewaring al eerder heeft getoetst. Uit de uitspraak van 10 juli 2026 (in de zaak NL26.36379) volgt dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek dat aan die uitspraak ten grondslag ligt, rechtmatig was. Daarom is bij de beoordeling van de rechtmatigheid van het voortduren van de maatregel van bewaring slechts de periode van belang sinds het moment van het sluiten van dat onderzoek.

3. Eiser voert - verkort weergegeven - aan dat verweerder onvoldoende voortvarend werkt aan de verwijdering en dat er geen redelijk vooruitzicht op verwijdering is.

4. In wat eiser aanvoert, ziet de rechtbank geen aanleiding voor het oordeel dat er geen redelijk vooruitzicht op verwijdering is binnen een redelijke termijn. Blijkens het vertrekgesprek van 21 juli 2026 is de presentatie van 22 juli 2026 op verzoek van de vertegenwoordiging verplaatst naar 27 augustus 2026. Verweerder is daarbij afhankelijk van de medewerking van de Sierra Leoonse autoriteiten. Verder volgt de rechtbank niet eisers standpunt dat het uitblijven van een reactie van de Sierra Leoonse autoriteiten in het laissez-passer traject betekent dat er geen zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn bestaat, nu dit laissez-passer traject nog niet zodanig lang loopt en er sinds het opstarten van het traject inmiddels een tweede presentatie (op 27 augustus 2026) is gepland. Gesteld noch gebleken is dat de Sierra Leoonse autoriteiten niet bereidwillig zijn om een laissez-passer voor eiser te verstrekken. Deze beroepsgrond slaagt niet.

5. Voor wat betreft het voortvarend handelen van verweerder, merkt de rechtbank op dat verweerder sinds het sluiten van het onderzoek bij het eerdere vervolgberoep regelmatig vertrekgesprekken met eiser heeft gevoerd en heeft gerappelleerd bij de Sierra Leoonse autoriteiten in het kader van het laissez-passer traject. Zolang er geen laissez-passer is afgegeven of hierover een toezegging is gedaan door de buitenlandse autoriteiten, kan verweerder eisers uitzetting en bijbehorende vlucht niet plannen. Daarbij is, zoals gezegd, verweerder afhankelijk van de medewerking van de Sierra Leoonse autoriteiten. Dat eiser inmiddels enige tijd in bewaring zit, doet aan het voorgaande niet af. Deze beroepsgrond slaagt niet.

Lichter middel

6. Eiser voert aan dat verweerder had moeten volstaan met een lichter middel, omdat onvoldoende is gemotiveerd door verweerder waarom een lichter middel niet zou kunnen volstaan. Naarmate de inbewaringstelling langer voortduurt, weegt het belang van eiser bij toepassing van een lichter middel zwaarder dan verweerders belang bij eisers inbewaringstelling. Bovendien begint binnenkort het nieuwe schooljaar en dit vormt volgens eiser aanleiding om een lichter middel toe te passen.

7. Bij de beantwoording van de vraag of verweerder met toepassing van een lichter middel had moeten volstaan, beoordeelt de rechtbank of verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat geen andere afdoende maar minder dwingende maatregelen dan de inbewaringstelling doeltreffend konden worden toegepast. Daarbij past een grondig onderzoek naar de feitelijke elementen van het concrete geval en een specifieke motivering van verweerder; verwijzing naar de bewaringsgronden volstaat daarvoor niet. De rechtbank wijst op de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 23 februari 2015 (ECLI:NL:RVS:2015:674) en 10 april 2015 (ECLI:NL:RVS:2015:1309) en het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie (het Hof) van 5 juni 2014 (ECLI:EU:C:2014:1320, Mahdi).

8. De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich, gelet op de gronden die aan de maatregel ten grondslag zijn gelegd, terecht op het standpunt heeft gesteld dat in dit geval geen andere afdoende, maar minder dwingende maatregelen dan de inbewaringstelling doeltreffend konden worden toegepast. Eiser is namelijk in bewaring gesteld op 1 april 2026 mede op de grondslag dat er een onderduikrisico bestaat. Dit onderduikrisico is volgens de rechtbank actueel gebleven, aangezien eiser in de vertrekgesprekken van 14 juli 2026 en 21 juli 2026 heeft aangegeven niet mee te willen werken aan zijn presentatie. Bovendien heeft eiser in het vertrekgesprek van 14 juli 2026 duidelijk aangegeven dat terugkeer naar zijn land van herkomst geen optie is voor hem. Bij toepassing van een lichter middel is er onvoldoende waarborg dat eiser zal worden uitgezet met het oog op het actueel gebleven onderduikrisico. Verweerder heeft dan ook niet een lichter middel dan inbewaringstelling hoeven toepassen naar het oordeel van de rechtbank.

9. Ook zijn er geen medische en/of persoonlijke omstandigheden die ervoor zorgen dat inbewaringstelling onredelijk bezwarend voor eiser zijn. Alhoewel de rechtbank begrijpt dat het schooljaar binnenkort start en eiser naar school wil gaan, weegt dit niet op tegen verweerders belang bij inbewaringstelling. Verder overweegt de rechtbank dat eiser nog niet zodanig lang in bewaring is gesteld, dat dit ertoe zou moeten leiden dat eisers belang bij toepassing van een lichter middel prevaleert boven dat van verweerder bij inbewaringstelling. Daarbij hecht de rechtbank waarde aan de omstandigheid dat er al op 23 april 2026 een presentatie was ingepland bij de Sierra Leoonse autoriteiten, maar deze is geannuleerd vanwege een ‘no show’. Ten behoeve van de snelheid van het proces en daarmee mogelijk een kortere inbewaringstelling, had eiser ervoor kunnen kiezen om wel naar die presentatie te gaan. De tot nu toe beperkte tijd in bewaring en het nalaten om naar de voormelde presentatie te gaan, geven de rechtbank geen reden om tot het oordeel te komen dat de tijdsduur in bewaring tot nu toe ertoe zou moeten leiden dat er een lichter middel moet worden opgelegd. Deze beroepsgrond slaagt niet.

Ambtshalve toetsing

10. De rechtbank overweegt tot slot dat zij, zoals blijkt uit het arrest van het Hof van 8 november 2022, ECLI:EU:C:2022:858, gehouden is ambtshalve de rechtmatigheidsvoorwaarden van de maatregel van bewaring te toetsen. Ook met inachtneming van deze ambtshalve toetsing ziet de rechtbank geen grond voor het oordeel dat het voortduren van de maatregel van bewaring vanaf 8 juli 2026 tot het moment dat het vooronderzoek is gesloten in de onderhavige zaak op 14 augustus 2026 op enig moment onrechtmatig was. Er is ook niet gebleken dat het familie- en gezinsleven van eiser of het beginsel van non-refoulement zich verzetten tegen eisers verwijdering (zoals bedoeld in het arrest Adrar van het Hof van 4 september 2025, ECLI:EU:C:2025:647).

Conclusie en gevolgen

11. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

12. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.M.J. Adriaansen, rechter, in aanwezigheid van mr. S.A. Vroegop, griffier.

De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

Zittende Magistratuur

Rechter

  • mr. A.M.J. Adriaansen

Griffier

  • mr. S.A. Vroegop

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand